Tweede verblijf dicht bij werk: aftrek huur kan in gedrang komen door nieuwe regeling huurrapportering
Kosten van een tweede verblijfsgelegenheid die men huurt omdat men verplicht is dicht bij het werk te wonen, zijn in principe aftrekbaar. Maar in de praktijk komt daar wellicht verandering in nu de aftrek van huurvergoedingen afhankelijk gemaakt is van het indienen van een bijlage bij de aangifte. De regeling die daarbij uitgewerkt is om de verhuurder te beschermen, kan gevolgen hebben voor de huurder van een dergelijk “beroepsmatig” tweede verblijf.
Als een belastingplichtige een pand verhuurt voor beroepsmatig gebruik, wordt hij/zij in de regel hoger belast dan in de situatie waarin de huurder een gewone particulier is die het pand privé gebruikt. In het laatste geval blijft de belastbare basis bij de verhuurder immers beperkt tot het kadastraal inkomen plus 40%, in het andere geval wordt de verhuurder belast op de werkelijke huurinkomsten.
Verhuurder te goeder trouw beschermd
Om te verzekeren dat de fiscus het juiste belastingregime kan toepassen, moet de huurder nu een bijlage bij de aangifte voegen als hij/zij de huur in aftrek wil brengen (voor rechtspersonen is de bijlage in elk geval verplicht, voor natuurlijke personen alleen als men de huur in aftrek brengt). Gebeurt dat niet, dan wordt de aftrek verworpen (nieuw 33° in artikel 53 van het WIB 1992).
De aftrek wordt echter ook nog in een tweede geval verworpen, namelijk als de huurovereenkomst kosteloos is geregistreerd overeenkomstig artikel 161, 12°, a) of b) van het Wetboek Registratierechten. Het gaat dan om gebouwen die uitsluitend bestemd zijn voor huisvesting.
De bedoeling was om de verhuurder te beschermen in situaties waarin de huurder het pand beroepsmatig gebruikt achter de rug van de verhuurder om. In theorie zou de verhuurder dan geconfronteerd worden met een onverwacht hoge belastingfactuur, alleen maar wegens een “beroepsmatig” gebruik door de huurder waarvan de verhuurder niet op de hoogte was. Registratie van het contract volgens de genoemde procedure voorkomt dat.
Uitzondering voor werkgevers die huren voor werknemer
Op die regel is er wel een uitzondering voor werkgevers die een woning ter beschikking stellen van een werkgever of bedrijfsleider ingevolge een contractuele of wettelijke verplichting. In dat geval is de huur toch aftrekbaar, zelfs bij kosteloze registratie van het huurcontract.
Sommigen vonden het logisch om die uitzondering door te trekken naar de situatie waarin de werknemer zelf het initiatief neemt om een appartement of huis te huren in een vergelijkbare situatie. Sommige werknemers zijn immers contractueel verplicht om binnen een bepaalde afstand van het werk te verblijven tijdens de werkweek of om binnen een bepaalde tijd ter plaatse te zijn bij een oproep of in een noodgeval (wat dan veelal op hetzelfde neerkomt als een verplichting om dicht bij het werk te wonen).
Uitzondering niet doortrekken
Maar de minister wil niet zover gaan. In de situatie waarin de werknemer zelf het pand huurt, en het huurcontract kosteloos geregistreerd is, kan die werknemer de huur niet (meer) in aftrek brengen.
Voor de volledigheid moet daarbij opgemerkt worden dat de verhuurder door die wettelijke bepaling effectief “beschermd” is. Niet-aftrek bij de huurder wordt gelijkgesteld met niet-beroepsmatig gebruik en dus wordt de verhuurder in het hier besproken geval niet belast op de werkelijke huurinkomsten, ongeacht het effectieve gebruik van het pand.
Bron: Parl. Vr. nr. 1989 van Volksvert. Vincent Van Quickenborne van 26 maart 2024 (p. 260).