Onderzoekstermijnen inzake bedrijfsvoorheffing nog maar eens verlengd  

fiscale ambtenaar
13/03/24

De wetgever heeft op 28 december 2023 de Wet houdende diverse fiscale bepalingen goedgekeurd en op 29 december 2023 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. In het oog springt de invoering inzake bedrijfsvoorheffing van een bijzondere onderzoekstermijn aan de bijzondere aanslagtermijn als bedoeld in artikel 358, § 1, 1° en § 2, 1° WIB92. Daarmee krijgt de fiscus alweer een nieuw wapen in de strijd tegen de negatieve aangiften in de bedrijfsvoorheffing.

Retroacta

Vóór de inwerkingtreding van voornoemde Wet houdende diverse fiscale bepalingen, voorzag artikel 358, § 1, 1° en § 2, 1° WIB92 reeds in een bijzondere termijn van vijf jaar, maar dat was geen onderzoekstermijn.

De controle of het onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelasting ten aanzien van een welbepaalde belastingplichtige, moest een inbreuk op de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelasting of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten inzake bedrijfsvoorheffing uitwijzen, en dat zonder dat enig onderzoek diende te worden gevoerd voor het vestigen van de aanslag.

Een dergelijke inbreuk moest zijn begaan in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar van vaststelling van de inbreuk, en de aanslag of de aanvullende aanslag moest worden gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop de inbreuk was vastgesteld.

Sinds de Wet houdende diverse fiscale bepalingen van 20 november 2022 is artikel 358, § 1, 1° en § 2, 1° WIB92 dusdanig aangepast dat de bijzondere termijn van vijf jaar van toepassing is wanneer de controle of het onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelasting ten aanzien van die bepaalde belastingplichtige uitwijst dat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet, laattijdig, onvolledig of onjuist aangegeven is.

En, de aanslag of de aanvullende aanslag moet worden gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop is vastgesteld dat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet, laattijdig, onvolledig of onjuist aangegeven is.

De voorbereidende werkzaamheden die deze wijzigingen aan artikel 358, § 1, 1° en § 2, 1° WIB92 hebben ingevoerd geven aan dat deze wijzigingen enkel als doel hebben te verduidelijken wat de wetgever voorheen al bedoelde, gelet op een aantal fraudeonderzoeken.

Dit gewijzigde artikel 358, § 1, 1° en § 2, 1° WIB92 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2023.

En op de valreep van een nieuw jaar…

Te weten op 29 december 2023, werd o.a. artikel 76 van de Wet houdende diverse fiscale bepalingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, dat op de tiende dag na zijn publicatie, zijnde op 8 januari 2024, in werking is getreden.

Voormeld artikel 76 vermeldt expressis verbis:

Art. 76. In artikel 333/3 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “of bedrijfsvoorheffing” ingevoegd tussen de woorden “roerende voorheffing” en “, binnen de aanslagtermijn”.

Hetgeen artikel 333/3 WIB92 zal laten luiden als volgt:

Onverminderd de toepassing van artikel 333, kan de administratie, inzake roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing, binnen de aanslagtermijn van artikel 358, § 2, de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten voor de in artikel 358, § 1, 1°, bedoelde jaren.

Voormeld artikel 76 wijzigt dus artikel 333/3 WIB92, door de woorden “of bedrijfsvoorheffing” toe te voegen.

Hetgeen betekent dat vanaf 8 januari 2024, de vastgestelde verschuldigde maar niet laattijdige of  onvolledige of onjuist aangegeven bedrijfsvoorheffing (aanslagjaar 2023 en volgende), respectievelijk de vastgestelde inbreuken op de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelasting of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten inzake bedrijfsvoorheffing (aanslagjaar 2022 en vorige), in aanmerking komen voor deze nieuwe onderzoekstermijn van artikel 333/3 WIB92.

De voorbereidende werkzaamheden die deze wijziging aan artikel 333/3 WIB92 hebben ingevoerd, geven aan dat dit een oplossing moet bieden voor het feit dat inzake bedrijfsvoorheffing, het aanslagjaar gelijk is aan het inkomstenjaar, waardoor in de praktijk de onderzoekstermijn inzake bedrijfsvoorheffing minstens één jaar korter is dan inzake de inkomstenbelasting zelf. Inzake roerende voorheffing bestond dezelfde problematiek, maar deze is reeds sinds 2018 opgelost door de invoering van een onderzoekstermijn in artikel 333/3, WIB92.

Ondertussen zijn er echter verschillende vrijstellingen inzake de doorstorting van bedrijfsvoorheffing ingevoerd die het nodig maken ook inzake bedrijfsvoorheffing, onderzoeksdaden te kunnen stellen teneinde de specifieke voorwaarden van de vrijstelling van doorstorting te kunnen onderzoeken.

Wat betekent dit nu in de praktijk?

De wetswijzing komt concreet hierop neer dat voor een inbreuk die is vastgesteld einde 2024, de fiscus op basis van de bijzondere termijn uit artikel 333/3 en 358, §1, 1° en §2, 1° WIB92, onderzoeken kan verrichten en aanslagen kan vestigen tot eind 2025 met betrekking tot aangiften die teruggaan tot 2019 en dit zonder dat er sprake hoeft te zijn van fraude!  

Let wel, niet enkel het onderzoek moeten binnen de termijn van twaalf maanden beëindigd zijn, maar ook de aanslag moet binnen diezelfde termijn gevestigd zijn.

Besluit

Doordat aan de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 1° en § 2, 1° WIB92, een bijzondere onderzoekstermijn wordt toegevoegd inzake bedrijfsvoorheffing, heeft de fiscus de bevoegdheid om vanaf huidig jaar 2024 gedurende langere tijd teruggaand in het verleden onderzoekingen te verrichten en aanslagen te vestigen.

Het is dus van belang dat belastingplichtigen zich voorbereiden op controles inzake bedrijfsvoorheffing die nog verder in tijd terug kunnen gaan, te weten tot wel 5 jaar voorafgaand aan het jaar waarin de overtreding waarvan sprake in dit artikel, werd begaan.

De administratie zal en moet de fiscale uitgaven in dit land in toom houden...

 

Jan De Greef, advocaat balie Antwerpen