nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Lawyers   Coordonnées   Nouvelles   Jobs  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Cass. 13 mei 2005: spraakmakend arrest over bewijslast van verlaagd BTW-tarief.
23/05/2005 - In een kort maar helder arrest heeft het Hof van Cassatie op 13 mei 2005 een belangrijk principe inzake de bewijslast van de BTW-administratie bevestigd.

Het Hof van Cassatie heeft namelijk geoordeeld dat wanneer een belastingplichtige een verlaagd tarief toepast, de BTW-administratie moet bewijzen dat dit lagere tarief niet aan de orde is als zij de toepassing van een hoger tarief vordert.

De feiten die aan de grond van deze uitspraak lagen waren eerder banaal. Een meubelmaker had bij een dierenarts inbouwkasten geplaatst. De plaatsing van deze inbouwkasten kwam in aanmerking als 'werken in onroerende staat' indien deze kasten werden ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van het gebouw (artikel 17bis van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 23 juli 1969). Het inbouwen van de kasten in kwestie was door de meubelmaker onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6%.

Een aantal facturen van de meubelmaker deden bij de BTW-administratie twijfel ontstaan over het feit of bepaalde van die uitgespaarde ruimten speciaal ontworpen waren om als kast te worden gebruikt. Volgens de administratie waren enkele ruimtes immers zo ontworpen dat ze zonder plaatsing van de kasten niet nutteloos zouden zijn, noch vanuit esthetisch standpunt storend. Een zeer feitelijke discussie natuurlijk.

Het gevolg laat zich raden; de BTW-administratie vorderde de toepassing van het toenmalige tarief van 19%. Zij meende dat het tarief van 19% als regel gold en dat het derhalve aan de meubelmaker toekwam te bewijzen dat een lager tarief van toepassing was. Dat was in de casus zeer moeilijk aangezien de plans en bestekken door nalatigheid van een vorige advocaat verloren waren.

Het Hof van Beroep te Gent ging in een arrest dd. 1 oktober 2002 met de administratieve zienswijze over de bewijslastverdeling niet akkoord. Volgens het Hof van Beroep stelde het toenmalige artikel 1 van het K.B. nr. 20 niet als principe dat de belastbare handelingen onderworpen waren aan het tarief van 19% behoudens de uitzonderingen getarifeerd tegen 6%, 17% of 25%. Dit artikel 1 van het K.B. nr. 20 voorziet daarentegen, aldus het Hof van Beroep, in verschillende categoriën belastbare feiten die elk aan een eigen tarief onderworpen zijn.

De administratie diende daarom volgens het Hof van Beroep aan te tonen dat de belastbare handelingen niet waren opgenomen in een van de categoriëen onder de cijfers 1° (tabel A), 2° (tabel B) of 3° (tabel C) van het artikel 1 van het K.B. nr. 20. De formulering van artikel 1, 4° K.B. nr. 20 luidde (en nu nog) immers als volgt 'alle andere goederen en diensten ...'.

De administratie voorzag zich tegen deze principiële uitspraak van het Hof van Beroep in Cassatie. Op grond van artikel 64 §3 WBTW meende de administratie dat de belasting in de regel, behoudens tegenbewijs, aan het hoogste tarief diende te worden berekend. Op geen enkele wetsbepaling kon volgens haar gesteund worden om, ingeval van twijfel tussen twee tarieven, het laagste te verkiezen.

Het Hof van Cassatie heeft deze argumentatie met één pennentrek verworpen. Het Hof oordeelde dat artikel 1 van het K.B. nr. 20 het tarief van 19% niet omschrijft als een algemeen tarief. Dit tarief wordt volgens het Hof enkel  toegepast wanneer wordt bewezen dat de kwestieuze goederen of diensten niet in de tabellen A, B of C worden aangewezen. Hieruit volgt dat de administratie die de toepassing vordert van het tarief van 19%, wanneer de belastingplichtige een tarief van 6% had toegepast, de bewijslast heeft dat dit laatste tarief niet toepasselijk is. Het middel tot cassatie van de BTW-administratie, dat ervan uitgaat dat de belastingplichtige de toepassing van een lager BTW-tarief dient te bewijzen, berust volgens het Hof op een verkeerde rechtsopvatting.

Ondanks de beknoptheid van dit cassatiearrest heeft het toch onmiskenbaar belangrijke gevolgen voor de rechtspraktijk. Vanaf nu zal de BTW-administratie immers moeten bewijzen dat een lager BTW-tarief niet van toepassing is, indien een belastingplichtige zich hierop beroept.

 Philippe MISSOUL, advocaat bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN



10-02-20 Nieuwe antimisbruikbepaling: fiscus krijgt opnieuw ongelijk
In een tweede arrest over het herschreven artikel 344, §1 van het WIB 1992 komt het Hof van Beroep tot dezelfde conclusie als in zijn eerste arrest: de fiscus kan de algemene antimisbruikbepaling niet toepassen. Meer bepaald verschilt het Hof van mening met de fiscus over de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling in de situatie waarin het misbruik bestaat uit een samenhangend geheel van handelingen.....lire la suite
 
10-02-20 Nieuwe regels voor BTW-herzieningen, niet alleen bij onroerende verhuur
Sinds 1 januari 2019 kan men ervoor kiezen om onroerende verhuur aan BTW te onderwerpen. Dat bracht tevens grote wijzigingen aan de BTW-herzieningsregels met zich mee. Maar op het uitvoeringsbesluit was het wachten tot midden 2019. En de uitvoerige circulaire over de nieuwe regels is pas nu verschenen. De fiscus heeft maar liefst 27 blz. nodig om de regeling uit de doeken te doen. We geven een overzicht van de belangrijkste nieuwigheden.....lire la suite
 
26-01-20 “Cash for car”-systeem is ongrondwettelijk
Het Grondwettelijk Hof vernietigt de regeling van de mobiliteitsvergoeding, gemeenzaam gekend onder de benaming “cash for car”. De regeling bood werknemers met een bedrijfswagen de kans om afstand te doen van dat voordeel zonder een fiscaal nadeel te lijden. Maar het Grondwettelijk Hof struikelt over de discriminatie die ontstaat doordat de vergoeding fiscaal en sociaal veel gunstiger behandeld wordt dan een gewoon loon. Voorlopig mag het systeem echter blijven bestaan.....lire la suite
 
20-01-20 Hervorming Vlaamse erfbelasting op komst
Successieplanning zal binnenkort wellicht anders georganiseerd worden. De Vlaamse regering kondigt namelijk drie ingrepen in de erfbelasting aan. Het systeem van het duolegaat wordt grondig hervormd. Daarnaast maakt de “vriendenerfenis” zijn opwachting. En het registreren van schenkingen wordt aangemoedigd door de kans te verhogen dat er later erfbelasting betaald moet worden op niet-geregistreerde schenkingen.....lire la suite