nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Lidgeld van golfclub is (soms) wel/niet aftrekbaar
 
In tegenstelling tot wat bepaalde krantenartikels onlangs hebben laten uitschijnen, heeft de fiscus het in de praktijk toch wel eens moeilijk met de aftrekbaarheid van het lidgeld van een golfclub. De fiscus is traditioneel vrij streng voor pogingen om de kosten voor een hobby te vermommen als beroepskosten. Maar in feite is dat gewoon een feitenkwestie. De rechtspraak biedt heel wat voorbeelden in zowel negatieve als positieve zin.

In volle komkommertijd kreeg een fiscaal vonnis 'van over de Moerdijk' (meer bepaald Arnhem - Nl.) plots veel aandacht in de Vlaamse dagbladpers. Het ging om de eigenares van een winkel in “luxe tweedehandskleding” die ook lid was van een golfclub. Ze had geprobeerd haar lidgeld in te brengen als beroepskost. De fiscus had dat geweigerd met het argument dat het om privé-uitgaven ging. Maar de rechter dacht daar anders over.

Netwerken
 
Een golfclub is immers de ideale plaats om professionele relaties aan te knopen of te onderhouden. De rechtbank “acht het aannemelijk dat de kosten vooral zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat de eiseres via de golf- en countryclub in contact kon komen met potentiële leveranciers van de soort kleding die zij verkocht, en dat de onderneming door het lidmaatschap via het bedrijfsblad van de golfclub naamsbekendheid kon verwerven” (Rb. Arnhem 23 februari 2010, www.rechtspraak.nl).

Bij velen (in België) stootte die uitspraak op wat onbegrip, soms zelfs verontwaardiging (afhankelijk van de kleur van de partijkaart). En daar werd dan vaak onmiddellijk aan toegevoegd dat het invoeren van een verbod om dergelijke kosten af te trekken, ons al een eind op weg zou helpen om de noodzakelijke 25 miljard besparingen of extra-inkomsten te vinden.

Dat laatste valt te betwijfelen, want de Belgische fiscus beschouwt dergelijke kosten ook nu al principieel als niet-aftrekbaar. Maar die regel is niet absoluut. Dat heeft te maken met het concept “beroepskosten” op zich, dat noodzakelijkerwijs heel ruim moet zijn. In theorie kan elke kost nodig zijn (“inherent zijn”) voor het beroep en bijdragen tot het behalen van belastbare inkomsten. Alles hangt af van het beroep en de specifieke omstandigheden. Een racefiets is voor de meeste mensen een hobby maar voor een profwielrenner evident een middel om zijn beroep uit te oefenen.

Privé-uitgaven
 
De algemene regel is dat privé-uitgaven nooit aftrekbaar zijn als beroepskost (art. 53, 1° WIB 1992). Het lidgeld van een sportclub is daar eigenlijk een typevoorbeeld van, althans in de ogen van de fiscus. Meestal heeft zoiets te maken met ontspanning en vrije tijd, niet met het beroep. Maar als bijvoorbeeld een journalist een reportage moet maken over golfclubs, en alleen toelating krijgt tot het terrein op voorwaarde dat hij lid wordt, ligt het dan niet voor de hand dat het lidgeld voor hem wél een beroepsgerelateerde kost is? De lijn is dikwijls moeilijk te trekken.

Een cruciaal punt is wel dat het aan de belastingplichtige is om te bewijzen dat de kost een beroepskarakter heeft en dus aftrekbaar zou moeten zijn. Als de belastingplichtige kan aantonen dat zijn beroep noodzakelijk een bepaalde kost met zich meebrengt, of dat een kost echt gedaan is met de bedoeling inkomsten op te leveren of veilig te stellen (art. 49 WIB 1992), dan kan er normaal gezien geen probleem zijn.

Huwelijksfeest
 
Een goed voorbeeld zijn de kosten van een huwelijksfeest of -receptie. Hoewel het in principe gaat om kosten uit de privésfeer, heeft de rechtspraak er meestal geen moeite mee om te aanvaarden dat ondernemers, kaderleden enz. in de praktijk niet anders kunnen dan ook zakenrelaties uit te nodigen op het huwelijksfeest van zoon- of dochterlief. Die (extra) kosten zijn dus een noodzakelijk gevolg van het feit dat men een bepaald beroep uitoefent.

Het probleem in de praktijk is dat veel belastingplichtigen te weinig zorg besteden aan het nodige bewijsmateriaal. Ze slagen er bijvoorbeeld niet in een lijst voor te leggen van zakenrelaties die effectief aanwezig waren (uitgenodigd zijn volstaat niet), of uitleg te geven over de precieze beroepsrelatie, of aan te tonen dat de personen in kwestie nooit uitgenodigd zouden zijn als het geen zakenrelaties waren (Gent 11 mei 2010). Het gevolg is dat in weinig gevallen de aftrek aanvaard wordt, maar dat betekent nog niet dat aftrek altijd uitgesloten is.

Golfclub
 
Aftrek van het lidgeld van een golfclub is daarmee goed vergelijkbaar. Waarom zou dat niet aftrekbaar zijn als de belastingplichtige kan bewijzen dat hij in zijn functie niet anders kon dan lid worden? Of dat hij van het lidmaatschap gebruik maakte om klanten te zoeken?

In de praktijk zien we dan ook dat de rechtspraak beide richtingen uitgaat. Er zijn drie gevallen bekend, waarvan twee negatief (geen aftrek) en één positief. In één geval bleek het voldoende dat lidmaatschap van de golfclub voor een bedrijfsleider perspectieven opende op het ontmoeten van nieuwe zakenrelaties (Brussel 16 juni 1999). Maar in een ander geval vond het hof het onwaarschijnlijk dat een geneesheer nieuwe cliënten zou ontmoeten in zijn golfclub (Brussel 5 juni 1992). In nog een ander geval kon een kaderlid niet aantonen in welke mate de golfsport verband hield met de activiteiten van zijn vennootschap (Rb. Leuven 13 januari 2006).

Serviceclub
 
Dezelfde regels gelden voor het lidgeld van een serviceclub. De rechtspraak durft de aftrek wel eens weigeren. Eén van de argumenten is dan dat het geen beroepsverenigingen zijn, en dat het om die reden niet voor de hand ligt dat lidmaatschap bijdraagt aan de professionele belangen van de belastingplichtige. Soms valt de rechtspraak ook over het feit dat de belastingplichtige niet kan bewijzen dat het lidmaatschap concreet geleid heeft tot een omzetstijging.

Maar soms staat de rechtspraak de aftrek gedeeltelijk toe (Bergen 18 januari 2002). En in bepaalde gevallen wordt de aftrek zelfs helemaal toegestaan. Het Hof van Beroep van Brussel ziet in dergelijke verenigingen een ontmoetingsplaats van mensen met een gelijkaardige professionele achtergrond. Ze zijn dus niet alleen van belang om contacten te leggen maar zelfs om bij te leren en professionele competenties uit te diepen (arrest van 20 mei 1999).

Ook de minister van Financiën zelf nuanceert: “indien de belastingplichtige, in zijn specifiek geval, ten genoege van rechte kan aantonen dat de bijdragen die hij aan een dergelijke serviceclub betaalt toch in een bepaalde mate verband houden met zijn beroep en gedaan zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, [kan] hij die bijdragen in diezelfde mate als beroepskosten aftrekken” (Parl. Vr. nr. 86 van Volksvert. Pieters, 6 november 2003). Alles hangt dus af van de omstandigheden, en van de mate waarin de belastingplichtige die kan hardmaken voor de controleur of de rechtbank.



20-01-17 Leegstandbelasting niet zomaar te billijken met verzachtende omstandigheden - arrest grondwettelijk hof 14 december 2016
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de leegstand van een gebouw bestemd voor huisvesting, een “administratieve overtreding”. ....lees meer
 
03-01-17 Nieuwe rapporteringsverplichtingen over verrekenprijzen voor multinationals
Het wordt moeilijker voor multinationals om winsten te versluizen naar landen waar die niet of laag belast worden.....lees meer
 
02-01-17 Voordeel gratis woning of herkwalificatie huurinkomen: berekenen van dag tot dag
Voor bedrijfsleiders die een gratis woonst ter beschikking gesteld krijgen van hun vennootschap, of die een eigen onroerend goed verhuren aan hun vennootschap, gelden specifieke fiscale regels.....lees meer
 
01-01-17 Lagere BTW voor publieke fietsen in steden
De verhuur van publieke fietsen (“deelfietsen” van bijvoorbeeld Villo! in Brussel en Velo in Antwerpen) is vanaf 1 januari 2017 onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6%.....lees meer
 
website door webalive