nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Fiscus mag volgens het Hof van Cassatie tussengeschoven managementvennootschap negeren
 
Met het doorfactureren van kosten is het oppassen geblazen als de winstopslag die de tussengeschoven vennootschap aanrekent, te hoog wordt. Want volgens het Hof van Cassatie mag de fiscus artikel 344, §1 WIB 1992 (de zgn. algemene antimisbruikbepaling) toepassen op een constructie waarbij een eerste managementvennootschap het leveren van managementdiensten uitbesteedt aan een tweede, verbonden managementvennootschap, en bij het doorfactureren van die diensten de prijs bijna verdrievoudigt. Het komt erop neer dat de fiscus de eerste managementvennootschap mag negeren en de zaak fiscaal mag behandelen alsof de tweede managementvennootschap rechtstreeks de managementprestaties geleverd heeft aan de exploitatievennootschap. Het gevolg is dat die laatste de managementvergoeding niet mag aftrekken ten belope van de winstopslag die de eerste managementvennootschap aanrekent.

C bestuurt A in naam van B
 
Een exploitatievennootschap A sluit met een managementvennootschap B een overeenkomst voor het leveren van managementdiensten. B is enkele dagen voordien speciaal daarvoor opgericht. Dezelfde dag nog sluit managementvennootschap B met een andere managementvennootschap, C, een overeenkomst waarbij B het management van A uitbesteedt aan C.

C is ook de afgevaardigd bestuurder van B en was dat tot voor kort ook van A. A betaalt 12.400 euro per maand aan B als managementvergoeding. Maar het is dus C die eigenlijk de diensten levert, en C rekent daarvoor slechts 4.700 euro aan aan B. Het verschil, 7.500 euro, is dus wat men zou kunnen noemen zuivere winst voor B, maar B betaalt daarop geen belasting want ze kan daar aanzienlijke financieringskosten tegen afzetten.

Is B dus alleen maar doorgeefluik?
 
Wat de zaak in de ogen van de fiscus nog extra verdacht maakt, is dat managementvennootschap B over geen enkele infrastructuur beschikt. Ze heeft zelfs geen telefoonkosten. Volgens de belastingplichtige is dat nochtans perfect te verklaren: dat komt omdat ze gebruik maakte van de infrastructuur van de exploitatievennootschap A. Dat ligt ook voor de hand, want net zoals bij onafhankelijke consultants gaat het om “day to day” managementactiviteiten, en dat kan het best in de kantoren van de cliënt zelf. Dat staat trouwens ook zo in het managementcontract.

Maar in de ogen van de fiscus is B alleen maar een “doorgeefluik”. De hele constructie is alleen maar opgezet om winsten te kunnen doorsluizen van A naar B, waar ze onbelast kunnen blijven.

Daarom roept de fiscus artikel 344, §1 WIB 1992 in. Als de fiscus vermoedt dat de belastingplichtige voor een bepaalde kwalificatie gekozen heeft met de bedoeling belastingen te ontwijken, mag hij volgens dat artikel een andere kwalificatie in de plaats stellen (“herkwalificeren”). In dit geval, aldus de fiscus, is het leveren van diensten aan A door C via B alleen bedoeld om een fiscaal voordeel te verkrijgen. En dus herkwalificeert de fiscus die hele constructie in een rechtstreekse dienstprestatie door C aan A.

Concrete gevolgen heeft dat in de eerste plaats voor de aftrek van beroepskosten in hoofde van A. In plaats van 12.400 euro (wat A betaalt aan B) mag A maar 4.700 euro aan managementvergoedingen aftrekken. Dat is wat C aanrekent aan B, en is dus volgens de fiscus ook het bedrag dat B zou aanrekenen aan A als het rechtstreeks zou contracteren met A. De rest is een vrijgevigheid (liberaliteit) of een gift.

Fiscaal motief: winst van A doorsluizen naar B, dat verlies maakt
 
De belastingplichtige kan zich volgens artikel 344, §1 wel verweren door aan te tonen dat de kwalificatie waarvoor hij gekozen heeft, aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt.

Het inschakelen van een managementvennootschap (B) was in elk geval een goede zaak voor A, want het heeft geleid tot een scherpe stijging van de omzet, de winst en de tewerkstelling. Maar dat ging niet van een leien dakje, omdat A op de rand van het faillissement stond. Daarom heeft B uitgekeken naar bijzondere kwalificaties en ervaring. Die vond ze bij C, zo argumenteert de belastingplichtige.

Maar dat volstaat niet. Vennootschap A kan volgens de fiscus niet uitleggen waarom de constructie met een tussengeschoven managementvennootschap nodig was (tenzij dan om puur fiscale redenen). Er is in de ogen geen enkele reden om een dergelijke aanzienlijke meerprijs te betalen voor diensten die A veel goedkoper rechtstreeks bij C had kunnen betrekken.

Artikel 344, §1 WIB 1992 blijft nochtans een moeilijke zaak voor de fiscus. Die is daarmee al vaak teruggefloten door de rechtspraak. Een van de struikelblokken is de vereiste dat de fiscus een kwalificatie in de plaats moet kunnen stellen met “gelijksoortige” rechtsgevolgen. Als de fiscus een kwalificatie wil vervangen door een andere, moet die nieuwe kwalificatie “gelijksoortige” rechtsgevolgen hebben als de oorspronkelijke. Dat heeft het Hof van Cassatie al een paar keer onderlijnd. De juridische kenmerken van een verrichting moeten mogelijk zijn bij beide kwalificaties. Als in de nieuwe kwalificatie zomaar een (tussengeschoven) vennootschap “verdwijnt”, kan men onmogelijk spreken van “gelijksoortige” rechtsgevolgen, redeneerde de belastingplichtige. De rechtsfiguur van een vennootschap heeft nu eenmaal zulke fundamentele “rechtsgevolgen” en juridische kenmerken dat men die echt niet kan negeren. Tot voor kort zou ook de hele rechtsleer zonder aarzelen dat standpunt verdedigd hebben.

Cassatie: fiscus mag partij negeren
 
Maar het Hof van Cassatie verrast nu iedereen door te stellen dat de fiscus artikel 344, §1 in dit geval juist toegepast heeft. Het Hof zegt er zelfs heel expliciet bij dat de fiscus opeenvolgende overeenkomsten mag wijzigen in een overeenkomst tussen partijen die niet rechtsreeks met elkaar gecontracteerd hebben. Een overeenkomst tussen A en B en tussen B en C mag dus geherkwalificeerd worden in een overeenkomst tussen A en C, althans op voorwaarde dat het economisch gezien om dezelfde verrichting gaat.

Andere mogelijkheden voor de fiscus?
 
Overigens is niet alleen de uitspraak van Cassatie verrassend maar ook de tactiek van de fiscus. Want de vraag is of de fiscus een dergelijke constructie ook niet op andere (gemakkelijker) manieren had kunnen aanpakken. In theorie is het namelijk ook denkbaar dat de fiscus geargumenteerd zou hebben dat de hele operatie gesimuleerd (geveinsd) was. De commentaar in het bericht van wijziging gaat trouwens in die richting: als de fiscus verklaart dat de voorgewende situatie niet overeenstemt met de achterliggende werkelijkheid, dan is hij eigenlijk al op weg om simulatie aan te tonen en heeft hij artikel 344, §1 WIB 1992 niet meer nodig.

Daarnaast had de fiscus de aftrek van de managementvergoeding ook kunnen verwerpen op basis van artikel 49 WIB 1992 alléén. Dat is trouwens wat de rechter in eerste aanlag beslist heeft. Die vond dat er geen bewijs van werkelijke prestaties was. Een factuur volstaat daarvoor niet. Dus zijn de voorwaarden voor aftrek van beroepskosten niet vervuld, aldus de rechter (Rb. Antwerpen 22 november 2006).

Doorgerekende kosten met winstopslag: gunstige rechtspraak
 
Dat is ogenschijnlijk een veel eenvoudiger discussie, maar merk wel op dat er ook rechtspraak is die de fiscus minder snel gelijk geeft. In een andere zaak had een accountantskantoor een reeks zelfstandige medewerkers die consultancydiensten leverden ten behoeve van de cliënten van het kantoor. Specifiek voor de accountancy-activiteiten sloot het kantoor een samenwerkingsovereenkomst met een verbonden vennootschap. Maar die laatste deed een beroep deed op dezelfde mensen die ook al als zelfstandige medewerker van het kantoor werkten. De reactie van de fiscus was voorspelbaar: “Konden die ook voor accountancyadvies niet gewoon rechtstreeks met het kantoor samenwerken, in plaats van via een tussengeschoven vennootschap?” Wat vooral vreemd leek: die laatste rekende voor die prestaties 20% méér aan aan het kantoor dan wat die zelfstandige medewerkers aan het kantoor aanrekenden voor het werk dat ze rechtstreeks voor rekening van het kantoor deden. Het kantoor factureerde alles in één keer aan zijn cliënten. In de ogen van de fiscus was er geen enkele economische reden om een vennootschap tussen te schuiven, en was de hele operatie dus alleen maar een manier om winsten van het kantoor door te sluizen naar de verbonden vennootschap.

Maar de rechtbank zag dat niet zo. De fiscus mag zich niet bemoeien met de manier waarop een belastingplichtige zijn zaken organiseert. Hij mocht in dit geval dus niet oordelen dat het kantoor die opdrachten evengoed rechtstreeks aan de zelfstandige medewerkers had kunnen toevertrouwen in plaats van via de omweg van de verbonden vennootschap. Het kantoor mocht de facturen van de verbonden vennootschap dus zonder probleem aftrekken (Rb. Antwerpen 3 maart 2006, besproken in I 2006, nr. 11, p. 607-609). Merk wel op dat het natuurlijk iets heel anders is als er “maar” 20% van de winst naar de tussengeschoven vennootschap afgeleid wordt, in plaats van meer dan de helft zoals in het geval dat voor Cassatie gekomen is... Dit vermindert (gelukkig) in grote mate de precendentswaarde van het besproken cassatiearrest.

(Bron: Cassatie 10 juni 2010)



21-03-17 Nu ook tax shelter voor podiumkunsten
De succesvolle “tax shelter” voor audiovisuele werken wordt opengesteld voor theater, opera en andere podiumkunsten. ....lees meer
 
20-03-17 Kwartaalaangevers hoeven geen voorschotten meer te betalen
De formaliteiten voor BTW-plichtigen worden verder vereenvoudigd. ....lees meer
 
17-03-17 Uber-taxirit valt volledig onder regime voor deeleconomie
Bij de invoering van het nieuwe belastingregime voor de deeleconomie – voor particulieren die diensten aanbieden aan andere particulieren via elektronische platforms – was uitgelegd dat inkomsten uit verhuur van kamers via Airbnb slechts gedeeltelijk onder het nieuwe stelsel vallen. ....lees meer
 
28-02-17 Hoge belasting op gebruik gratis woning is ongrondwettelijk, zegt nu ook Antwerps Hof van Beroep
Wie gratis een woning mag gebruiken van zijn werkgever of vennootschap, wordt voor dat gebruik belast op een zogenaamd voordeel van alle aard. ....lees meer
 
website door webalive