nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Jobs   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Samenloop van straf en boete in fiscalibus niet meer mogelijk ingevolge recente rechtspraak Europees Hof?
 
Wat we al wisten : fiscaal-administratieve sancties kunnen strafsancties uitmaken zodat het non bis in idem-beginsel pertinent is.

Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (E.H.R.M.) betekent het “non bis in idem”-beginsel dat men geen tweemaal voor dezelfde feiten kan gestraft worden , ook al zijn er vele delictsomschrijvingen betrokken . Het “non bis in idem”-beginsel is geschonden wanneer dezelfde persoon  na daarvoor reeds te zijn veroordeeld of vrijgesproken wegens hetzelfde gedrag strafrechtelijk wordt vervolgd voor inbreuken met dezelfde essentiële bestanddelen. 

Een geoefend fiscaal praktizijn begrijpt direct dat zulk beginsel voor de in België vaak gezien dubbele vervolgingen op strafrechtelijk en fiscaal vlak problematisch kan zijn.

Temeer daar de rechtspraak in ons land sinds enige tijd onverkort aanneemt dat zware belastingverhogingen en fiscale geldboetes ook een ontradend en bestraffend karakter hebben en dus strafsancties zijn in de zin van het E.V.R.M. 

Het is dus maar een kleine kaap, zou je denken, die de rechtspraak moest overwinnen om te beslissen dat de dader van een fiscaal misdrijf geen tweemaal gestraft mag worden.

Inderdaad rijst de vraag in welke mate de internationaalrechtelijke bepalingen die het non bis in idem-beginsel consacreren, eraan in de weg staan dat een persoon die reeds strafrechtelijk veroordeeld (of vrijgesproken) is, nadien nogmaals voor dezelfde feiten een administratieve sanctie oploopt die een strafrechtelijk karakter heeft in de autonome betekenis van art. 6 E.V.R.M. en 14 BUPO -Verdrag, of omgekeerd.

Maar ook de omgekeerde situatie kan zich voordoen, waarbij een strafrechter geconfronteerd wordt met de vraag of, na een administratief-punitieve sanctionering, het nog aanvaardbaar is dat een strafsanctie wordt opgelegd voor dezelfde feiten. In beide hypotheses gaat het om een zogenaamd geval van externe cumulatie van sancties .

Cassatie hecht in fiscalibus niet veel gewicht aan het  “non bis in idem”-beginsel

Het Hof van Cassatie heeft het niet zo op de belastingfraudeur begrepen. Volgens het Hof vormt de cumulatie van straf- met fiscale sancties niet echt een probleem . Het Hof stelde dat de Belgische overheid zonder het “non bis in idem”beginsel te schenden, voor eenzelfde inbreuk, sancties van uiteenlopende aard kan bepalen, waarvan de ene onderworpen is aan het nationale strafrechtstelsel en de andere aan het stelsel van de administratieve sanctionering, zelfs als de administratieve sanctie een strafrechtelijk aard zou hebben in de zin van art. 6 E.V.R.M.. Het Hof van Cassatie heeft er geen moeite mee dat de wetgever voor één en hetzelfde feit meerdere simultane sanctiemethoden instelt.

Het Hof van Cassatie velde in dit verband een arrest op 24 januari 2002 . De casus betrof een dwangbevel waarin een BTW-schuld was nagevorderd van 4.600.000 BEF meer een administratieve boete van tweemaal het ontdoken bedrag of 9.200.000 BEF, lastens een vennootschap waarvan de afgevaardigd bestuurder met betrekking tot dezelfde feiten bij correctioneel vonnis van 14 oktober 1994, in de beruchte zaak Smans, definitief was veroordeeld. Het hof van beroep te Antwerpen had het opgeworpen rechtsbeginsel “non bis in idem” afgewezen omdat de administratieve sanctie de definitieve strafrechtelijke veroordeling enkele maanden was voorafgegaan. Het Hof van Cassatie greep de kans te baat om te herhalen dat cumulatie van sanctiemethodes mogelijk is maar de dat rechter de wettelijkheid van de sanctie mag onderzoeken, met inbegrip van het respect voor de algemene rechtsbeginselen, en hij mag het bestaan van vroegere strafrechtelijke veroordelingen in zijn beoordeling betrekken. Het Hof besluit met de cryptische vermelding: “Overwegende dat het middel steunt op de veronderstelling dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14.7 I.V.B.P.R., zich verzetten tegen een cumulatie tussen een strafsanctie en een fiscale administratieve sanctie die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van het verdrag; dat het middel niet kan worden aangenomen.” Het standpunt van het Hof van Cassatie lijkt dus te zijn dat cumul tussen strafsancties en administratieve sancties met een strafkarakter principieel mogelijk is maar dat de feitenrechter facultatief vroegere veroordelingen in zijn beoordeling mag betrekken.

Het was na deze cassatierechtspraak, zoals zo vaak, uitkijken naar de positie van het Grondwettelijk Hof in het debat.

Grondwettelijk Hof: “non bis in idem” wel voor Vlaamse meststoffendecreet, niet voor WIB 92

In het arrest van 26 april 2007  had ons Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan over een zaak waarin er sprake was van externe cumul van een administratieve - en een strafsanctie. Het ging hier specifiek over enkele bepalingen van het Vlaamse meststoffendecreet. Het Hof stelde eerst vast dat de administratieve geldboeten in het meststoffendecreet een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van art. 6 E.V.R.M. Art. 37, §3 van het decreet voorziet in een strafsanctie voor hetzelfde gedrag, net zoals de artikelen 42 en 43bis van het Strafwetboek. Het Hof stelde vast dat de essentiële bestanddelen van beide inbreuken identiek zijn en dat het non bis in idem-beginsel geschonden is.

Het Hof wond er geen doekjes om en het kwam ons voor dat de discussie over de al dan niet toepasselijkheid van het non bis in idem-beginsel op externe cumulatie van sancties - althans wat betreft fiscaal-administratieve sancties met strafrechtelijk karakter en effectieve strafsancties - nog een andere wending kon krijgen dan de cassatierechtspraak.

Het Grondwettelijk Hof heeft later alvast een stap in de goede richting gezet. Het herhaalde de principes van het vorenvermelde arrest in een fiscale zaak in een arrest van 18 juni 2008 , maar besliste aan de andere kant ook dat een cumulatie van een fiscaal-administratieve sanctie met een strafrechtelijke sanctie in principe niet verboden is: “De keuze om de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde inbreuken zowel met administratieve als met strafrechtelijke sancties te bestraffen, berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de inbreuken. Rekening houdend met de weerslag die de belastingontduiking kan hebben op de Schatkist en de concurrentieverstoringen die daaruit kunnen voortvloeien voor de bedrijven die zowel hun fiscale als hun sociale verplichtingen nakomen (Parl. St., Senaat, 1980-1981, nr. 566/2, p. 2), is de bestreden maatregel eveneens relevant om het nagestreefde doel van het bestrijden van belastingontduiking te bereiken.”

Het Grondwettelijk Hof voegt er wel aan toe dat het nog dient na te gaan of de maatregel geen onevenredige gevolgen heeft, in het bijzonder rekening houdend met het beginsel non bis in idem. Het Grondwettelijk Hof stelt inzonderheid vast dat de administratieve geldboeten waarin art. 445 WIB 92 (vergelijk met art. 70 §1 W.BTW) voorziet een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van art. 6 E.V.R.M. Het Hof oordeelt evenwel dat de essentiële elementen van de overtredingen bedoeld in de artikelen 445 en 449 WIB 92 (vergelijk met art. 73 W.BTW) niet gelijksoortig zijn aangezien enkel het art. 449 WIB 92 inzake strafrechtelijke sancties een bedrieglijk opzet vereist of het oogmerk om te schaden. Art. 445 inzake administratieve geldboeten vereist een dergelijk opzet of oogmerk niet. Het Grondwettelijk Hof besluit bijgevolg dat “non bis in idem”beginsel niet is geschonden.

Het Grondwettelijk Hof gaat dus bij de beoordeling van het “non bis in idem”-beginsel na in hoeverre de administratieve en de strafrechtelijke sanctie in soortgelijke bewoordingen hetzelfde gedrag bestraffen en, of de essentiële bestanddelen van beide inbreuken identiek zijn. Indien dit het geval is (zoals in het Vlaamse meststoffendecreet), dan is de cumulatie van strafsancties en administratieve sancties die een strafkarakter hebben in de zin van art. 6 E.V.R.M. volgens het Grondwettelijk Hof ontoelaatbaar in het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Het Grondwettelijk Hof ging daarmee alvast een stapje verder dan het Hof van Cassatie. Maar de discussie verlegde zich meteen wat naar het “idem”-begrip. En daarover heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wel wat te zeggen....

De evolutie in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de toetsstenen voor de “idem”-voorwaarde

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het verleden diverse criteria gebruikt om bij de toepassing van het “non bis in idem”-beginsel  uit te maken of het om dezelfde feiten gaat (het zogenaamde “idem”-element van het “non bis in idem”-beginsel).

Aanvankelijk, in zijn arrest Gradinger t. Oostenrijk van 23 oktober 1995 ,  gebruikte het Hof het begrip “same conduct” of dezelfde gedraging om uit te maken of twee strafsancties dezelfde feiten betroffen.

In zijn arrest Oliveira t. Zwitserland van 30 juli 1998  en diverse andere navolgende arresten  nam het Hof aan dat dezelfde gedraging verschillende overtredingen (“offence”) kan uitmaken die alle kunnen worden bestraft; art. 4 van protocol nr. 7 verbood enkel de dubbele bestraffing van “the same offence” of dezelfde overtreding. Dit was de tweede toetssteen waarvan het Hof gebruik maakte.

Bij de derde toetssteen die het Hof hanteerde, legde het de nadruk op de “essential elements” van de overtredingen (zie o.m. de arresten Hauser-Sporn  en Fischer ); werd er twee maal bestraft voor inbreuken met dezelfde essentiële bestanddelen?
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bij zijn arrest ZOLOTUKHIN  van de Grote Kamer van 10 februari 2009 zijn rechtspraak over het “non bis in idem”-beginsel opnieuw bijgesteld.

De Grote Kamer van het Hof stelde vast dat in de vroegere rechtspraak drie verschillende criteria gebruikt werden (cf. supra) om te bepalen of de onderliggende feiten al dan niet dezelfde zijn.

Aangezien het gebruik van drie verschillende toetsstenen afbreuk doet aan de rechtszekerheid, beslist de Grote Kamer om er voortaan slechts één enkele meer aan te wenden.

Het Hof oordeelt dat art. 4 van protocol nr. 7 bij het EVRM het verbod inhoudt om een persoon voor een tweede inbreuk te vervolgen of te berechten voor zover deze inbreuk voortvloeit uit identieke feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn als die welke tot de eerste inbreuk hebben geleid. Om bij de toepassing van het “non bis in idem”-beginsel uit te maken of het “idem”-element vervuld is, dient voortaan te worden nagegaan of het “substantieel dezelfde feiten” betreft.

De tegen de heer ZOLOTUKHIN ingestelde strafrechtelijke vervolgingen hadden in hoofdzaak betrekking op dezelfde inbreuk als die waarvoor hij al administratiefrechtelijk werd veroordeeld.

Administratiefrechtelijk werd de heer ZOLOTUKHIN verweten obsceniteiten te hebben geroepen en geen rekening te hebben gehouden met de aan hem gerichte waarschuwingen. In de strafprocedure werd hem dreigen met geweld, weerstand aan publieke ambtenaren en verstoring van de openbare orde ten laste gelegd. Het enige verschil dat het Europees Hof zag tussen beide procedures was dat in de administratieve procedure hem niet werd verweten te hebben gedreigd met geweld. Het Hof oordeelde dat ondanks dit verschil, het in beide procedures om substantieel dezelfde feiten ging en dat bijgevolg de “idem”-voorwaarde was vervuld. Derhalve was hij het slachtoffer van een ovetreding van art. 4 van protocol nr. 7 bij het EVRM.

Een gelijke kwalificatie van de inbreuken is bijgevolg niet langer vereist voor de invulling van de “idem”-voorwaarde; zodra het om substantieel dezelfde feiten gaat, kan er geen tweede keer worden vervolgd.

Europees Hof: “non bis in idem” bij cumul van straf- met fiscale sancties

Het moest er ooit van komen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn, hier geannoteerd, arrest RUOTSALAINEN  d.d. 16 juni 2009 zijn vernieuwd criterium ter beoordeling van het idem-element toegepast in een fiscale zaak.

De heer Ruotsalainen was veroordeeld tot een boete voor “kleine” belastingfraude, meer bepaald voor een overtreding van de belastingwet op motorvoertuigen. De boete was opgelegd wegens het gebruik van een brandstof die minder belast werd dan dieselolie zonder betaling van de bijkomende belasting en terwijl hij het bijtanken van zijn wagen zelf had uitgevoerd.

In een latere administratieve procedure werd een “fuel fee debit” uitgevaardigd omdat was vastgesteld dat de heer Ruotsalainen tijdens het jaar 2001 in zijn wagen een brandstof die minder belast werd dan dieselolie had gebruikt. Omdat hij de bevoegde autoriteiten niet op voorhand had ingelicht van dit gebruik, werd de brandstofretributie verdrievoudigd.

Deze verdrievoudiging had het Hof ertoe gebracht om de administratieve sanctie als een straf te beschouwen, aangezien ze de bedoeling had recidive te voorkomen. De brandstofretributie als dusdanig kon het Hof nog beschouwen als overeenstemmend met de veroorzaakte schade, te weten een inkomstenverlies.

De feiten verschilden weinig volgens het Hof, hoewel in de strafprocedure een opzet vereist was.

De feiten van beide overtredingen dienden bijgevolg te worden beschouwd als substantieel dezelfde voor de toepassing van art. 4 van protocol nr. 7.

Een sanctie wegens een strafrechtelijke inbreuk en een sanctie wegens een fiscale inbreuk met een strafkarakter (op vlak van de inkomstenbelastingen of de BTW) kunnen niet langer worden gecumuleerd. Het feit dat voor de eerste inbreuk een opzet vereist is en niet voor de tweede, verhindert niet dat het om dezelfde feiten zou gaan en het “non bis in idem”-beginsel zou gelden; het gaat in dat geval immers om substantieel dezelfde feiten.

Het EHRM laat de externe cumul van een administratieve sanctie met een strafkarakter en een strafsanctie niet langer toe wanneer deze substantieel dezelfde feiten sanctioneren.

Rechtspraak Grondwettelijk Hof en Hof van Cassatie achterhaald ?!

Het Grondwettelijk Hof verwees in het hoger besproken arrest van 18 juni 2008  nog naar de interpretatie van het “non bis in idem”-beginsel die het Europees Hof hanteerde in het arrest Fischer . Deze vroegere interpretatie stelde dat het “non bis in idem”-beginsel is miskend wanneer dezelfde persoon, na daarvoor reeds te zijn veroordeeld of vrijgesproken, opnieuw wegens hetzelfde gedrag wordt vervolgd voor inbreuken met dezelfde essentiële bestanddelen. Het Grondwettelijk Hof stelde, verwijzende naar oudere E.H.R.M.-rechtspraak, dat het “non bis in idem”-beginsel niet geschonden wordt wanneer de essentiële bestanddelen van de beide strafbare feiten niet identiek zijn; het volstond dat het morele element van de beide strafbaarstellingen verschilt.

Het Grondwettelijk Hof besloot in juni 2008 nog dat het “non bis in idem”-beginsel gerespecteerd was omdat de essentiële elementen van de overtredingen bedoeld in de artikelen 445 en 449 van het WIB 92 niet identiek zijn, vermits enkel het laatstgenoemde artikel een bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden vereist.

Het Europees Hof heeft net op dit punt zijn rechtspraak herzien.

Ten eerste eist het Europees Hof niet langer dezelfde essentiële bestanddelen, doch enkel substantieel dezelfde feiten.

Ten tweede heeft de vereiste van een opzet voor de strafrechtelijke inbreuk, terwijl dit opzet niet vereist was voor de administratieve inbreuk met strafrechtelijk karakter, er het Europees Hof niet toe gebracht te stellen dat het om verschillende feiten ging. Het Hof stelde meer bepaald: “Thus, the facts in the two sets of proceedings hardly differ albeit there was the requirement of intent in the first set of proceedings. The facts of the two offences must, the Court considers, therefore be regarded as substantially the same [...]” (eigen onderlijning).

Het arrest van 18 juni 2008 van het Grondwettelijk Hof is bijgevolg achterhaald; wanneer het morele element van de beide strafbaarstellingen verschilt, is dit niet (langer) voldoende om van verschillende feiten te kunnen spreken en de gelding van het “non bis in idem”-beginsel uit te schakelen.

Voorlopig besluit: geen cumul strafsancties met fiscale sancties meer mogelijk

Niet alleen impliceert deze rechtspraak van het Europees Hof dat de strafbaarstellingen bedoeld in de artikelen 445 en 449 van het WIB 1992 wél betrekking kunnen hebben op identieke feiten, doch dit lijkt ook in te houden dat ook andere administratieve sancties met een strafkarakter en strafsancties betrekking kunnen hebben op identieke feiten, aangezien het feit dat de eerste geen opzet of een ander moreel element vereisen, niet langer ter zake doet.

Deze rechtspraak zet het hele systeem waarbij overtredingen van de fiscale wetboeken (cf. art. 449 WIB92 en 73 WBTW) ook nog eens strafrechtelijk kunnen worden gestraft wanneer zij met bijzonder opzet werden gepleegd, op de helling. Een externe cumulatie is niet langer mogelijk. Er kan voor substantieel dezelfde feiten slechts één sanctie met strafkarakter worden opgelegd voor zowel de strafrechtelijke inbreuk als de fiscale inbreuk.

Una via : de uitkomst?

Zoals geweten werkt de federale regering aan een wetsontwerp tot aanpassing van het zogenaamde “charter van de belastingplichtige”. Daarin is sprake van een hoofdstuk over de toepassing van het “una via concept”. Het zou de bedoeling zijn dat tussen parket en belastingadministratie moet uitgemaakt worden welke weg gekozen wordt voor de aanpak van een dossier van fiscale fraude : ofwel de strafrechtelijke vervolging ofwel de fiscaal administratieve afdoening. Gelet op de geannoteerde recente rechtspraak is dergelijk wetgevend ingrijpen meer dan gepast, als al niet hoognodig.

Bart Coopman en Koen Hens
De Broeck - Van Laere & Partners advocaten



12-12-17 RENTEVOET VOOR NALATIGHEIDS- EN MORATORIUMINTERESTEN GAAT DRASTISCH OMLAAG
Wie achterstallige belastingen moet betalen, zal vanaf volgend jaar geen onrealistisch hoge rentevoet van 7% meer aangerekend krijgen. ....lire la suite
 
11-12-17 AFTREK AUTOKOSTEN WORDT VERDER BEPERKT
De hervorming van de vennootschapsbelasting omvat tevens een grondige hervorming van de aftrek van autokosten, ook voor zelfstandigen.....lire la suite
 
07-12-17 24 DECEMBER 2017 – DEADLINE BETALING DECEMBERVOORSCHOT BTW
Sinds 1 april 2017, en zoals gepubliceerd op onze website, dienen btw-kwartaalaangevers niet langer voorschotten te betalen. ....lire la suite
 
20-11-17 Conforme factuur is geen voorwaarde voor BTW-aftrek
De fiscus vond ooit dat fouten op de factuur een voldoende reden zijn om de BTW-aftrek te verwerpen.....lire la suite
 
site web par webalive