nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Nieuwigheden in de eindejaarswetten: beveiliging voor vrachtwagens aangemoedigd
 
We sluiten onze artikelenreeks over de programmawet en de andere grote eindejaarswetten af met een overzicht van de maatregelen die nog niet in een vorig artikel aan bod gekomen zijn. De meeste daarvan treden in werking op 1 januari 2010, maar er zijn ook maatregelen die al voor aanslagjaar 2010 gelden, dus in de praktijk vaak terugwerken tot begin 2009.

Er bestaat nu ook een investeringsaftrek voor investeringen in de beveiliging van bedrijfsvoertuigen, als aanvulling op de bestaande maatregel ten gunste van beveiliging van beroepslokalen. Het gaat dan om vrachtwagens en bussen maar ook om opleggers, aanhangwagens en zelfs taxi's. De maatregel geldt vanaf aanslagjaar 2010 en blijft beperkt tot natuurlijke personen en “KMO's” (zie hierna voor de specifieke KMO-definitie). Welke investeringen precies in aanmerking komen, heeft de fiscus nog niet laten weten, maar afgaand op wat toegelaten is als beveiliging van beroepslokalen, zal de maatregel waarschijnlijk ruim geïnterpreteerd worden. De investeringsaftrek voor beveiliging mag overigens niet verward worden met de bestaande aftrek van 120% van kosten voor beveiliging (die vooral bedoeld is voor wie een beroep doet op de diensten van bewakingsfirma's e.d.).

Maaltijdcheques
 
Maaltijdcheques worden vanaf aanslagjaar 2010 expliciet ondergebracht bij de “sociale en culturele vrijstellingen”. Dat was nodig omdat er in de rechtspraak discussie ontstaan was over het precieze statuut van maaltijdcheques. Traditioneel ging men ervan uit dat maaltijdcheques onder de “sociale voordelen” vielen (artikel 38, 11° WIB 1992). Maar sommige rechtbanken vonden dat maaltijdcheques niet beantwoorden aan de omschrijving van “sociale voordelen” (geen verband met het beroep, geen werkelijke bezoldiging enz.) en dat het in de plaats daarvan “voordelen van alle aard” zijn. Dat zou verregaande consequenties hebben voor de fiscale behandeling, want sociale voordelen zijn vrijgesteld voor de werknemer en niet aftrekbaar voor de werkgever. Voor voordelen van alle aard is het net omgekeerd: die zijn belastbaar voor de werknemer en aftrekbaar voor de werkgever.

Om alle verdere discussie uit te sluiten, worden maaltijdcheques nu expliciet genoemd onder de “sociale en culturele vrijstellingen” (artikel 38, 25° WIB 1992), zodat we nu zeker zijn dat ze hetzelfde statuut als de “sociale voordelen” hebben: vrijgesteld voor de werknemer en niet aftrekbaar voor de werkgever.

Op die laatste regel bestaat overigens sinds 1 februari 2009 een beperkte uitzondering: één euro van de kost van een maaltijdcheque is voor de werkgever toch aftrekbaar.

Van de gelegenheid is ook gebruik gemaakt om expliciet in de wet in te schrijven aan welke voorwaarden een maaltijdcheque moet voldoen om vrijgesteld te blijven voor de werknemer (cheque op naam, één per dag, maximale tussenkomst van de werkgever 5,91 euro, minimale bijdrage van de werknemer 1,09 euro...). Tot nu toe stonden die voorwaarden alleen in circulaires en berichten van de fiscus. Dat ze nu in de wet zelf staan, sluit elke betwisting uit.

Een soortgelijke regeling geldt ook voor ecocheques en voor sport- en cultuurcheques. Ook die worden nu expliciet genoemd in de wet.

Geharmoniseerde KMO-definitie
 
Verder wordt ook meer eenvormigheid gebracht in de diverse KMO-definities in de fiscale wetgeving. De definitie van “kleine vennootschap” uit het Wetboek Vennootschappen (artikel 15) was al goed op weg om ook op fiscaal gebied de norm te worden. De opmars van de vennootschapsrechtelijke “KMO-definitie” gaat gestaag verder, want ze wordt vanaf aanslagjaar 2010 ook gebruikt voor de investeringsreserve en voor de vrijstelling van voorafbetalingen in de eerste drie jaar na de oprichting van een (kleine) vennootschap.

De wetgever komt daarmee tegemoet aan de kritiek van het Grondwettelijk Hof. Dat Hof heeft al een paar keer opgemerkt dat het onlogisch en zelfs discriminerend is om een fiscale gunstmaatregel in te voeren speciaal voor KMO's, en vervolgens, om te bepalen wat een KMO is, een criterium te gebruiken dat weinig of niets met de omvang van de onderneming te maken heeft. Met name de voorwaarden om het verlaagd tarief te krijgen, hebben te maken met o.m. de winst, de aandeelhoudersstructuur en de hoogte van de bedrijfsleidersbezoldigingen (artikel 215, lid 3 WIB 1992) maar niet met de grootte van de vennootschap op zich. Het Grondwettelijk Hof vindt dan ook niet dat de criteria van artikel 215 van het WIB 1992 geschikt zijn om te bepalen wat een “KMO” is. Aan de kritiek van het Grondwettelijk Hof wordt nu tegemoet gekomen door niet meer de criteria uit artikel 215 van het WIB 1992 te gebruiken maar wel de definitie van “kleine vennootschap” uit het Wetboek Vennootschappen (artikel 15) om te bepalen wie in aanmerking komt voor de investeringsreserve en de vrijstelling van voorafbetalingen.

Een volledig uniforme “KMO-definitie” hebben we daarmee echter nog altijd niet in de vennootschapsbelasting. Want voor het verlaagd tarief blijven de bijzondere criteria van artikel 215 van het WIB 1992 behouden. En voor de investeringsaftrek voor beveiliging van beroepslokalen en bedrijfsvoertuigen gelden zowel de criteria van artikel 15 van het Wetboek Vennootschappen als een eigen bijzonder criterium (dat laatste staat in artikel 201 van het WIB 1992: o.m. moet minstens de helft van de aandelen in handen van natuurlijke personen zijn). Dat heeft dan wel als voordeel dat méér vennootschappen in aanmerking komen. Ten slotte bestaat er nog een eigen “KMO”-definitie voor de vrijstelling voor bijkomend personeel (artikel 67ter WIB 1992). Voor die maatregel komen alleen vennootschappen in aanmerking die eind 1997 (of bij de opstart) minder dan 11 werknemers hadden.

... geconsolideerd bekijken
 
Voor de volledigheid: volgens artikel 15 van het Wetboek Vennootschappen is een vennootschap “klein” als ze voor de twee laatste boekjaren aan minstens twee van de volgende voorwaarden voldoet :
    - hoogstens 50 personeelsleden tellen;
    - een jaaromzet van hoogstens 7.300.000 euro hebben;
    - of een balanstotaal van hoogstens 3.650.000 euro.

Paragraaf 5 van datzelfde artikel 15 van het Wetboek Vennootschappen zegt overigens dat de criteria omzet en balanstotaal op geconsolideerde basis berekend moeten worden. En dat het aantal personeelsleden van verbonden ondernemingen bij elkaar opgeteld moet worden. Vennootschappen die deel uitmaken van een groep, maken zo natuurlijk minder kans om als “kleine” vennootschap beschouwd te worden. Daarom was het opvallend dat tot nu toe in het Wetboek Inkomstenbelastingen alleen verwezen werd naar § 1 van artikel 15 van het Wetboek vennootschappen. En niet naar §5. Moest men dus op fiscaal gebied géén geconsolideerde berekening toepassen? De minister heeft al een paar keer gezegd dat men die conclusie niet mag trekken. De paragrafen 2 tot 6 van artikel 15 leggen gewoon uit hoe men §1 moet interpreteren, en men moet dus hoe dan ook met die andere paragrafen rekening houden, ook al verwijst de fiscale wet alleen naar §1. Maar er bleef twijfel, omdat de letterlijke wettekst nu eenmaal alleen van §1 spreekt.

Aan die onduidelijkheid is nu ook een einde gemaakt. Overal in het Wetboek Inkomstenbelastingen is de verwijzing naar “artikel 15, §1” van het Wetboek Vennootschappen vervangen door een verwijzing naar “artikel 15” kortweg. Zo kan er geen enkele discussie meer over bestaan dat de criteria van kleine vennootschap geconsolideerd bekeken moeten worden. Die aanpassing is o.m. van belang voor het tarief van de notionele interestaftrek, de afschrijvingsregels en de aftrek van 120% voor kosten voor beveiliging.

Tax shelter voor films
 
Verder wordt de zogenaamde “tax shelter” voor audiovisuele producties op een paar punten versoepeld. Die “tax shelter” houdt in dat een vennootschap die investeert in een erkende film die hoofdzakelijk in België gedraaid wordt, een belastingvermindering kan krijgen ten belope van 150% van haar investering. Tot nu toe moest de producent van de film wel Belgisch zijn. Maar onder druk van Europa is dat regime sinds 1 januari 2010 versoepeld. Vennootschappen mogen nu ook investeren in filmprojecten van buitenlandse producenten (via de zogenaamde vaste inrichting die de buitenlandse producent in België heeft). Een tweede versoepeling is dat voortaan ook kortfilms in aanmerking komen. In de wet wordt het woord “langspeelfilm” namelijk vervangen door “fictiefilm”. Voor televisieproducties blijft wel de voorwaarde bestaan dat het om een “lange” fictiefilm moet gaan, ofwel een documentaire of een animatieserie.

Notionele interestaftrek beperkt
 
De notionele interestaftrek zal voortaan nog maximaal 3,8% bedragen. Voor aanslagjaar 2011 is dat tevens het effectieve tarief. Voor kleine vennootschappen komt daar nog altijd een half procentpunt bij, waardoor zij uitkomen op 4,3%. Aan de berekening van het tarief verandert op zich niets. Het is nog altijd gebaseerd op het gemiddelde rentetarief van overheidsobligaties op tien jaar gedurende het voorgaande jaar. Maar nu wordt het resultaat van die berekening dus afgetopt op 3,8%. Als de rente op hetzelfde lage peil blijft als vandaag, zou het kunnen dat het tarief volgend jaar zelfs onder dat maximum zakt, met name tot 3,7%.

... maar soepeler over te dragen
 
Er is echter ook goed nieuws wat de notionele interestaftrek betreft. Om te beginnen staat nu uitdrukkelijk in de wet dat niet gebruikte notionele interestaftrek overdraagbaar is naar de overnemer in geval van een belastingneutrale herstructurering. Die aanpassing is van toepassing vanaf 12 januari 2009. Bovendien mag de nog niet gebruikte aftrek overgedragen worden naar de zeven volgende “belastbare tijdperken”. Tot nu was dat zeven “jaren”. Wie werkt met verlengde boekjaren, kan dus zijn voordeel doen met die aanpassing van de wettekst. Die laatste wijziging geldt officieel vanaf 10 januari 2010 maar was eigenlijk ook voordien al van toepassing, vermits ook in een circulaire al gestaan heeft dat het om zeven “belastbare tijdperken” gaat.

Bedrijfsleiders: lager kostenforfait
 
De beperking van de notionele interestaftrek is natuurlijk niet de enige maatregel uit de eindejaarswetten die voor meer inkomsten voor de overheid moet zorgen. Dat er bespaard moet worden, zullen bedrijfsleiders in elk geval ook voelen. De forfaitaire aftrek van beroepskosten - die toegestaan wordt als ze hun werkelijke beroepkosten niet bewijzen - daalt voor hen van 5% naar 3%. En het maximale bedrag van dat forfait wordt beperkt tot 1555,50 euro (geïndexeerd 2150 euro). Tot nu toe was dat 2592,50 euro (geïndexeerd 3590 euro). Dat scheelt toch al gauw 720 euro aan belastingen per jaar. Maar het is de regering niet zozeer te doen om die kleine meerinkomsten op zich. De regering gaat er blijkbaar van uit dat de meeste bedrijfsleiders hun kosten in de vennootschap steken en daarbovenop nog eens het kostenforfait inroepen in de personenbelasting. Dat laatste zal wegvallen als méér bedrijfsleiders hun werkelijke kosten bewijzen en daarom kosten uit de vennootschap halen, hoopt de regering. De verlaging geldt vanaf aanslagjaar 2011 (inkomstenjaar 2010).

Inning verkeersbelasting veilig gesteld
 
Andere maatregelen moeten ervoor zorgen dat de fiscus gemakkelijker aan zijn geld geraakt. Specifiek gaat het nu om de verkeersbelasting. Motorbrigades van de douane houden af en toe auto's tegen om te controleren of de verkeersbelasting betaald is. Als zij vaststellen dat dat niet gebeurd is, moet de wanbetaler voortaan ter plaatse de niet-betaalde verkeersbelasting betalen. Doet hij dat niet, dan kunnen de ambtenaren nu de auto in beslag nemen. Volgt er dan nog geen betaling, dan wordt de auto openbaar verkocht.

Ook voor lichte vrachtwagens worden de achterpoortjes gesloten. Al enkele jaren bindt de fiscus de strijd aan met “valse” lichte vrachtwagens. Vroeger was het vaak mogelijk om te ontsnappen aan de hoge verkeersbelasting (en belasting op de inverkeerstelling) voor een grote terreinwagen door hem in te schrijven als een “lichte vrachtwagen”. Daarvoor volstond het doorgaans om een scheidingswand te plaatsen tussen de passagiers- en de bagageruimte. Maar sinds 2006 staat in de wet dat een lichte vrachtwagen in fiscale zin een laadruimte moet hebben met een lengte die minstens 50% van de wielbasis bedraagt. Modellen die niet aan die norm beantwoorden, moeten toch de volle pot betalen inzake verkeersbelasting, scheidingswand of niet. De fiscus volgt dus niet langer automatisch de definitie van “lichte vrachtwagen” die bij de inschrijving van het voertuig gebruikt wordt. Het probleem was alleen dat de fiscus niet over de nodige gegevens beschikt om te bepalen of een model dat volgens de inschrijvingsdocumenten een “lichte vrachtwagen” is, voldoet aan die strengere fiscale norm. Daarom rekende hij op de centra voor autokeuring. Die zouden de laadruimte van de gekeurde “lichte vrachtwagens” opmeten tijdens een keuring en dan via de Dienst voor Inschrijving van Voertuigen (DIV) die gegevens doorspelen aan de fiscus. Maar een hele reeks rechtbanken hadden daar de grootste moeite mee. Dat zou erop neerkomen dat de fiscus zijn onderzoekswerk uitbesteedt, wat niet mag.

Daarom is nu de wet aangepast. Voortaan staat uitdrukkelijk in de wet dat de fiscus de centra voor autokeuring mag belasten met het verzamelen van de nodige gegevens, en dat de DIV de informatie die hij van de keuringscentra krijgt, mag doorgeven aan de fiscus, ook als die er niet uitdrukkelijk om vraagt. Die wijziging geldt al voor 2009. En met een koninklijk besluit is daar voor alle zekerheid nog aan toegevoegd dat de DIV de gegevens over de laadruimte en de wielbasis moet bijhouden in zijn bestanden, en doorgeven aan de fiscus.

Voor de andere maatregelen uit de laatste programmawet en de grote eindejaarswetten verwijzen we naar onze vorige artikels:
- “Nieuwigheden vanaf 1 januari 2010: fiscus is streng voor auto's en belastingparadijzen”
- “DBI-overdracht is nu officieel mogelijk”
- “Vlottere gegevensuitwisseling binnen administratie”
- “Fiscale voordelen voor elektrische auto's”
- “Fiscale voordelen voor energiezuinige woningen uitgebreid én ingekrompen”



24-05-17 Fiscale regularisatie: samenwerkingsakkoord op regeringsniveau over ‘onsplitsbare bedragen’
Op 23 mei 2017 is er – uiteindelijk en gelukkig maar - een samenwerkingsakkoord afgesloten tussen de Federale en de Vlaamse regering omtrent de zogenaamde ‘onsplitsbare bedragen’ m.b.t. verjaard oorsprongskapitaal. ....lees meer
 
23-05-17 Fiscus kan nog gemakkelijker rekeningen controleren
Het Centraal Aanspreekpunt (CAP) bij de Nationale Bank houdt de gegevens bij van alle bankrekeningen in het land.....lees meer
 
22-05-17 BTW-administratie krijgt meer armslag om fraude aan te pakken
Ambtenaren van de BTW krijgen nu meer mogelijkheden om beslag te leggen in gevallen waarin zij vrezen dat de verschuldigde BTW niet betaald zal worden.....lees meer
 
21-05-17 Aangifte personenbelasting moet binnen tegen 29 juni, 13 juli of 26 oktober 2017
In de loop van mei verstuurt de fiscus de formulieren voor de aangifte in de personenbelasting voor aanslagjaar 2017. De uiterste indieningsdata zijn: ....lees meer
 
website door webalive