nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Links   General conditions  
  VAT news - VAT invoicing and long term hire
 
Samenloop van straf en boete in fiscalibus niet meer mogelijk ingevolge recente rechtspraak Europees Hof?
 
Fiscaal-administratieve sancties kunnen strafsancties uitmaken
 
Volgens het E.H.R.M. betekent het “non bis in idem”-beginsel dat men geen tweemaal voor dezelfde feiten kan gestraft worden , ook al zijn er vele delictsomschrijvingen betrokken . Het “non bis in idem”-beginsel is geschonden wanneer dezelfde persoon  na daarvoor reeds te zijn veroordeeld of vrijgesproken wegens hetzelfde gedrag strafrechtelijk wordt vervolgd voor inbreuken met dezelfde essentiële bestanddelen. 

Het Europees Hof heeft het laatstgenoemde criterium (“dezelfde essentiële bestanddelen”) recent verfijnd. Zulks kan gevolgen hebben voor de in België vaak gezien dubbele vervolgingen op strafrechtelijk en fiscaal vlak.

De rechtspraak in ons land aanvaardt sinds enige tijd dat zware belastingverhogingen en fiscale geldboetes ook een ontradend en bestraffend karakter hebben en dus strafsancties zijn in de zin van het E.V.R.M.  Nog een kaap die de rechtspraak dientengevolge moest nemen was dan of de dader van een fiscaal misdrijf tweemaal gestraft mag worden.

Inderdaad, rijst de vraag in welke mate de internationaalrechtelijke bepalingen die het non bis in idem-beginsel consacreren, eraan in de weg staan dat een persoon die reeds strafrechtelijk veroordeeld (of vrijgesproken) is, nadien nogmaals voor dezelfde feiten een administratieve sanctie oploopt die een strafrechtelijk karakter heeft in de autonome betekenis van art. 6 E.V.R.M. en 14 BUPO -Verdrag, of omgekeerd.

Inderdaad kan ook de omgekeerde situatie zich voordoen, waarbij een strafrechter geconfronteerd wordt met de vraag of, na een administratief-punitieve sanctionering, het nog aanvaardbaar is dat een strafsanctie wordt opgelegd voor dezelfde feiten. In beide hypotheses gaat het om een zogenaamd geval van externe cumulatie van sancties .

Cassatie sluit in fiscalibus toepassing “non bis in idem” uit
 
Volgens het Hof van Cassatie vormt de cumulatie van straf- met fiscale sancties geen probleem . Het Hof stelde dat de Belgische overheid zonder het “non bis in idem”beginsel te schenden, voor eenzelfde inbreuk, sancties van uiteenlopende aard kan bepalen, waarvan de ene onderworpen is aan het nationale strafrechtstelsel en de andere aan het stelsel van de administratieve sanctionering, zelfs als de administratieve sanctie een strafrechtelijk aard zou hebben in de zin van art. 6 E.V.R.M.. Het Hof van Cassatie aanvaardt hiermee de stelling dat de wetgever voor één en hetzelfde feit meerdere simultane sanctiemethoden kan instellen.

Het Hof van Cassatie bevestigde zijn rechtspraak in een arrest van 24 januari 2002 . De casus betrof een dwangbevel van 4 maart 1994 waarin een BTW-schuld was nagevorderd van 4.600.000,00 BEF meer een administratieve boete van tweemaal het ontdoken bedrag of 9.200.000,00 BEF, lastens een vennootschap waarvan de afgevaardigd bestuurder met betrekking tot dezelfde feiten bij correctioneel vonnis van 14 oktober 1994 definitief was veroordeeld. Het hof van beroep te Antwerpen had het opgeworpen rechtsbeginsel “non bis in idem” afgewezen omdat de administratieve sanctie de definitieve strafrechtelijke veroordeling was voorafgegaan. Eiseres in cassatie hield evenwel voor dat de administratieve geldboete pas definitief opgelegd is nadat de rechter met volle rechtsmacht erover heeft geoordeeld. In het licht van de voorgaande correctionele veroordeling, kon de rechter dus zijn goedkeuring niet hechten aan een administratieve sanctie die haar - zoals bleek ter gelegenheid van de jurisdictionele controle - een tweede maal veroordeelde voor dezelfde feiten. Het Hof van Cassatie verwierp het middel. Het herhaalt dat de wetgever op een zelfde inbreuk sancties van verschillende aard, waaronder administratieve geldboeten van strafrechtelijke aard, mag bepalen, en stelt verder dat de rechter de wettelijkheid van de sanctie mag onderzoeken, met inbegrip van het respect voor de algemene rechtsbeginselen, en dat hij het bestaan van vroegere strafrechtelijke veroordelingen in zijn beoordeling mag betrekken. Het Hof besluit met de enigszins cryptische vermelding: “Overwegende dat het middel steunt op de veronderstelling dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14.7 I.V.B.P.R., zich verzetten tegen een cumulatie tussen een strafsanctie en een fiscale administratieve sanctie die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van het verdrag; dat het middel niet kan worden aangenomen.”

Het standpunt van het Hof van Cassatie lijkt dus te zijn dat cumul tussen strafsancties en administratieve sancties met een strafkarakter principieel mogelijk is maar dat de feitenrechter facultatief vroegere veroordelingen in zijn beoordeling mag betrekken.

Grondwettelijk Hof: “non bis in idem” wel voor Vlaamse meststoffendecreet, niet voor WIB 92
 
In het arrest van 26 april 2007  deed ons Grondwettelijk Hof uitspraak over een zaak waarin er sprake was van externe cumul van een administratieve sanctie en een strafsanctie. Het ging hier specifiek over enkele bepalingen van het Vlaamse meststoffendecreet, meer bepaald de paragrafen 4 en 5 van art. 25. Het Hof stelt hier eerst vast dat de administratieve geldboeten in deze bepalingen een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van art. 6 E.V.R.M. Art. 37, §3 van hetzelfde decreet voorziet in een strafsanctie voor hetzelfde gedrag, net zoals de artikelen 42 en 43bis van het Strafwetboek. Het Hof stelt vast dat de essentiële bestanddelen van beide inbreuken identiek zijn en dat het non bis in idem-beginsel geschonden is. Deze uitspraak druist in tegen de bovenvermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het Hof windt er geen doekjes om en het lijkt erop dat de discussie over de al dan niet toepasselijkheid van het non bis in idem-beginsel op externe cumulatie van sancties - althans wat betreft fiscaal-administratieve sancties met strafrechtelijk karakter en effectieve strafsancties - nog een andere wending kan krijgen.

Het Grondwettelijk Hof herhaalde de principes van het vorenvermelde arrest in een fiscale zaak in een arrest van 18 juni 2008 . Het besliste echter dat een cumulatie van een fiscaal-administratieve sanctie met een strafrechtelijke sanctie in principe niet verboden is: “De keuze om de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde inbreuken zowel met administratieve als met strafrechtelijke sancties te bestraffen, berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de inbreuken. Rekening houdend met de weerslag die de belastingontduiking kan hebben op de Schatkist en de concurrentieverstoringen die daaruit kunnen voortvloeien voor de bedrijven die zowel hun fiscale als hun sociale verplichtingen nakomen (Parl. St., Senaat, 1980-1981, nr. 566/2, p. 2), is de bestreden maatregel eveneens relevant om het nagestreefde doel van het bestrijden van belastingontduiking te bereiken.”

Het Grondwettelijk Hof voegt er wel aan toe dat het nog dient na te gaan of de maatregel geen onevenredige gevolgen heeft, in het bijzonder rekening houdend met het beginsel non bis in idem. Het Grondwettelijk Hof stelt inzonderheid vast dat de administratieve geldboeten waarin art. 445 WIB 1992 (vergelijk met art. 70 §1 W.BTW) voorziet een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van art. 6 E.V.R.M. Het Hof oordeelt evenwel dat de essentiële elementen van de overtredingen bedoeld in de artikelen 445 en 449 WIB 92 (vergelijk met art. 73 W.BTW) niet gelijksoortig zijn aangezien enkel het art. 449 WIB 92 inzake strafrechtelijke sancties een bedrieglijk opzet vereist of het oogmerk om te schaden. Art. 445 inzake administratieve geldboeten vereist een dergelijk opzet of oogmerk niet. Het Grondwettelijk Hof besluit bijgevolg dat “non bis in idem”beginsel niet is geschonden.

Het Grondwettelijk Hof gaat aldus bij de beoordeling van het “non bis in idem”-beginsel na in hoeverre de administratieve en de strafrechtelijke sanctie in soortgelijke bewoordingen hetzelfde gedrag bestraffen en, of de essentiële bestanddelen van beide inbreuken identiek zijn. Indien dit het geval is (zoals in het Vlaamse meststoffendecreet), dan is de cumulatie van strafsancties en administratieve sancties die een strafkarakter hebben in de zin van art. 6 E.V.R.M. volgens het Grondwettelijk Hof ontoelaatbaar in het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Europees Hof: nieuwe toetssteen voor “idem”-voorwaarde
 
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het verleden diverse toetsstenen gebruikt om bij de toepassing van het “non bis in idem”-beginsel  uit te maken of het om dezelfde feiten gaat (het zogenaamde “idem”-element van het “non bis in idem”-beginsel).

Aanvankelijk, in zijn arrest Gradinger t. Oostenrijk van 23 oktober 1995 ,  gebruikte het Hof het begrip “same conduct” of dezelfde gedraging om uit te maken of twee strafsancties dezelfde feiten betroffen.

In zijn arrest Oliveira t. Zwitserland van 30 juli 1998  en diverse andere navolgende arresten  nam het Hof aan dat dezelfde gedraging verschillende overtredingen (“offence”) kan uitmaken die alle kunnen worden bestraft; art. 4 van protocol nr. 7 verbood enkel de dubbele bestraffing van “the same offence” of dezelfde overtreding. Dit was de tweede toetssteen waarvan het Hof gebruik maakte.

Bij de derde toetssteen die het Hof hanteerde, legde het de nadruk op de “essential elements” van de overtredingen (zie o.m. de arresten Hauser-Sporn  en Fischer ); werd er twee maal bestraft voor inbreuken met dezelfde essentiële bestanddelen?
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bij zijn arrest ZOLOTUKHIN  van de Grote Kamer van 10 februari 2009 zijn rechtspraak over het “non bis in idem”-beginsel opnieuw bijgesteld.

De Grote Kamer van het Hof stelde vast dat in de vroegere rechtspraak drie verschillende toetsstenen gebruikt werden (cf. supra) om te bepalen of de onderliggende feiten al dan niet dezelfde zijn.

Aangezien het gebruik van drie verschillende toetsstenen afbreuk doet aan de rechtszekerheid, beslist de Grote Kamer om voortaan slechts één enkele toetssteen aan te wenden.

Het Hof oordeelt dat art. 4 van protocol nr. 7 bij het EVRM het verbod inhoudt om een persoon voor een tweede inbreuk te vervolgen of te berechten voor zover deze inbreuk voortvloeit uit identieke feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn als die welke tot de eerste inbreuk hebben geleid. Om bij de toepassing van het “non bis in idem”-beginsel uit te maken of het “idem”-element vervuld is, dient voortaan te worden nagegaan of het “substantieel dezelfde feiten” betreft.

De tegen de heer ZOLOTUKHIN ingestelde strafrechtelijke vervolgingen hadden in hoofdzaak betrekking op dezelfde inbreuk als die waarvoor hij al administratiefrechtelijk werd veroordeeld.

Administratiefrechtelijk werd de heer ZOLOTUKHIN verweten obsceniteiten te hebben geroepen en geen rekening te hebben gehouden met de aan hem gerichte waarschuwingen. In de strafprocedure werd hem dreigen met geweld, weerstand aan publieke ambtenaren en verstoring van de openbare orde ten laste gelegd. Het enige verschil dat het Europees Hof zag tussen beide procedures was dat in de administratieve procedure hem niet werd verweten te hebben gedreigd met geweld. Het Hof oordeelde dat ondanks dit verschil, het in beide procedures om substantieel dezelfde feiten ging en dat bijgevolg de “idem”-voorwaarde was vervuld. Derhalve was hij het slachtoffer van een ovetreding van art. 4 van protocol nr. 7 bij het EVRM.

Een gelijke kwalificatie van de inbreuken is bijgevolg niet langer vereist voor de invulling van de “idem”-voorwaarde; zodra het om substantieel dezelfde feiten gaat, kan er geen tweede keer worden vervolgd.

Europees Hof: “non bis in idem” bij cumul van straf- met fiscale sancties
 
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn arrest RUOTSALAINEN  d.d. 16 juni 2009 zijn vernieuwd criterium ter beoordeling van het idem-element ook toegepast in een fiscale zaak.

De heer Ruotsalainen was veroordeeld tot een boete voor “kleine” belastingfraude, meer bepaald voor een overtreding van de belastingwet op motorvoertuigen. De boete was opgelegd wegens het gebruik van een brandstof die minder belast werd dan dieselolie zonder betaling van de bijkomende belasting en terwijl hij het bijtanken van zijn wagen zelf had uitgevoerd.

In een latere administratieve procedure werd een “fuel fee debit” uitgevaardigd omdat was vastgesteld dat de heer Ruotsalainen tijdens het jaar 2001 in zijn wagen een brandstof die minder belast werd dan dieselolie had gebruikt. Omdat hij de bevoegde autoriteiten niet op voorhand had ingelicht van dit gebruik, werd de brandstofretributie verdrievoudigd.

Deze verdrievoudiging had het Hof ertoe gebracht om de administratieve sanctie als een straf te beschouwen, aangezien ze de bedoeling had recidive te voorkomen. De brandstofretributie als dusdanig kon het Hof nog beschouwen als overeenstemmend met de veroorzaakte schade, te weten een inkomstenverlies.

De feiten verschilden weinig volgens het Hof, hoewel in de strafprocedure een opzet vereist was.

De feiten van beide overtredingen dienden bijgevolg te worden beschouwd als substantieel dezelfde voor de toepassing van art. 4 van protocol nr. 7.

Een sanctie wegens een strafrechtelijke inbreuk en een sanctie wegens een fiscale inbreuk met een strafkarakter (op vlak van de inkomstenbelastingen of de BTW) kunnen niet langer worden gecumuleerd. Het feit dat voor de eerste inbreuk een opzet vereist is en niet voor de tweede, verhindert niet dat het om dezelfde feiten zou gaan en het “non bis in idem”-beginsel zou gelden; het gaat in dat geval immers om substantieel dezelfde feiten.

Het EHRM laat de externe cumul van een administratieve sanctie met een strafkarakter en een strafsanctie niet langer toe wanneer deze substantieel dezelfde feiten sanctioneren.

Rechtspraak Grondwettelijk Hof achterhaald
 
Het Grondwettelijk Hof verwees in het hoger besproken arrest van 18 juni 2008  nog naar de interpretatie van het “non bis in idem”-beginsel die het Europees Hof hanteerde in het arrest Fischer . Deze vroegere interpretatie stelde dat het “non bis in idem”-beginsel is miskend wanneer dezelfde persoon, na daarvoor reeds te zijn veroordeeld of vrijgesproken, opnieuw wegens hetzelfde gedrag wordt vervolgd voor inbreuken met dezelfde essentiële bestanddelen. Het Grondwettelijk Hof stelde, verwijzende naar oudere E.H.R.M.-rechtspraak, dat het “non bis in idem”-beginsel niet geschonden wordt wanneer de essentiële bestanddelen van de beide strafbare feiten niet identiek zijn; het volstond dat het morele element van de beide strafbaarstellingen verschilt.
Het Grondwettelijk Hof besloot in juni 2008 nog dat het “non bis in idem”-beginsel gerespecteerd was omdat de essentiële elementen van de overtredingen bedoeld in de artikelen 445 en 449 van het WIB 1992 niet identiek zijn, vermits enkel het laatstgenoemde artikel een bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden vereist.

Het Europees Hof heeft net op dit punt zijn rechtspraak herzien.

Ten eerste eist het Europees Hof niet langer dezelfde essentiële bestanddelen, doch enkel substantieel dezelfde feiten.

Ten tweede heeft de vereiste van een opzet voor de strafrechtelijke inbreuk, terwijl dit opzet niet vereist was voor de administratieve inbreuk met strafrechtelijk karakter, er het Europees Hof niet toe gebracht te stellen dat het om verschillende feiten ging. Het Hof stelde meer bepaald: “Thus, the facts in the two sets of proceedings hardly differ albeit there was the requirement of intent in the first set of proceedings. The facts of the two offences must, the Court considers, therefore be regarded as substantially the same [...]” (eigen onderlijning).

Het arrest van 18 juni 2008 van het Grondwettelijk Hof is bijgevolg achterhaald; wanneer het morele element van de beide strafbaarstellingen verschilt, is dit niet (langer) voldoende om van verschillende feiten te kunnen spreken en de gelding van het “non bis in idem”-beginsel uit te schakelen.

Besluit: geen cumul strafsancties met fiscale sancties meer mogelijk
 
Niet alleen impliceert deze rechtspraak van het Europees Hof dat de strafbaarstellingen bedoeld in de artikelen 445 en 449 van het WIB 1992 wél betrekking kunnen hebben op identieke feiten, doch dit lijkt ook in te houden dat ook andere administratieve sancties met een strafkarakter en strafsancties betrekking kunnen hebben op identieke feiten, aangezien het feit dat de eerste geen opzet of een ander moreel element vereisen, niet langer ter zake doet.

Deze rechtspraak zet het hele systeem waarbij overtredingen van de fiscale wetboeken (cf. art. 449 WIB92 en 73 WBTW) ook nog eens strafrechtelijk kunnen worden gestraft wanneer zij met bijzonder opzet werden gepleegd, op de helling. Een externe cumulatie is niet langer mogelijk. Er kan voor substantieel dezelfde feiten slechts één sanctie met strafkarakter worden opgelegd voor zowel de strafrechtelijke inbreuk als de fiscale inbreuk.

Bart COOPMAN                                                  Koen HENS
Advocaat-vennoot                                               Advocaat
De Broeck - Van Laere & Partners 

(1)  Art. 6 E.V.R.M.; art. 14, §7 BUPO-verdrag.
(2) Bijvoorbeeld: bewerken van onvermogen (490bis Sw.), misbruik van vertrouwen (491-495 Sw.), misbruik van vennootschapsgoederen (492bis Sw.), oplichting en bedriegerij (496-504 Sw.), private omkoping (504bis-ter Sw.), heling en witwassen (505-506 Sw.), strafbepalingen van de boekhoudwetgeving, strafbepalingen van de vennootschappenwet, strafbepalingen van de fiscale wetten, strafbepalingen van de faillissementswet (489-490bis Sw.).
(3) Voor een voorbeeld van een niet-schending van het “non bis in idem”beginsel wegens de bestraffing van verschillende personen verwijzen wij naar Antwerpen 7 maart 2006,  FJF 2006, afL. 9, 846; T.F.R.2006, afl. 309, 828. De onderliggende feiten van dit arrest werden gepleegd vóór de Wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon (B.S. 22 juni 1999). Vóór die wet kon een rechtspersoon een misdrijf plegen maar kon er niet voor bestraft worden. Enkel de natuurlijke persoon die voor de rechtspersoon had gehandeld, kon veroordeeld worden (het zogenaamde toerekeningsprincipe). Volgens het hof van beroep van Antwerpen vereist het strafrechtelijke “non bis in idem”beginsel niet alleen de identiteit van de feiten, maar ook de identiteit van de strafrechtelijk veroordeelde persoon. De strafrechter had in hoofde van de bestuurder van de vennootschap besloten tot een persoonlijke fout met betrekking tot een BTW-misdrijf. Aangezien de vennootschap voor de BTW-inbreuken niet veroordeeld werd kon in casu volgens het Hof het non bis in idem”beginsel niet spelen voor het opleggen van de administratieve boete in hoofde van de vennootschap. Het hof verwerpt het argument van de vennootschap dat zij op het ogenblik van de feiten niet strafrechtelijk veroordeeld kon worden en dus ook geen sanctie met een strafrechtelijk karakter opgelegd kon krijgen. Volgens het Hof betekent het feit dat de administratieve boeten een strafrechtelijke karakter hebben, helemaal niet dat het nationale straf- en strafprocesrecht van toepassing worden. Er moet enkel voldaan worden aan de waarborgen van art. 6 E.V.R.M. en 14 §7 BUP0-verdrag.
(4) Hof Mensenrechten 7 december 2006, Hauser-Sporn t./ Oostenrijk,
http://www.echr.coe.int.
(5) Externe cumul van sancties onderscheidt zich van de meer traditionele interne cumul van sancties, doordat in het eerste geval, anders dan in het tweede, het gaat om sancties uit een verschillend sanctiesysteem (vb. het administratief recht en het strafrecht) (B. COOPMAN en G. STESSENS, “Mensenrechtelijke waarborgen toepasselijk op de administratieve fiscale boete: reflecties bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof”, T.F.R. 1999, nr. 167, 388). Voor wat de interne cumul betreft van strafrechtelijke sancties stricto sensu staat het buiten kijf dat het “non bis in idem”-beginsel zich verzet tegen een successieve - maar niet gelijktijdige - cumul van sancties. In een eerste reflex lijkt het ook logisch dat, na het tussenkomen van een definitieve strafsanctie, er voor dezelfde feiten geen administratieve geldboete meer kan worden opgelegd en vice versa.
(6) Cass. 5 februari 1999, F.J.F. n° 2000/4; Fisc. nr. 698, p. 6.
(7)  M. MAUS, “Administratieve sanctie sluit niet noodzakelijk strafsanctie uit.”, Fisc. 2008, nr. 1125, pag. 5.
(8) Cass. 24 januari 2002 (twee arresten), T.F.R. 2002, 763 en 765; zie ook: Rb. Bergen 12 februari 2002, TFRnet.
(9) Grondwettelijk Hof 26 april 2007, A. GrwH. 2007, afl. 2, 839; B.S. 13 juni 2007, 31988; L.R.B. 2007, afl. 3, 161; Rev. Dr. Pén. 2007, afl. 12, 1110, noot F. LUGENTZ,; T.B.P. 2008, afl. 4, 231; T.M.R.2007, afl. 5, 398; T. Strafr.2007, afl. 6, 373, noot.
(10) Grondwettelijk Hof 18 juni 2008, arrest nr. 91/2008
www.grondwettelijkhof.be; zie dienaangaande M. MAUS, “Administratieve sanctie sluit niet noodzakelijk strafsanctie uit.”, Fisc. 2008, nr. 1125, pag. 5.
(11) zie M. MAUS, o.c., pag. 5.
(12) EHRM 23 oktober 1995, Gradinger t. Oostenrijk, Series A no. 328 C.
(13) EHRM 30 juli 1998, Oliveira t. Zwitserland, Reports 1998 V.
(14) O.m. EHRM Göktan t. Frankrijk, no. 33402/96, § 48, ECHR 2002-V.
(15) EHRM 7 december 2006, Hauser-Sporn t. Oostenrijk,
http://www.echr.coe.int.
(16) EHRM 29 mei 2001, Franz Fischer t. Oostenrijk, §§ 5-27
(17)  EHRM 10 februari 2009, Sergey Zolotukhin t. Rusland, appl. nr. 14939/03, Dr.pén.entr. 2009, afl. 4, 327, noot F. KRENC; JDE  2009 (samenvatting), afl. 157, 91; JT  2009, afl. 6343, 150; RABG  2009, afl. 13, 871, noot P. HOET; T.Strafr. 2009 (weergave), afl. 2, 128.
(18) EHRM 16 juni 2009, Ruotsalainen t. Finland, appl. nr. 13079/03,
www.echr.coe.int.
(19) Grondwettelijk Hof 18 juni 2008, arrest nr. 91/2008
www.grondwettelijkhof.be; zie dienaangaande M. MAUS, “Administratieve sanctie sluit niet noodzakelijk strafsanctie uit.”, Fisc. 2008, nr. 1125, pag. 5.
(20) EHRM 29 mei 2001, Franz Fischer t. Oostenrijk, §§ 5-27.




21-03-17 Nu ook tax shelter voor podiumkunsten
De succesvolle “tax shelter” voor audiovisuele werken wordt opengesteld voor theater, opera en andere podiumkunsten. ....read more
 
20-03-17 Kwartaalaangevers hoeven geen voorschotten meer te betalen
De formaliteiten voor BTW-plichtigen worden verder vereenvoudigd. ....read more
 
17-03-17 Uber-taxirit valt volledig onder regime voor deeleconomie
Bij de invoering van het nieuwe belastingregime voor de deeleconomie – voor particulieren die diensten aanbieden aan andere particulieren via elektronische platforms – was uitgelegd dat inkomsten uit verhuur van kamers via Airbnb slechts gedeeltelijk onder het nieuwe stelsel vallen. ....read more
 
28-02-17 Hoge belasting op gebruik gratis woning is ongrondwettelijk, zegt nu ook Antwerps Hof van Beroep
Wie gratis een woning mag gebruiken van zijn werkgever of vennootschap, wordt voor dat gebruik belast op een zogenaamd voordeel van alle aard. ....read more
 
website by webalive