nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
De nieuwe circulaire inzake het toepasselijke BTW-stelsel bij de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling onder de loep genomen
 
De overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling wordt overeenkomstig de artikelen 11 en 18, § 3 W. BTW niet als een levering of een dienst aanzien wanneer de overnemer een BTW-belastingplichtige is die de BTW, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.

Op 30 september 2009 werd een nieuwe circulaire gepubliceerd (hierna ook: de circulaire) die het toepasselijke BTW-stelsel bij de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling weergeeft(1).  Door middel van deze circulaire heeft de administratie gepoogd enkele recente door het Hof van Justitie gewezen arresten in de Belgische administratieve commentaar om te zetten. Deze circulaire dient in elk geval vanaf 1 januari 2010 strikt te worden toegepast door de administratie.

Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste wijzigingen die deze circulaire meebrengt ten aanzien van de eerdere administratieve commentaren.

1. Noties algemeenheid van goederen en bedrijfsafdeling
 
Vóór de inwerkingtreding van de circulaire onderzocht de administratie in hoofde van de overdrager of de overdracht van goederen als een overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling kon worden aangemerkt(2) .  Bij de beoordeling hiervan, schonk de administratie bijzondere aandacht aan de omstandigheid of het gebouw waarin de overgedragen economische activiteit werd uitgeoefend of de zakelijke rechten op dit gebouw die aan de overdrager toebehoorden, werden overgedragen(3).  Wanneer het eigendomsrecht of de andere zakelijke rechten op dit gebouw die aan de overdrager toebehoorden niet werden overgedragen, was het, enkele bijzondere gevallen niet te na gelaten, weinig waarschijnlijk dat de overdracht van goederen als een overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling in de zin van artikel 11 W. BTW zou worden aangemerkt.

Ten aanzien van natuurlijke personen toonde de administratie zich evenwel toleranter wat de elementen betreft die noodzakelijk dienen deel uit te maken van de overdracht om onder het toepassingsgebied van artikel 11 W. BTW te kunnen vallen. Zo aanvaardde de administratie dat het niet-leveringsbeginsel van toepassing is bij de overdracht van een handelsfonds door een natuurlijke persoon, ondanks de omstandigheid dat het gebouw waarin de economische activiteit werd uitgeoefend niet werd overgedragen(4).  De filosofie hierachter was dat een privépersoon zowel een privépatrimonium als een beroepspatrimonium kan hebben, terwijl een rechtspersoon enkel beroepsactiva bezit.

De administratie zag in dat ze haar zienswijze ter zake noodzakelijk opnieuw in vraag diende te stellen ingevolge de recente rechtspraak van het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie stelde in het arrest Zita Modes immers geenszins dat bij een overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling alle elementen van het bedrijf of van de betrokken bedrijfsafdeling dienen te worden overgedragen. Wel eist het Hof dat de overgedragen lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke elementen samen een onderneming of een bedrijfsafdeling vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend(5).

Bovendien volgt uit deze rechtspraak dat de begrippen “algemeenheid van goederen” en “bedrijfsafdeling” dienen te worden beoordeeld in hoofde van de overnemer en niet in hoofde van de overdrager, zoals was vooropgesteld in het administratief standpunt van toepassing vóór de inwerkingtreding van de nieuwe circulaire. Het is immers in hoofde van de overnemer dat een autonome economische activiteit moet kunnen worden uitgeoefend ingevolge de overdracht van de onderneming of van de bedrijfsafdeling.

Daarnaast heeft het Hof van Justitie steeds geoordeeld dat het beginsel van de fiscale neutraliteit zich ertegen verzet dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten verschillend worden behandeld bij de belastingheffing naargelang de rechtsvorm waarin de belastingplichtige zijn activiteit uitoefent(6).  Hieruit volgt dat wanneer de administratie zich tolerant toont ten aanzien van natuurlijke personen, terwijl rechtspersonen deze tolerantie niet genieten, dit ongeoorloofd is in het licht van het Europees recht.

Voor de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3 W. BTW mag in België dus niet langer een onderscheid worden gemaakt naargelang de rechtsvorm waarin de belastingplichtige zijn activiteit uitoefent, met name tussen rechtspersonen en natuurlijke personen.

Voortaan brengt de omstandigheid dat de overdrager naar aanleiding van een overdracht bepaalde activa van de algemeenheid van goederen of van de bedrijfsafdeling behoudt, niet noodzakelijk mee dat de artikelen 11 en 18, § 3 W. BTW geen toepassing kunnen vinden. Opdat het niet-leveringsbeginsel in werking kan treden, is vereist dat de overgedragen activa volstaan om de overnemer toe te laten daarmee een autonome economische activiteit uit te oefenen. Wanneer het gebouw waarin de algemeenheid van goederen of de bedrijfsafdeling werd geëxploiteerd, of de zakelijke rechten op dit gebouw die aan de overdrager toebehoren, niet mee worden overgedragen, houdt dit derhalve in dat het niet-leveringsbeginsel besloten in artikel 11 W. BTW van toepassing is voor zover het behoud van het gebouw of de zakelijke rechten met betrekking tot dit gebouw, niet van die aard is om de uitoefening van een autonome economische activiteit in hoofde van de overnemer te verhinderen.

2. Recht op aftrek
 
Indien, bij een overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, de overdrager het geheel van zijn rechten op de gebouwen die werden aangewend voor de exploitatie van de overgedragen activiteit overdraagt (zoals daar zijn het eigendomsrecht, de zakelijke rechten, de huurcontracten, etc.), ziet de administratie geen reden om in hoofde van de overdrager tot de herziening van de aftrek van de belasting geheven van de verwerving, oprichting, verbouwing of verbetering van deze gebouwen over te gaan.

Hetzelfde geldt als de overdrager een zakelijk recht vestigt op deze gebouwen ten voordele van de overnemer. De administratie verwijst hiervoor naar een cassatie-arrest en naar een eerder gepubliceerde beslissing(7)

Indien, bij een overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, de overdrager het eigendomsrecht en de andere rechten die hij bezit op de gebouwen die werden aangewend voor de exploitatie van de overgedragen activiteit wenst te behouden en het gebruik van deze gebouwen door de overdrager in zijn hoofde geen recht op aftrek verleent, of indien de overdrager een huurovereenkomst met betrekking tot deze gebouwen aangaat met de overnemer, is de administratie van oordeel dat de bestemmingswijziging die daaruit voortvloeit dient te leiden tot een herziening van de aftrek in hoofde van de overdrager van de belasting geheven van de investeringen in de gebouwen, voor zover deze bestemmingswijziging zich voordoet gedurende de herzieningsperiode.

Indien de overdrager de gebouwen “om niet” ter beschikking zou stellen van de overnemer, dient dit volgens de administratie eveneens aanleiding te geven tot een herziening van de aftrek.

De vroegere administratieve tolerantie voor de overdrager-natuurlijke persoon die een huurovereenkomst sloot met de overnemer wordt dus verlaten(8).

De vraag rijst of het onderscheid tussen zakelijke rechten en genotsrechten de toets met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zou doorstaan.

Wie binnen de BTW-herzieningstermijn een oud gebouw met voldoening van registratierechten en vrijstelling van BTW(9) vervreemdt aan de overnemer, wordt niet met een BTW-herziening geconfronteerd; wie een gebouw verhuurt met vrijstelling van BTW(10) wél.

Vanuit een contextuele benadering roept dit vragen op. Primeert artikel 11 W. BTW op artikel 44, § 3, 1° W. BTW (verkoop van onroerend goed of vestiging van zakelijke rechten op onroerend goed) en niet op artikel 44, § 3, 2° W. BTW (onroerende verhuur)?

3. Heffing van registratierechten bij vervreemding of bij vestiging van zakelijke rechten op nieuwe gebouwen?
 
Voorheen voorzag de administratieve commentaar dat de overdrager, die geen beroepsoprichter is zoals bedoeld in artikel 12, § 2 W. BTW, bij de overdracht van een nieuw gebouw als element van een overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, voor de toepassing van de BTW diende te opteren en het geheel van de formaliteiten waarin KB nr. 14 van 3 juni 1970 voorziet diende te vervullen (11).

De administratie is sinds de inwerkingtreding van de circulaire van dit standpunt afgestapt. De administratie stelt in de circulaire dat bij toepassing van artikel 11 W. BTW de uitoefening van de optie voor de toepassing van de BTW geen bestaansreden meer heeft.

De Minister van Financiën heeft in een antwoord op een prejudiciële vraag opgehelderd dat dit niet tot gevolg heeft dat de overdracht van een nieuw gebouw door een niet-beroepsoprichter niet langer zou zijn vrijgesteld van de heffing van registratierechten overeenkomstig artikel 159, 8° W. Reg(12)

Om onder de toepassing van het BTW-stelsel te vallen, volstaat het dat de wil om de vervreemding in de BTW-sfeer te verrichten voldoende wordt weergegeven. Deze wil kan onder meer blijken uit de vermelding in de eerste akte die tussen de overdrager en overnemer een titel van vervreemding van het gebouw vormt, dat artikel 11 W. BTW van toepassing is.

Merk op dat de overdracht van een nieuw gebouw als element van een overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling verricht door een beroepsoprichter zoals bedoeld in artikel 12, § 2 W. BTW, automatisch onder de toepassing van het BTW-stelsel valt.

Bart COOPMAN                                                      Annelies CLARA
Advocaat-vennoot                                                   Advocaat
De Broeck - Van Laere & Partners

(1) Circulaire nr. E.T.110.663 (AOIF Nr. 46/2009) dd. 30 september 2009.
(2)  Zie inzonderheid beslissing nr. E.T.18.638 dd. 16 oktober 1974.
(3) Zie onder andere beslissing nr. E.T.26.872 dd. 27 september 1978.
(4)  Zie Circulaire nr. 74 dd. 6 mei 1971 en beslissing nr. E.T.26.872 dd. 27 september 1978, in fine.
(5)  HvJ 27 november 2003, Zita Modes, C-497/01, Jur.HvJ 2003, I, 14393, nr. 46.
(6)  HvJ 7 september 1999, Gregg, C-216/97, Jur.HvJ 1999, I, 4947, nr. 20.
(7) Zie Cass. 11 oktober 2002,
www.cass.be en beslissing nr. E.T.108.759 dd. 26 januari 2005
(8)  Cf. oude BTW-Handleiding, nr. 403, voorbeeld nr. 5.
(9)  Art. 44, § 3, 1° W. BTW.
(10)  Art. 44, § 3, 2° W. BTW.
(11)  Zie beslissing nr. E.T. 41.147 dd. 28 juli 1982.
(12)  Vr. nr. 107 van de heer BROTCORNE, 16 december 2009, Vr. en Antw. Kamer 2009-2010, nr. 91, blz. 731.




03-01-17 Nieuwe rapporteringsverplichtingen over verrekenprijzen voor multinationals
Het wordt moeilijker voor multinationals om winsten te versluizen naar landen waar die niet of laag belast worden.....lees meer
 
02-01-17 Voordeel gratis woning of herkwalificatie huurinkomen: berekenen van dag tot dag
Voor bedrijfsleiders die een gratis woonst ter beschikking gesteld krijgen van hun vennootschap, of die een eigen onroerend goed verhuren aan hun vennootschap, gelden specifieke fiscale regels.....lees meer
 
01-01-17 Lagere BTW voor publieke fietsen in steden
De verhuur van publieke fietsen (“deelfietsen” van bijvoorbeeld Villo! in Brussel en Velo in Antwerpen) is vanaf 1 januari 2017 onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6%.....lees meer
 
20-12-16 DE EERBIED VAN DE FISCUS VOOR HET PRIVELEVEN EN HET EHRM…
De jongste jaren neemt de inmenging van de overheid in het privéleven toe. De fiscus kijkt mee over de schouders....lees meer
 
website door webalive