nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Jobs   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
GRONDWETTELIJK HOF 25 FEBRUARI 2010
 
VOORZIENBAAR VERJARINGSREGIME VOOR GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN SCHENDT WETTELIJKHEIDSBEGINSEL NIET
 
Het Grondwettelijk Hof heeft met arrest van 25 februari 2010 een prejudiciële vraag beantwoord (arrest nr. 17/2010, www.grondwettelijkhof.be) van de correctionele rechtbank te Gent met betrekking tot de verzoenbaarheid met het legaliteitsbeginsel van de verjaring van het misdrijf van het gebruik van valse stukken (B. COOPMAN en K. HENS,  “Onverjaarbaarheid fiscaal gebruik van valse stukken getoetst aan Grondwet”, Fisc. Act. 2009, afl. 15, 1-3).

De rechtbank te Gent had ter herinnering de volgende vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 193, 196 en 197 Sw, 73bis BTW en 450 WIB en de artikelen 21, 22 en 23 V.T.Sv. het grondwettelijke legaliteitsbeginsel zoals verwoord in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens inzoverre zij worden geïnterpreteerd in die zin dat het misdrijf van gebruik van valse stukken wordt gekwalificeerd als een voortdurend misdrijf doordat het gebruik blijft voortduren zelfs zonder een nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaald optreden, zolang het door hem beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttig gevolg heeft dat hij ervan verwachtte?” .

De draagwijdte van het wettigheidsbeginsel

Het wettigheidsbeginsel eist volgens het Hof dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag is en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten. Evenwel moet de strafrechter nog steeds over een beoordelingsbevoegdheid beschikken om rekening te houden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.

Indien de rechtzoekende aan de hand van de bewoordingen van de wet, al dan niet zoals geïnterpreteerd door de rechtspraak, kan weten welke handelingen en verzuimen strafbaar worden gesteld, dan is de wet voldoende duidelijk.

Het Hof gaat vervolgens de in vraag gestelde bepalingen bespreken en toetsen aan de hogere normen.

Gebruik van valse stukken als “voortdurend” misdrijf?

Het Hof stelt vast dat de prejudiciële vraag uitgaat van de kwalificatie van het misdrijf gebruik van valse stukken als een voortdurend misdrijf. In overweging B.2. had het Hof al gesignaleerd dat wanneer een rechter het Hof ondervraagt over de grondwettigheid van bepalingen in een bepaalde interpretatie, het Hof, in de regel, alleen op de vraag antwoordt door die bepalingen in die interpretatie te onderzoeken. Het Grondwettelijk Hof mag inderdaad de wetten niet zelf interpreteren (P. POPELIER, Procederen voor het Grondwettelijk Hof, Intersentia, 2008, nr. 553 e.v.)

Het Grondwettelijk Hof meent dat de interpretatie van de verwijzende rechter “steun vindt” in vaste cassatierechtspraak. Of het Grondwettelijk Hof daar onverkort achter staat, is echter niet zo duidelijk. In ieder geval maakt volgens het Hof de kwalificatie als een voortdurend of een aflopend misdrijf an sich niets uit voor het antwoord op de vraag of de rechtzoekende weet en moet beseffen dat hij voor bepaalde gedragingen strafrechtelijk verantwoordelijk kan zijn. Deze kwalificatie heeft aan de andere kant, zo vervolgt het Hof, wel gevolgen voor de verjaring van de strafvordering, die bij een aflopend misdrijf begint te lopen vanaf de dag waarop het misdrijf werd gepleegd, terwijl deze bij een voortdurend misdrijf begint te lopen vanaf de dag waarop de delictuele toestand werd beëindigd.

Wat er ook van zij, het vaststellen van het einde van een misdrijf (en dus ook de aanvang van de verjaringstermijn) behoort volgens het Hof tot de beoordelingsbevoegdheid van de strafrechter. Het wettigheidsbeginsel verhindert niet dat de strafrechter het einde van het misdrijf van gebruik van valse stukken, naar gelang van de eventuele verwezenlijking van het door de dader nagestreefde doel en het nuttige gevolg van zijn beginhandeling, bepaalt.

Dat een misdrijf na het verstrijken van de door de dader verwachte verjaringstermijn sinds de initiële strafbare handeling, nog strafbaar is doordat het, in tegenstelling tot wat de dader had gedacht, een voortdurend misdrijf is, schendt als dusdanig het wettelijkheidsbeginsel niet. Het Hof meent bovendien dat de rechtzoekende niet kan voorhouden dat hij vooraf niet kan inschatten of het misdrijf van gebruik van valse stukken een zogenaamd “voortdurend” karakter heeft, gelet op de vaste cassatierechtspraak.  Daarmee deelt het Hof de mening van de Ministerraad die had geponeerd dat het feit dat het misdrijf niet gemakkelijk verjaart, allicht vervelend is voor de betrokkenen, doch zij weten dit vooraf.

Het Grondwettelijk Hof besluit dat de artikelen 197 Sw., 73bis BTW en 450 WIB in de interpretatie dat het misdrijf van gebruik van valse stukken blijft voortduren, zelfs zonder een nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaald optreden, zolang het door hem beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttig gevolg heeft dat hij ervan verwachtte, de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en artikel 7 E.V.R.M. niet schenden.

Commentaar

Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest van 25 februari geoordeeld dat het zogenaamd “voortdurend” karakter van het misdrijf van gebruik van valse stukken zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter die daarvoor steun vindt bij het Hof van Cassatie, het wettelijkheidsbeginsel in strafzaken niet schendt. Meer niet.

Het is spijtig dat het Grondwettelijk Hof zich bij het beantwoorden van de prejudiciële vraag noodgedwongen heeft moeten toespitsen op de theoretische kwalificatie van een misdrijf als voortdurend of aflopend voor het wettelijkheidsbeginsel. Door zich daarop te concentreren heeft het Grondwettelijk Hof minder aandacht besteed aan de ruime en vage interpretatie die het Hof van Cassatie hanteert en waaruit de concrete zeer lange duurtijd van het misdrijf van gebruik van valse stukken voortspruit. De Rechtbank te Gent gaf zelf trouwens aan dat het bijzonder moeilijk is om aan de hand van de door het Hof van Cassatie gehanteerde definitie het eindpunt van de strafbare handeling en derhalve het startpunt van de verjaring te bepalen.

Na dit arrest blijven er vragen open.

Zo is er nog geen toetsing gebeurd aan het gelijkheidsbeginsel (N.B. ook niet in een eerder arrest van het Grondwettelijk Hof dd. 21 december 2005 (nr .199/2005)). Zeker wat betreft het fiscale misdrijf van gebruik van valse stukken lijkt een verschil in behandeling tussen diverse soorten rechtsonderhorigen problematisch, aangezien dit misdrijf volgens de interpretatie van het Hof van Cassatie niet kan verjaren zolang men zich op de vermeend valse stukken blijft beroepen om een stelling te onderbouwen in een bezwaarschrift of in een fiscale beroepsprocedure of zelfs zolang de betreffende belasting niet is betaald (Cass. 21 mei 2008, F.J.F. 2008, afl. 9, 922; Rev. dr. pén.  2008, afl. 9-10, 935, concl. D. VANDERMEERSCH). Deze interpretatie lijkt een schending in te houden van het gelijkheidsbeginsel in samenhang met het vermoeden van onschuld, gelet op de vaststelling dat haast uitsluitend een (al dan niet impliciete) toegeving van de fiscale valsheid de verjaring van de strafvordering kan laten aanvangen.

Er is meer. Onzes inziens is de laatstgenoemde interpretatie dat een bezwaar de verjaring verlengt, zeker niet redelijk voorzienbaar, zelfs niet aan de hand van de constante leer van het nuttig effect van het Hof van Cassatie. Welke fiscale consulent heeft destijds aan zijn cliënt laten weten dat een indiening van een bezwaarschrift de strafrechtelijke verjaringstermijn verlengde?

Mogelijkerwijs zal het door het Grondwettelijk Hof erkende criterium van de redelijke voorzienbaarheid van het nuttig effect uiteindelijk een goede maatstaf zijn voor de strafrechters op het terrein om te zien of een verjaring al dan niet een aanvangspunt nam bij het vestigen van een aanvullende aanslag of de verzending van een bericht van wijziging.

Het Grondwettelijk Hof laat ook die beleidsruimte want : “het wettigheidsbeginsel in strafzaken verzet zich niet ertegen dat de strafrechter, naar gelang van de verwezenlijking of niet van het door de dader "nagestreefde doel" en het "nuttige gevolg" van zijn beginhandeling, het einde van het misdrijf van gebruik van valse stukken in feite bepaalt.”

Het Hof van Cassatie heeft in twee (niet fiscale) arresten van januari 2009 (Cass. 13 januari 2009 en Cass. 27 januari 2009, N.C. 2009, afl 4., 265-267) overigens verduidelijkt dat niet elke aanwending van een vals stuk het gebruiksmisdrijf laat voortduren; het gebruik eindigt volgens deze rechtspraak vanaf de laatste aanwending van het valse stuk om aan de waarheidsvermomming uitwerking te verlenen. Het behoud van het voordeel van het door het gebruik verkregen voordeel maakt dan geen gebruik meer uit. Dit behoud van het voordeel is immers louter een gevolg van de delictuele toestand en geen bestendiging ervan. Ook op fiscaal vlak zou dit kunnen impliceren dat het gebruik uiterlijk eindigt bij het verstrijken van de gewone termijnen voor aanvullende aanslag of, indien er wel een aanvullende aanslag wordt gevestigd,  bij het verwerpen van de valse stukken door de administratie voorafgaand aan de vestiging van de aanvullende aanslag (deze wordt immers per definitie niet gegrond op deze stukken) (S. VAN DYCK,  “Over Bootroof, valsheid en een lenterevolutie”, N.C. 2009, afl 4., 267-271).

Dat de verjaring later dan bv. de aanvullende aanslag zou moeten aanvangen, lijkt niet redelijk voorzienbaar. Misschien is dat criterium dat door het Grondwettelijk Hof wordt gehanteerd, wel een eerzaam compromis dat hopelijk in de rechtspraak van de feitenrechters ingang kan vinden.

Bart COOPMAN                                            Koen HENS
Advocaat-vennot                                           Advocaat



03-11-17 Ook managementvennootschap mag winst maken
De fiscus staat vaak wantrouwig tegenover de oprichting van een managementvennootschap. In een recent geval dacht de fiscus daar alle reden toe te hebben.....lire la suite
 
02-11-17 Boete voor BTW én directe belastingen: “non bis in idem” niet geschonden
Het Hof van Cassatie brengt een belangrijke nuance aan op het beginsel “non bis in idem”.....lire la suite
 
30-10-17 Fiscus mag niet vrij rondsnuffelen in beroepslokalen, of misschien toch wel?
De belastingplichtige zou op grond van artikel 319 WIB 92 de fiscus bij een controle “vrije toegang (moeten) verschaffen” tot de beroepslokalen en alle papieren die zich daar bevinden.....lire la suite
 
26-10-17 Een verlaging en vereenvoudiging van belastingen op voordelen alle aard werknemers!
Het Persbericht van 25 oktober 2017 van Minister van Financiën Johan Van Overtveldt bevestigt de modernisering maar nog belangrijker de vereenvoudiging van de belastingen op de voordelen die door de werkgever worden toegekend aan de werknemers.....lire la suite
 
site web par webalive