nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
KB-LUX DOSSIER GECORRUMPEERD DOOR BEDROG VAN DE GERECHTELIJKE POLITIE. FISCALE GEVOLGEN.
 
Men kan zich, ongeacht de mogelijkheid om nog tijdig bezwaar of beroep in te dienen, afvragen wat het gevolg is van de beslissing van de strafrechter van 8 december jl. dat de bewijsverkrijging in de KB-Lux zaak onregelmatig was.

In de kranten is de jongste tijd heel wat inkt gevloeid over de zaak KB-Lux. De Correctionele Rechtbank van Brussel heeft namelijk in een vonnis van 8 december jl. de strafrechtelijke vervolging ten aanzien van de beklaagden onontvankelijk verklaard om reden dat het bewijs op een onregelmatige en zelfs illegale wijze werd verkregen. De rechtbank is bij deze uitspraak allerminst lichtzinnig te werk gegaan. Ze komt namelijk tot dit besluit in een vonnis dat nagenoeg honderd bladzijden telt.

Op 10 december jl. heeft het Parket besloten beroep aan te tekenen tegen voormeld vonnis van de Brusselse correctionele rechtbank.

De vraag stelt zich wat de fiscale gevolgen van dit vonnis zijn.

1. ONTVANKELIJKHEID VAN ONRECHTMATIG VERKREGEN BEWIJS IN DE STRAFPROCEDURE: UITKOMST HOGER BEROEP ONZEKER
 
Sinds het in 2003 door het Hof van Cassatie gewezen Antigoon-arrest wordt aangenomen dat de rechter in beginsel zelf de toelaatbaarheid van de onrechtmatige bewijsverkrijging kan beoordelen indien door de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet is aangetast en het gebruik van het bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces (Cass. 14 oktober 2003, www.cass.be; Cass. 23 maart 2004, www.cass.be en Cass. 16 november 2004, www.cass.be). In het arrest van 23 maart 2004 stelde het Hof van Cassatie bovendien dat de rechter bij dit oordeel onder meer de omstandigheid kan in aanmerking nemen dat de ernst van het misdrijf veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt. Indien het Hof van Beroep in de KB-Lux zaak van oordeel zou zijn dat de rechten van verdediging van de beklaagden door de onrechtmatige bewijsgaring niet op een onherstelbare wijze zijn geschonden, zou het Hof van Beroep de strafvervolging wel ontvankelijk kunnen verklaren.

2. DE TOEPASSING VAN HET ADAGIUM “FRAUS OMNIA CORRUMPIT
 
Het adagium “fraus omnia corrumpit” vindt toepassing in ons rechtsstelsel als algemeen rechtsbeginsel. Dit algemeen rechtsbeginsel, vrij vertaald “bedrog bederft alles”, belet dat men zich noch in contractuele, noch in buitencontractuele rechtsverhoudingen op bedrieglijke akten beroept. Op onrechtmatige en illegale wijze verkregen bewijsdocumenten worden als dergelijke bedrieglijke akten aanzien.

3. DOORWERKING IN FISCALIBUS
 
Dit adagium vindt ook in fiscale zaken toepassing. Het gemeen recht is namelijk in fiscale zaken van toepassing zolang de fiscale wetgever niet in een afwijkende regeling heeft voorzien (Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, 218; P. VAN OMMESLAGHE, “Droit commun et droit fiscal”, JDF 1989, 5-32). In fiscale rechtspraak heeft men zich reeds veelvuldig gesteund op het adagium “fraus omnia corrumpit” (Zie onder meer Brussel 20 september 2002, FJF 2003/116; Gent 21 oktober 2003, www.fiscalnet.be; Rb. Namen 3 mei 2006, FJF 2009/46; Rb. Antwerpen 2 april 2007, TFR 2008, afl. 341; E. BUYSSE, “De pauliaanse vordering: toch nog vragen bij de anterioriteitsvoorwaarde!”, TFR 2006, afl. 312, 962; N. DE BECKER, noot onder Luik 25 januari 2002, Fisc. Koer. 2002, afl. 248, 248-251; A. MISSAL, “Actio pauliana: Cassatie over anterioriteitsvoorwaarde”, Fiscoloog 2008, afl. 1114, 3).

De administratie draagt overeenkomstig artikel 340 WIB92 de bewijslast van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld. De fiscus kan zich hierbij ingevolge de toepassing van het adagium “fraus omnia corrumpit” niet op op onrechtmatige wijze verkregen bewijs beroepen om de toepassing van rechtsregels in zijn voordeel te rechtvaardigen. Aangezien de onregelmatigheid van de bewijsgaring ten gevolge van het vonnis van de Brusselse correctionele rechtbank vaststaat, kan de fiscus niet anders dan zijn bewijs niet op dezelfde documenten te steunen. Dergelijke bewijsdocumenten kunnen enkel aan de basis liggen van een willekeurige taxatie. De taxatiemogelijkheden van de fiscus worden ingevolge deze onrechtmatige bewijsverkrijging dus buiten spel geplaatst.

De op onrechtmatige wijze verkregen bewijsdocumenten kunnen geen uitwerking krijgen. Zij leidden tot de onontvankelijkheid van de strafvervolging en kunnen evenmin leiden tot een taxatie op fiscaal vlak.

4. GEVOLGEN OP DE REEDS GEVESTIGDE BELASTINGEN
 
Aangezien op onrechtmatige wijze verkregen bewijsdocumenten niet kunnen leiden tot een taxatie op fiscaal vlak, kan men zich de vraag stellen welke juridische wegen openstaan voor de belastingplichtigen die na een dading met de fiscus reeds belastingen hebben betaald.

Een bezwaarschrift dient overeenkomstig artikel 371 WIB92 te worden ingediend binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

Een voorziening in beroep dient overeenkomstig artikel 375 WIB92 te worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de directoriale beslissing of ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift zo over dit bezwaar geen uitspraak is gedaan.

Indien geen bezwaarschrift werd ingediend dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond van de zaak, kan een verzoek tot ontheffing van ambtswege worden ingediend. Ambtshalve ontheffing wordt verleend voor de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, evenals van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen. De belastingplichtigen zouden kunnen aanvoeren dat de overbelastingen voortvloeien uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden, namelijk het vonnis van 8 december jl. Een verzoek tot ontheffing van ambtswege dient overeenkomstig artikel 376, § 1, 1° WIB92 echter ook te worden ingediend binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd. Met ingang van aanslagjaar 2010 wordt deze termijn op vijf jaar gebracht.

Aangezien het relatief korte termijnen betreffen en het merendeel der belastingen reeds in 2002 of vroeger werd gevestigd, zullen veel bij de KB-Lux zaak betrokken belastingplichtigen niet meer over een bezwaarrecht beschikken en geen voorziening in beroep of verzoek tot ontheffing van ambtswege meer kunnen instellen.

De bij de KB-Lux zaak betrokken belastingplichtigen kunnen ervoor opteren een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat in te stellen. Overeenkomstig artikel 113 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat zijn de verjaringsregels van het gemeen recht van toepassing op een dergelijke aansprakelijkheidsvordering.

Overeenkomstig artikel 2262bis, § 1 van het Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar. Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren evenwel door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. In ieder geval verjaren deze vorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

De wijze van formulering van de vordering kan derhalve van belang zijn om de toepasselijke verjaringstermijn te bepalen. Wanneer de vordering wordt gebaseerd op de onverschuldigde betaling van artikel 1377 B.W., dan is er sprake van een persoonlijke rechtsvordering, waarvoor een tienjarige verjaringstermijn van toepassing is. Wordt de vordering gegrond op een door de Belgische Staat begane onrechtmatige daad, dan is een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing vanaf de dag volgend op die waarop de bij de KB-Lux zaak betrokken belastingplichtigen kennis hebben gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. In ieder geval verjaart deze buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop de laatste onrechtmatige bewijsverkrijging zich heeft voorgedaan.

Door de wet van 22 mei 2003 werden de bij KB van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991 afgeschaft. Overeenkomstig artikel 100, eerste lid, 1° van de bij KB van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit bedroeg de verjaringstermijn van schuldvorderingen tegen de Belgische Staat vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvorderingen zijn ontstaan. De in artikel 100, eerste lid, 1° vermelde verjaringstermijn blijft op grond van artikel 131 van de wet van 22 mei 2003 wel van toepassing op de schuldvorderingen op de federale Staat die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet.

De verjaringstermijn voorzien in de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit geldt, behoudens andersluidende bepalingen, zowel ten aanzien van schuldvorderingen tot schadevergoeding op grond van contractuele, als voor schuldvorderingen op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid (Cass. 14 april 2003, RABG 2003, 839). De verjaring wordt conform artikel 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit gestuit overeenkomstig de regels van het gemeen recht.

In een arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 97/2009 van 4 juni 2009 werd met betrekking tot een vordering tot vrijwaring geoordeeld dat artikel 100 van de bij KB van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit ongrondwettig is in de interpretatie waarin de erin geregelde verjaringstermijn al begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de hoofdvordering is ontstaan. In de interpretatie waarin de erin geregelde verjaringstermijn begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het recht om de vordering tot vrijwaring in te stellen is ontstaan, is artikel 100 wél grondwettig. Artikel 100 is bovendien ongrondwettig in zoverre het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld (Grondwettelijk Hof nr. 153/2006 van 18 oktober 2006; Grondwettelijk Hof nr. 90/2007 van 20 juni 2007).

Het Hof van Beroep te Antwerpen stelde in een arrest van 22 januari 2008 echter dat artikel 100, eerste lid, 1° van de bij KB van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit niet van toepassing is op de vordering tot teruggaaf van te veel betaalde belastingen (Antwerpen 22 januari 2008, TFR 2009, afl. 358, 274). Ingevolge deze rechtspraak zou de verjaringstermijn van 10 jaar zoals voorzien in artikel 2262bis § 1 B.W. van toepassing zijn, aangezien de vordering tot teruggaaf van te veel betaalde belastingen een persoonlijke rechtsvordering betreft. Aangezien de aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat zou gegrond zijn op de onrechtmatige bewijsverkrijging door de Gerechtelijke Politie, en niet zozeer een vordering tot teruggaaf van te veel betaalde belastingen betreft, lijkt deze rechtspraak niet dienend voor de bij de KB-Lux zaak betrokken belastingplichtigen.

Onzes inziens was het bestaan van de fout en de identiteit van de schadeverwekker pas gekend op het ogenblik waarop de fout van de Belgische Staat, in casu de gerechtelijke politie, is komen vast te staan, met andere woorden ten vroegste op 8 december 2009, de datum waarop het vonnis door de Correctionele Rechtbank van Brussel is gewezen. De verjaringstermijn is derhalve nog niet verstreken.

Opdat een aansprakelijkheidsvordering kan worden ingesteld is vereist dat een fout werd begaan, schade is ontstaan en een oorzakelijk verband voorhanden is tussen de fout en de schade. Door het vonnis van 8 december 2009 dat de strafrechtelijke vervolging ten aanzien van de beklaagden onontvankelijk heeft verklaard wegens onrechtmatige bewijsverkrijging, staat vast dat de Belgische Staat een fout heeft begaan. De belastingplichtigen hebben schade geleden aangezien zij belastingen hebben betaald, hoewel op onrechtmatige wijze verkregen bewijsdocumenten niet kunnen leiden tot een taxatie.

4.1. OORZAKELIJK VERBAND

Het causaal verband tussen de fout en de schade lijkt eveneens voorhanden te zijn. In een arrest van 23 juni 2008 heeft het Hof van Cassatie evenwel geoordeeld dat wanneer geen bezwaar werd ingediend door de belastingplichtige, hoewel hij hiertoe de mogelijk had, de belasting definitief is gevestigd ten laste van deze belastingplichtige, al is die vestiging gegrond op een bepaling die later door het Grondwettelijk Hof strijdig is bevonden met een hogere norm (Cass. 23 juni 2008, Fisc. Act. 2008, afl. 39, 4). Het Hof is van oordeel dat indien niet tijdig gebruik wordt gemaakt van de fiscale bezwaarprocedures, er geen sprake kan zijn van een oorzakelijk verband tussen de verweten fout en de aangevoerde schade, aangezien de schade alsdan aan de belastingplichtige zelf te wijten zou zijn. Het merendeel van de rechtspraak en rechtsleer neemt ter zake echter een soepelere houding aan.

De rechtbank die over de aansprakelijkheidsvordering dient te oordelen zou derhalve van oordeel kunnen zijn dat geen oorzakelijk verband tussen fout en schade voorhanden is. De rechtbank zou kunnen stellen dat aangezien geen bezwaar werd ingediend door de bij de KB-Lux zaak betrokken belastingplichtigen na de vestiging van de belasting, hoewel zij hiertoe de mogelijkheid hadden, de belasting definitief is gevestigd ten laste van deze belastingplichtigen, al werd de bewijsverkrijging later onrechtmatig bevonden. Het merendeel van de rechtspraak en rechtsleer zou evenwel van oordeel zijn dat de belasting alleen dan definitief is gevestigd, wanneer de belastingplichtigen zouden hebben nagelaten een fiscaal bezwaar in te dienen, alhoewel de termijnen daarvoor nog openstonden ten tijde van het vonnis dat de bewijsverkrijging onrechtmatig heeft verklaard (S. GUILIAMS, “Overheidsaansprakelijkheid voor ongrondwettige (fiscale) wetgeving: een parcours met vele hindernissen. Haalt de belastingplichtige de finish wel?”, TFR 2009, afl. 364, 531).

4.2. RECHTMATIG BELANG

De aansprakelijkheidsvordering is slechts ontvankelijk wanneer het aangetaste belang rechtmatig is (Cass. 16 januari 1939, Pas. 1939, I, 25; Cass. 19 december 1978, Pas. 1979, I, 472; Cass. 15 februari 1990, Arr.Cass. 1989-90, 776). Het betreft een toepassing van de leer van de ongeoorloofde oorzaak en het adagium “nemo auditur turpitudinem suam allegans” (R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2007, 185). Een belang is rechtmatig wanneer het niet in strijd is met regelen van dwingend recht (artikelen 6, 1131 en 1133 BW).

In een arrest van 1 februari 1989 betreffende het overlijden van een partner in een overspelige concubinaatsverhouding stelde het Hof van Cassatie evenwel dat diegene die een fout heeft begaan de onrechtmatigheid niet kan aanvoeren om zich aan de burgerlijke gevolgen van zijn fout te onttrekken (Cass. 1 februari 1989, Pas. 1989, I, 582; Cass. 15 februari 1990, Arr.Cass. 1989-90, 776). Het Hof nam geen aanstoot aan het in die tijd als onrechtmatig aanzien belang. Het is echter twijfelachtig of het Hof met zijn klassieke rechtspraak heeft gebroken.

Latere rechtspraak toont dat het Hof van Cassatie de vereiste van het rechtmatig belang heeft behouden (Cass. 2 april 1998, Arr.Cass. 1998, nr. 188; Cass. 11 februari 2003, Arr.Cass. nr. P.02.0608.N; Cass. 2 maart 2006, NjW 2006, 703). Het Hof heeft in zijn latere rechtspraak verduidelijkt dat geen rechtmatig belang aanwezig kan zijn wanneer enkel en alleen het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde wordt nagestreefd.

Aangezien het belastingsrecht van dwingend recht is en belastingfraude in de strafbepalingen van het WIB92 wordt veroordeeld, valt ernstig te betwijfelen of de aansprakelijkheidsvordering ontvankelijk zou worden verklaard. Door een dading met de fiscus af te sluiten, heeft de belastingplichtige zo goed als bekend dat zich belastingfraude heeft voorgedaan.

5. BESLUIT
 
De Brusselse Correctionele Rechtbank heeft in een vonnis van 8 december jl. de strafrechtelijke vervolging ten aanzien van de beklaagden onontvankelijk verklaard om reden dat het bewijs op een onregelmatige en illegale wijze werd verkregen. De uitkomst van het beroep aangetekend tegen voormeld vonnis blijft onzeker.

Ingevolge de toepassing van het adagium “fraus omnia corrumpit” kunnen op onrechtmatige wijze verkregen bewijsdocumenten niet leiden tot een taxatie. Daarom rijst de vraag welke juridische wegen openstaan voor de belastingplichtigen die na een dading met de fiscus reeds belastingen hebben betaald.

Veel bij de KB-Lux zaak betrokken belastingplichtigen zullen niet meer over een bezwaarrecht beschikken, noch een voorziening in beroep of verzoek tot ontheffing van ambtswege kunnen instellen, aangezien de ter zake geldende termijnen relatief kort zijn en het merendeel der belastingen reeds in 2002 of vroeger werd gevestigd.

De bij de KB-Lux zaak betrokken belastingplichtigen kunnen ervoor opteren een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de Belgische Staat. Het niet tijdig gebruikmaken van de fiscale bezwaarprocedures en de vraag of de vordering betrekking heeft op een rechtmatig belang, kunnen echter mogelijke struikelbokken vormen voor het welslagen van de aansprakelijkheidsvordering.

Bart COOPMAN                                              Annelies CLARA
Advocaat-vennoot                                           Advocaat



03-01-17 Nieuwe rapporteringsverplichtingen over verrekenprijzen voor multinationals
Het wordt moeilijker voor multinationals om winsten te versluizen naar landen waar die niet of laag belast worden.....lire la suite
 
02-01-17 Voordeel gratis woning of herkwalificatie huurinkomen: berekenen van dag tot dag
Voor bedrijfsleiders die een gratis woonst ter beschikking gesteld krijgen van hun vennootschap, of die een eigen onroerend goed verhuren aan hun vennootschap, gelden specifieke fiscale regels.....lire la suite
 
01-01-17 Lagere BTW voor publieke fietsen in steden
De verhuur van publieke fietsen (“deelfietsen” van bijvoorbeeld Villo! in Brussel en Velo in Antwerpen) is vanaf 1 januari 2017 onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6%.....lire la suite
 
20-12-16 DE EERBIED VAN DE FISCUS VOOR HET PRIVELEVEN EN HET EHRM…
De jongste jaren neemt de inmenging van de overheid in het privéleven toe. De fiscus kijkt mee over de schouders....lire la suite
 
site web par webalive