nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Links   General conditions  
  VAT news - VAT invoicing and long term hire
 
De subsidiaire aanslag: het Grondwettelijk Hof oordeelt dat het gebrek aan een termijn de Grondwet schendt
 
De subsidiaire aanslag
 
Wanneer na een directoriale beslissing beroep wordt aangetekend bij de rechtbank, en de rechter de desbetreffende aanslag nietig verklaart om een andere reden dan de verjaring, beschikt de administratie in principe over de mogelijkheid om buiten de wettelijke aanslagtermijnen (artikel 353 en 354 WIB92), een subsidiaire aanslag ter beoordeling voor te leggen aan de rechtbank. Deze laatste is er dan toe gehouden uitspraak te doen over dit verzoek (artikel 356 WIB92).

Door de gebrekkige redactie van artikel 356 WIB92 is echter niet zo duidelijk hoe deze subsidiaire aanslag in de praktijk moet worden toegepast.

De wet voorziet namelijk niet in een concrete termijn waarbinnen deze aanslag aan de rechtbank moet worden voorgelegd. De vraag rijst dan ook wat het ogenblik is waarop de subsidiaire aanslag precies ter beoordeling aan de rechter moet worden voorgelegd.

Indien een subsidiaire aanslag aan de rechtbank wordt voorgelegd in het kader van een nieuwe procedure opgestart nadat de initiële aanslag werd vernietigd, heeft het gebrek aan een wettelijk voorgeschreven termijn tot gevolg dat de administratie in principe volledig autonoom kan beslissen over de aanslagtermijn. De subsidiaire aanslag is in die hypothese aan geen enkele termijnvereiste gebonden.

Recent werd het Grondwettelijk Hof ondervraagd of artikel 356 WIB92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat geen termijn wordt bepaald waarbinnen de subsidiaire aanslag moet worden gevestigd, terwijl dit bijvoorbeeld wel het geval is in de artikelen 353 en 354 WIB92.

Bovendien bepaalt artikel 355 WIB92 dat wanneer de aanslag wordt nietig verklaard door de gewestelijke directeur, de administratie een nieuwe aanslag kan vestigen binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur niet meer voor de rechter kan worden gebracht. In dit artikel is dus wel uitdrukkelijk een termijn voorzien.

Twee interpretatiemogelijkheden
 
Om tot een beslissing te komen, vertrekt het Grondwettelijk Hof van de stelling dat de fiscale administratie in principe twee technieken kan hanteren om de subsidiaire aanslag te vestigen.

De eerste techniek bestaat erin dat tijdens het geding waarin uitspraak wordt gedaan over de nietigheid van de initiële aanslag, een subsidiaire aanslag aan de controle van de rechter wordt voorgelegd. De tweede techniek houdt in dat de administratie na het eindvonnis dat de aanvankelijke aanslag nietig verklaart, een subsidiaire aanslag aan dezelfde rechter voorlegt middels een nieuw verzoekschrift in het kader van een nieuwe procedure.

In een arrest van 20 oktober 2009 (nr. 158/2009) erkent het Grondwettelijk Hof nu dat indien de administratie wacht tot wanneer er een eindvonnis is die uitspraak doet over de initiële betwisting, en er een subsidiaire aanslag wordt gevestigd in een nieuwe daaropvolgende procedure, de administratie eigenlijk volledig autonoom beslist over de daarbij gehanteerde termijn.

Precies in die laatste hypothese heeft het Grondwettelijk Hof recent moeten onderzoeken of er een redelijke verantwoording bestaat voor het ontbreken van een exacte vervaltermijn waarbinnen de subsidiaire aanslag ter controle moet worden voorgelegd aan de rechtbank.

Het standpunt van het Grondwettelijk Hof
 
In de discussie die heeft geleid tot het recente arrest, maakte de belastingplichtige een vergelijking tussen artikel 355 WIB92 (nieuwe aanslag) en artikel 356 WIB92 (subsidiaire aanslag) om aan te tonen dat er met betrekking tot de toepassing van deze laatste bepaling sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het Grondwettelijk Hof erkent dat de belastingplichtige zich in het kader van artikel 355 WIB92 en artikel 356 WIB92 in een vergelijkbare situatie bevindt. In beide gevallen dient de administratie het initiatief te nemen tot het vestigen van een aanslag en in beide gevallen is de ratio legis van de wetgever dezelfde; namelijk vermijden dat een procedurefout, die geleid heeft tot de vernietiging van de initiële aanslag, ertoe zou leiden dat de belasting uiteindelijk niet meer door de belastingplichtige zou moeten worden voldaan.

Vermits de administratie in het kader van de subsidiaire aanslag bijgevolg volledig autonoom beslist over de daarbij gehanteerde termijn, komt het Hof tot de vaststelling dat het beginsel van rechtszekerheid wordt geschonden “aangezien de belastingplichtige voor onbepaalde tijd in het ongewisse blijft betreffende het betrokken aanslagjaar, zonder dat hij over een mogelijkheid beschikt om de procedure te bespoedigen” (overweging B.6.1 van het arrest). De rechtsonzekerheid is dus een feit.

Het Grondwettelijk Hof komt uiteindelijk tot het besluit dat artikel 356 WIB92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt “in de interpretatie waarin de subsidiaire aanslag buiten elke termijn in een nieuwe procedure kan worden voorgelegd aan de rechter die de initiële aanslag nietig heeft verklaard” (overweging B.6.2 van het arrest).

Indien de administratie toepassing maakt van de tweede techniek, is er volgens het Hof inderdaad sprake van een schending van de Grondwet.

Toch vatbaar voor een grondwettige interpretatie
 
In de andere interpretatie (eerste techniek) waarbij de subsidiaire aanslag aan de rechter wordt voorgelegd tijdens het geding waarin uitspraak wordt gedaan over de initiële aanslag, kan er volgens het Grondwettelijk Hof daarentegen geen sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel, vermits de aanslag dan moet worden gevestigd “vóór het sluiten van de debatten”.

Volgens het Grondwettelijk Hof is het in dat geval gerechtvaardigd dat er geen expliciete vervaltermijn is voorzien in artikel 356 WIB92, omdat de rechter er toch steeds toe gehouden is uitspraak te doen “binnen een redelijke termijn” op grond van het terzake geldende algemeen rechtsbeginsel.

De rechter zal in dat geval uitspraak doen omtrent de subsidiaire aanslag ten laatste op het ogenblik waarop die het eindvonnis overmaakt aan de rechtszoekende.

Beoordeling van het arrest
 
Het standpunt van het Grondwettelijk Hof is op het eerste zicht duidelijk: de administratie is ertoe gehouden de subsidiaire aanslag voor te leggen aan de rechter “vóór het sluiten van de debatten”. De rechter die de initiële aanslag nietig verklaart zal dan meteen in zijn eindvonnis standpunt innemen omtrent de hem ter controle voorgelegde subsidiaire aanslag.

Enkel in deze interpretatie is artikel 356 WIB92 bestaanbaar met de Grondwet.

De vraag blijft evenwel hoe de rechter zal moeten reageren wanneer de administratie het nalaat om tijdens de debatten de subsidiaire aanslag ter beoordeling voor te leggen aan de rechter en dit maar eerst doet met een nieuw verzoekschrift nadat de debatten zijn gesloten en het eindvonnis omtrent de initiële aanslag werd uitgevaardigd.

Uit de redeneerwijze van het Grondwettelijk Hof blijkt onverkort dat de administratie na de vernietiging van de initiële aanslag door de rechtbank, niet jaren kan wachten om nadien toch nog een subsidiaire aanslag te vestigen.

Maar wat zal de rechter moeten doen als er binnen enkele weken of binnen een beperkt aantal maanden (m.a.w. “binnen een redelijke termijn”) na het sluiten van de debatten, toch een nieuwe procedure wordt opgestart door de administratie waarin de rechter wordt verzocht de subsidiaire aanslag te beoordelen?

Het einde van de thans hangende procedures ?
 
Wanneer de administratie na de uitspraak, die de initiële aanslag nietig heeft verklaard, een nieuwe procedure middels een verzoekschrift heeft opgestart, stelt zich de vraag of het beginsel van de redelijke termijn dan sowieso als beoordelingscriterium geldt of zal dergelijke werkwijze toch steeds aanleiding zal geven tot de onontvankelijkheid van de subsidiaire aanslag ?

Een lezing van het recente arrest van het Grondwettelijk Hof leert in ieder geval dat een dergelijke werkwijze hoe dan ook niet in overeenstemming is met de Grondwet.

Het arrest is ons inziens duidelijk over het feit dat een subsidiaire aanslag volgens de tweede techniek automatisch zal moeten worden afgewezen door de verwijzingsrechter, ongeacht of het verzoekschrift nadien “binnen een redelijke termijn” werd betekend.

Deze toepassing van artikel 356 WIB92 werd door het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk als discriminerend aangemerkt.

De rol van de verwijzingsrechter
 
Het Grondwettelijk Hof stelt uitdrukkelijk in het arrest van 20 oktober 2009: “Aldus geïnterpreteerd dat het de fiscale administratie toelaat de subsidiaire aanslag aan de beoordeling van de rechter voor te leggen in een nieuw geding, schendt artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”. Deze stelling laat weinig aan de verbeelding over.

Dus ongeacht of het verzoekschrift “binnen een redelijke termijn” door de administratie wordt voorgelegd aan de rechter ter beoordeling, is dergelijke toepassing van artikel 356 WIB92 ons inziens steeds in strijd met de Grondwet.

Naar ons oordeel dient de rechter in dat geval niet opnieuw te gaan beoordelen of de ongrondwettige interpretatie toch nog bestaanbaar kan zijn met de Grondwet op grond van het beginsel van de redelijke termijn. Een wetsbepaling (of haar interpretatie) is ongrondwettig of ze is het niet. Anders oordelen zou ingaan tegen de inhoud van dit arrest van het Grondwettelijk Hof.

Als een bepaalde interpretatie als ongrondwettelijk wordt aangemerkt, dient men niet in tweede instantie nogmaals te gaan onderzoeken of dergelijk ongrondwettige interpretatie toch nog op de een of andere manier verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Hoe men het draait of keert, artikel 356 WIB92 vermeldt immers geen exacte vervaltermijn waarbinnen de subsidiaire aanslag aan de rechter moet worden voorgelegd. De administratie beslist met andere woorden nog steeds autonoom over de daarbij gehanteerde termijn. Het feit dat dit mogelijk toch plaatsvindt “binnen een redelijke termijn” verandert niets aan het feit dat deze bepaling de Grondwet schendt.

Het bijzondere aan dit arrest is dat het Grondwettelijk Hof heeft vastgesteld dat de schending van het gelijkheidsbeginsel door artikel 356 WIB92 precies gelegen is in het ontbreken van een uitdrukkelijke vervaltermijn. De vaststelling van een lacune kan in principe niet bijdragen tot de oplossing van het huidige geschil.

Het is met andere woorden de verwijzingsrechter zelf die de plaats zal moeten innemen van de wetgever om aan de ongrondwettigheid te verhelpen.

Naar ons oordeel bestaat er voor de verwijzingsrechter voldoende ruimte om in deze discussie zelf voor het nodige rechtsherstel te zorgen. De oplossing wordt naar ons oordeel reeds door het Grondwettelijk Hof zelf aangereikt doordat de ruimte wordt gelaten voor een grondwetsconforme interpretatie van artikel 356 WIB92.

Gelet op de voorrang van deze grondwetsconforme interpretatie, is het volgens ons een vaststaand gegeven dat de thans voorliggende subsidiaire aanslagen sowieso in strijd zijn met artikel 10 en 11 van de Grondwet, zodat deze als onontvankelijk moeten worden afgewezen.

Gregory GOOSSENS
Advocaat



12-06-17 Heffing op tankkaarten noopt tot heel wat rekenwerk
Vennootschappen die ook de brandstofkosten voor het privégebruik van een bedrijfswagen ten laste nemen, moeten nu 40% i.p.v. 17% van het voordeel van alle aard opnemen in verworpen uitgaven.....read more
 
07-06-17 UN NOUVEAU DÉVELOPPEMENT POUR LES SCI FRANÇAISES
Dans un arrêt du 29 septembre 2016, la Cour de Cassation belge est revenue sur sa décision de 2004 concernant la fiscalité des SCI translucides.....read more
 
24-05-17 Fiscale regularisatie: samenwerkingsakkoord op regeringsniveau over ‘onsplitsbare bedragen’
Op 23 mei 2017 is er – uiteindelijk en gelukkig maar - een samenwerkingsakkoord afgesloten tussen de Federale en de Vlaamse regering omtrent de zogenaamde ‘onsplitsbare bedragen’ m.b.t. verjaard oorsprongskapitaal. ....read more
 
23-05-17 Fiscus kan nog gemakkelijker rekeningen controleren
Het Centraal Aanspreekpunt (CAP) bij de Nationale Bank houdt de gegevens bij van alle bankrekeningen in het land.....read more
 
website by webalive