nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Links   General conditions  
  VAT news - VAT invoicing and long term hire
 
beroepskosten - PREJUDICIELE VRAAG OVER ARTIKEL 49 EN BAND MET MAATSCHAPPELIJK DOEL.
 
Alle inkomsten die vennootschappen ontvangen, zijn in principe belastbaar ongeacht of die inkomsten verbonden zijn met het doel van de vennootschap. Maar wat de aftrek van kosten betreft, bestaat een grotere terughoudendheid. Volgens recente rechtspraak zijn de kosten die vennootschappen maken, alleen aftrekbaar als ze noodzakelijk inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit of het maatschappelijk doel van de vennootschap. De vraag rijst of dat onderscheid niet in strijd is met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel. Het Hof van Cassatie ging in zijn arrest van 4 januari 2008 niet in op die vraag. Een prejudiciële vraag i.v.m. artikel 49 van het WIB 92 en de vereiste band met het maatschappelijk doel is nu eindelijk gesteld door de rechtbank van eerste aanleg te Luik (Rb. Luik 5 maart 2009, www.fiscalnet.be).

Recente evoluties in de rechtspraak maken duidelijk dat de fiscus het steeds moeilijker heeft om het geveinsd karakter van bepaalde handelingen aan te tonen. De bewijslast is veelal zeer (te) zwaar, reden waarom niet zelden bakzeil wordt gehaald bij de rechtbank. Hetzelfde probleem ondervindt de fiscus bij de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling (art. 344 § 1 W.I.B.92), die een beperking vormt op het recht van de belastingplichtige om de minst belaste weg te kiezen. Men herinnert zich nog de uitspraak van het Hof van Cassatie die een einde stelde aan de discussie of vruchtgebruik in huur kon worden geherkwalificeerd (Cass. 22 november 2007).

Artikel 49 als nieuwe antimisbruikbepaling
 
De fiscus grijpt daarom - zo blijkt - steeds vaker terug naar artikel 49 W.I.B.92 om bepaalde uitgaven als beroepskosten te verwerpen. Opdat een uitgave als beroepskost kwalificeert dient een belastingplichtige aan te tonen dat de kosten een beroepskarakter hebben, dat deze uitgaven gedaan of gedragen zijn tijdens het belastbaar tijdperk en dat de kost gedaan of gedragen is om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

De bewijslast van het beroepsmatig karakter van een uitgave ligt bij de belastingplichtige (Antwerpen 26 mei 1998, F.J.F. No. 98/190; Brussel 15 september 2000, T.F.R. 2001, p. 28, noot F. Jacobs, Vr. en Antw. Senaat, nrs. 1-95, 23 maart 1999, p. 5028; Gent 24 september 1992, T.R.V. 1993, 21).

Enkele recente uitspraken maken duidelijk dat men de grenzen van het toepassingsgebied van dit artikel aan het aftasten is.

BAND MET DE MAATSCHAPPELIJKE ACTIVITEIT

Het is niet altijd duidelijk wanneer een uitgave die een vennootschap heeft gemaakt, kwalificeert als een uitgave “om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden”.

Traditioneel moet de belastingplichtige bewijzen dat de kosten een noodzakelijk verband vertonen met de uitoefening van de beroepswerkzaamheid of daaraan eigen moeten zijn. Wanneer het een vennootschap betreft, heet het dat de kosten inherent moeten zijn aan de uitoefening van de maatschappelijke activiteit.

[causaliteitsvereiste]Rechtspraak van het Hof van Cassatie die dateert van vóór het arrest van 4 januari 2008 stelt steevast dat de kosten aftrekbaar zijn wanneer zij inherent zijn aan de uitoefening van de beroepswerkzaamheid, d.w.z. wanneer ze noodzakelijk verbonden zijn aan de maatschappelijke activiteit (Cass. 18 januari 2001, F.J.F. No. 2001/220; Cass. 19 juni 2003, F.J.F. No. 2003/224; Cass. 12 december 2003, F.J.F. No. 2004/131, Cass. 9 november 2007, Fiscoloog nr. 1104, 4 en Fisc. Act. 2007, 44/4). De noodzakelijkheid slaat op het oorzakelijk verband met de onderneming. In het arrest van 4 januari 2008 lijkt het Hof te stellen dat aan die voorwaarde sowieso voldaan is wanneer de kosten betrekking hebben op een activiteit die in de statuten staat vermeld.

[volstaan algemeen geformuleerde statuten?]De vraag rijst of aan de voormelde voorwaarde is voldaan wanneer een vennootschap kosten aftrekt in verband met een activiteit die niet tot haar “normale” of “gebruikelijke” activiteit behoort, maar wel in haar statuten staat vermeld. Men denke bijvoorbeeld aan een vennootschap die actief is in de textielsector, maar waarvan de statuten een ruim geformuleerde clausule bevat die stelt dat de vennootschap “alle roerende en onroerende verrichtingen mag uitvoeren, die enigszins direct of indirect verband houden met haar doel”. Wat als die vennootschap nu kosten maakt met betrekking tot de aankoop van een onroerend goed? Zijn die kosten die betrekking hebben op een activiteit vermeld in de statuten zonder meer aftrekbaar?

TWEE STREKKINGEN

[strenge visie: band met werkelijk uitgeoefende activiteit vereist]
In de rechtspraak en rechtsleer zijn er in dit verband twee strekkingen te ontwaren: een eerste strekking stelt dat zulke clausules in de statuten niet meer zijn dan “stijlclausules” en dat de band met de werkelijk uitgeoefende activiteit moet primeren (Bergen 25 mei 2001, F.J.F. nr. 2001/286, Fisc. Act. 2001, 40/8; Bergen 22 oktober 2004, F.J.F. nr. 2004/224; Gent 24 oktober 2006, 0604/1220, Fisc. Act. 2007,21/8).

[soepeler visie: formeel statutair doel telt]
Een andere strekking beklemtoont daarentegen het belang van het statutair omschreven doel (C. Chevalier, “Is de aftrekbaarheid voorzien in artikel 49 W.I.B.1992 afhankelijk van het statutair doel of de maatschappelijke activiteit van de vennootschap?”, noot onder Cass. 9 november 2007), T.F.R. 2008, 643; D. Deschrijver en L. Meeus, “Kroniek: Fiscaal recht voor vennootschappen (Deel 2)”, T.R.V. 2008, 343). Deze strekking is duidelijk minder streng dan de eerste, want zolang men zijn statuten maar ruim omschrijft en een bepaalde kost betrekking heeft op wat in de statuten staat vermeld, zal de kost aftrekbaar zijn.

CASSATIE 4 JANUARI 2008: eerste vraag om prejudiciële vraag

[statuten: vennootschap mag roerende verrichtingen doen]Het Hof van Cassatie hecht in zijn arrest van 4 januari 2008 meer belang aan het statutair omschreven doel van een vennootschap (zie al Fisc. Act. 2009, 11/8). Het arrest verbreekt een arrest van het Hof van Beroep van Bergen van 22 oktober 2004 dat transactiekosten m.b.t. het verhandelen van aandelen had verworpen met als motivering dat het verband met de activiteiten van de vennootschap (actief in de voedingssector) onvoldoende was aangetoond. In een eerste middel van het Cassatiearrest motiveert de belastingplichtige dat de statuten van de vennootschap, die zoals gezegd actief is in de voedingssector, een clausule bevatten die o.a. stelt dat de vennootschap deelnemingen in welke vorm ook in Belgische of buitenlandse vennootschappen mag verkrijgen en verrichtingen in roerende waarden van welke soort ook mag doen. [hof van beroep: geen rekening houden met puur formele stijlclausules]Het Hof van Beroep van Bergen had geoordeeld dat dit een stijlclausule was waar geen rekening mee mocht worden gehouden.

In het tweede middel stelt de belastingplichtige het verschil aan de kaak tussen de aftrekbaarheid van kosten in de personenbelasting en in de vennootschapsbelasting, een verschil dat verder uitgewerkt wordt in het derde middel. In dat derde middel verzoekt de belastingplichtige ons hoogste rechtscollege om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

[alle inkomsten belastbaar, maar niet alle kosten aftrekbaar]De vennootschap werpt op dat alle inkomsten van een vennootschap beroepsinkomsten zijn waarvan het bedrag wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst (art. 183 W.I.B. 92). Een vennootschap is belastbaar op het totaal bedrag van de winst, inbegrepen winsten die voortvloeien uit handelingen die vreemd zijn aan haar statutair doel. Maar voor kosten geldt dat blijkbaar niet. Het Hof van Beroep te Bergen oordeelde immers dat de kosten die een vennootschap maakt om handelingen te stellen die vreemd zijn aan haar statutair doel of aan haar maatschappelijk doel, geen beroepskosten in de zin van artikel 49 W.I.B.1992 zijn, en dus niet aftrekbaar zijn van de inkomsten. Maar de belastingplichtige gaat niet akkoord met die visie.

Op die manier - zo merkt de belastingplichtige - creëert men een verschil in behandeling tussen vennootschappen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting naargelang hun statutair doel: dezelfde kosten die men gemaakt heeft om dezelfde inkomsten te verkrijgen of te behouden zijn aftrekbaar wanneer de inkomsten voortkomen uit een activiteit die kadert in het statutair doel van de vennootschap maar zijn dat niet indien ze betrekking hebben op een activiteit die niet voorkomt in het statutair doel. Op die manier zou de eerste groep vennootschappen belastbaar zijn op haar netto-inkomsten en de tweede categorie op haar bruto-inkomsten.

[in PB kan formulering statuten nooit hinderpaal zijn voor aftrek] Bovendien zou er een verschil in behandeling gecreëerd worden tussen twee categorieën van personen onderworpen aan de inkomstenbelasting: langs de ene kant de vennootschappen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, waarbij een deel van de kosten die gemaakt zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, niet aftrekbaar is in het kader van artikel 49 W.I.B.92; en langs de andere kant de belastingplichtigen onderworpen aan de personenbelasting waarbij de kosten die gemaakt zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, steeds aftrekbaar zijn ofwel van hun beroepsinkomsten (art. 49), ofwel van hun onroerende inkomsten (art. 13), ofwel van hun inkomsten van roerende goederen en kapitalen (art. 22), of nog van hun diverse inkomsten (art. 97). [dus discriminatie tussen PB en Ven.B.?] Ook dat verschil in behandeling is niet redelijk in het licht van het doel van de inkomstenbelasting dat er in bestaat het belastbare inkomen te vormen door het totale netto-inkomen te verminderen met de aftrekbare bestedingen.

FISCUS MOET REKENING HOUDEN MET STATUTEN

Het Hof van Cassatie doet in zijn arrest van 4 januari 2008 enkel een uitspraak over het eerste cassatiemiddel en stelt dus geen prejudiciële vraag.

[ook bijkomstige activiteit telt, zolang ze maar in statuten staat]Het Hof van Cassatie oordeelt dat wanneer een kost verband houdt met een in de statuten toegelaten verrichting, de fiscus niet meer kan beweren dat de kost geen noodzakelijk verband houdt met de uitoefening van de maatschappelijke activiteit (C. Chevalier, “Is de aftrekbaarheid voorzien in artikel 49 W.I.B.92 afhankelijk van het statutair doel of de maatschappelijke activiteit van de vennootschap?”, noot onder Cass. 9 november 2007, T.F.R. 2008, 643). Er anders over oordelen zou volgens het Hof van Cassatie tot gevolg hebben dat de bewijskracht van de akte wordt miskend.

Het feit dat de door de statuten toegelaten verrichting slechts bijkomstig is in vergelijking tot de hoofdactiviteit en slechts in algemene termen is gestipuleerd, is volgens het Hof irrelevant.

Nu wel PREJUDICIELE VRAAG

In een recent vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik wordt er wél ingegaan op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen (Rb. Luik 5 maart 2009). In casu ging het om een vennootschap die als maatschappelijk doel heeft: de handel in juwelen en horloges.

[ruim omschreven statuten]In de statuten stond dat de vennootschap handelingen mag stellen “die een rechtstreeks of onrechtstreeks verband vertonen met de verkoop of aankoop van onroerende goederen”. De vennootschap had een onroerend goed aangekocht om er haar maatschappelijke zetel te vestigen en had de kosten van die aankoop en van bepaalde uitgevoerde werken i.v.m. dit onroerend goed als beroepskost afgetrokken. De fiscus was van mening dat deze kosten niet als beroepskosten konden worden aangemerkt omdat deze geen verband hielden met het maatschappelijk doel van de vennootschap, zijnde de handel in juwelen en horloges.

De Rechtbank beslist om een prejudiciële vraag te stellen: “Schenden de artikelen 49 en 183 W.I.B.92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat een kost slechts aftrekbaar is als beroepskost indien ze noodzakelijk inherent is aan de activiteit van de vennootschap of aan haar maatschappelijk doel terwijl alle inkomsten die een vennootschap geniet, een beroepskarakter hebben en in principe belastbaar zijn?”.

Indien de Luikse rechter het cassatiearrest van 4 januari 2008 zou hebben gevolgd, had de oplossing eenvoudig kunnen zijn: het gaat immers om kosten die verband houden met een in de statuten toegelaten verrichting.

[geen eensgezindheid in lagere rechtspraak]Toch is het uitkijken naar de uitspraak van het Grondwettelijk Hof. Uit recente lagere rechtspraak blijkt dat er nog steeds geen eensgezindheid bestaat op het vlak van aftrekbare beroepskosten in hoofde van vennootschappen. Een mooie illustratie hiervan zijn twee vonnissen van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 17 en 18 juni 2008 (Rb. Brugge 17 en 18 juni 2008, Fisc. Act. 2008, 27/13-14, Fisc. Koer. 2008/589). Die twee vonnissen zijn opmerkelijk, vooral omdat dezelfde rechtbank (zelfde kamer maar verschillende samenstelling) in nagenoeg twee identieke zaken op hetzelfde moment tot een andersluidende beslissing komt.

In casu ging het om twee vennootschappen (een geneesherenvennootschap en een handelsvennootschap) die ieder het vruchtgebruik verwerven van een onroerend goed. De vennootschappen brengen de kosten voor de verwerving van het zakelijk recht op het onroerend goed (afschrijvingen en financieringskosten) als beroepskosten in aftrek. De fiscus weigerde de aftrek van de uitgaven te aanvaarden omdat de aankoop van het vruchtgebruik op het onroerend goed niet kaderde in het maatschappelijk doel van de vennootschappen.

De rechtbank behandelt beide zaken nagenoeg gelijktijdig maar komt merkwaardig genoeg in beide zaken tot een verschillend besluit.

In het geval van de geneesherenvennootschap stelt de rechtbank eenvoudigweg dat uitgaven beroepskosten zijn wanneer ze worden gedaan met het oog op het verwerven van belastbare inkomsten. In dit geval was volgens de rechtbank aan die voorwaarde voldaan.

In het geval van de handelsvennootschap oordeelt de rechtbank anders. In de statuten van de vennootschap staat te lezen dat ze als doel heeft “de aan- en verkoop, groot- en kleinhandel in kantoormachines en kantoormateriaal, waarbij de vennootschap alle roerende en onroerende verrichtingen mag uitvoeren die van aard zijn de verwezenlijking van het maatschappelijk doel te bevorderen”. De rechtbank oordeelt dat het niet bewezen is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen enerzijds de aankoop van het vruchtgebruik van het onroerend goed, en anderzijds het (voormeld) maatschappelijk doel van de vennootschap. Dat volstaat volgens de rechtbank om de uitgaven voor de verwerving van het vruchtgebruik bij toepassing van artikel 49 W.I.B.1992 als beroepskosten te weren.

In twee quasi dezelfde gevallen oordeelt de rechtbank tweemaal anders. Een en ander doet de vraag rijzen of zulke visies van lagere rechtbanken wel verenigbaar zijn met de bedoeling van het Hof van Cassatie in haar arrest van 4 januari 2008. Het Hof had in dat arrest toch duidelijk laten verstaan dat wanneer een kost verband houdt met een in de statuten toegelaten verrichting, de fiscus dan niet meer kan beweren dat de kost geen noodzakelijk verband houdt met de uitoefening van de maatschappelijke activiteit?

RECHTSZEKERHEID?

Elke zaak moet uiteraard geval tot geval beoordeeld worden, maar de huidige situatie leidt niet bepaald tot enige rechtszekerheid. Het woord is nu aan het Grondwettelijk Hof. Hopelijk kan dat hier enige duidelijkheid creëren.

Mathias BULENS
Advocaat DE BROECK VAN LAERE & PARTNERS
Jo ROSELETH
Advocaat - vennoot DE BROECK VAN LAERE & PARTNERS



21-03-17 Nu ook tax shelter voor podiumkunsten
De succesvolle “tax shelter” voor audiovisuele werken wordt opengesteld voor theater, opera en andere podiumkunsten. ....read more
 
20-03-17 Kwartaalaangevers hoeven geen voorschotten meer te betalen
De formaliteiten voor BTW-plichtigen worden verder vereenvoudigd. ....read more
 
17-03-17 Uber-taxirit valt volledig onder regime voor deeleconomie
Bij de invoering van het nieuwe belastingregime voor de deeleconomie – voor particulieren die diensten aanbieden aan andere particulieren via elektronische platforms – was uitgelegd dat inkomsten uit verhuur van kamers via Airbnb slechts gedeeltelijk onder het nieuwe stelsel vallen. ....read more
 
28-02-17 Hoge belasting op gebruik gratis woning is ongrondwettelijk, zegt nu ook Antwerps Hof van Beroep
Wie gratis een woning mag gebruiken van zijn werkgever of vennootschap, wordt voor dat gebruik belast op een zogenaamd voordeel van alle aard. ....read more
 
website by webalive