nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Advocaten   Coördinaten   Nieuws   Jobs   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
INLEIDING TOT HET BELASTINGRECHT
 
Hierna treft U een (zo goed als) schematisch overzicht van de leerstof “Inleiding tot het belastingrecht”.

Zoals aangekondigd in de lessen, zal een drietal vragen worden gesteld waar U de leerstof op een praktische wijze kan toepassen op een concrete casus.

Veel succes.

Leo De Broeck

Kerst 2008


Afdeling 1 - De belasting: een begripsomschrijving
 
Er kan nergens in de wetgeving, ook niet in de Grondwet, een concrete definitie worden gevonden van wat nu onder 'belastingen' moet worden verstaan. Een juiste begripsomschrijving is evenwel noodzakelijk, al was het maar om een onderscheid te kunnen maken tussen belastingen sensu stricto, retributies, sociale bijdragen, ...
Op basis van een aantal cassatiearresten kan de volgende definitie worden gegeven, waarbij de klemtoon voornamelijk ligt op het dwingend karakter en het financieel doel:

- (1) een bijdrage: veelal denkt men aan geldelijke bijdragen, maar - vroeger meer dan nu - kan de belasting ook niet-geldelijk van aard zijn (vb. vandaag de dag is het in welbepaalde gevallen mogelijk om successierechten te betalen met kunstwerken); volgens het Grondwettelijk Hof moet de planbatenheffing eveneens als een belasting worden aanzien (Grondwettelijk Hof 5 juli 2000).
- (2) opgelegd: de overheid moet eigenmachtig tussenkomen (= normatief, dwingend karakter); let op: het eigenlijke vestigen van de aanslag is werkelijk een monopolie van de overheid, de inning van belastingen daarentegen kan evt. worden 'uitbesteed' (door incasseringsbureaus)
- (3) door openbare instellingen: de staat, de gewesten, de gemeenschappen, provincies, gemeenten... en ook openbare instellingen, zoals bijv. OCMW's, maar aan openbare instellingen zijn in de praktijk nog geen noemenswaardige bevoegdheden toegekend (art. 173 Grondwet)

opm.: om te vermijden dat diverse instanties dezelfde belastbare materies zouden viseren, voorziet (o.m.) de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gewesten en de gemeenschappen (B.S. 17 januari 1989) in specifieke regels, wie wat kan belasten, vrijstellen, ...; meer algemeen wordt in dit kader aangenomen dat de gewesten en gemeenschappen geen belastingen mogen heffen op materies die reeds het voorwerp uitmaken van een rijksbelasting (S. VAN CROMBRUGGE, De grondregels van het Belgisch fiscaal recht, editie 2005, nr. 4) ook in de diverse fiscale wetboeken kan men her en der spelregels terugvinden die moeten vermijden dat twee verschillende instanties dezelfde materie zouden belastbaar stellen, ofwel volgt dit 'verbod'  gewoon uit de aard van de belasting in kwestie zelve

(4) voor diensten van algemeen nut: het betreft de financiële functie van de belasting, maar in tegenstelling tot een zogenaamde retributie, zal een belasting tot nut hebben de overheidsfinanciën in het algemeen te dekken; gewetensbezwaren tegen de aanwending van belastingontvangsten zijn dan ook niet relevant (vb. Gent 25 januari 2001, Fiscoloog, nr. 832, 4)

wanneer de heffing daartegen bestemd is om een door een openbare instelling verstrekte dienst rechtstreeks te laten vergoeden door diegene die de dienst heeft genoten, dan spreekt men van een retributie (en dus niet langer een belasting of contributie); voorbeelden van een retributie: parkeergelden voor stationering op de openbare weg, vergoeding voor uitreiking kadastrale uittreksels, ...

- (5) gericht op personen en/of groepen: alle (rechts)personen, verenigingen en groeperingen indien zij op het grondgebied gevestigd zijn of er belangen hebben (cf. territorialiteitsbeginsel - zie verder afdeling 4 hierna); ook openbare instellingen zijn geviseerd, maar vaak is in uitzonderingen voorzien

- (6) die als belasting wordt erkend: sociale bijdragen zouden ook belastingen kunnen zijn (voormelde vijf karakteristieken zijn er aanwezig), maar sociale bijdragen worden gewoonweg niet als belastingen erkend, o.m. omdat de sociale bijdragen een specifieke bestemming hebben, en niet dienen om de vooraf onbepaalde algemene uitgaven van de overheid te dekken; in tegenstelling tot de ons omringende landen, wordt de opbrengst van sociale bijdragen dan ook niet opgenomen in de Rijksmiddelenbegroting.

Hoewel belastingen jarenlang als enige doel hadden het dekken van de overheidsfinanciën (cf. financiële functie van de belastingen), worden zij meer en meer als een middel beschouwd om de overheid toe te laten haar economische en sociale politiek te verwezenlijken (regulerende functies)(J.J. COUTURIER en B. PEETERS, Belgisch belastingrecht, nr. 1). Zo willen talloze recente belastingverminderingen en andere fiscale incentives inzake inkomstenbelastingen (personenbelastingen) de Belgen aanzetten tot massale energiebesparing (zie art. 145/24 W.I.B. 1992 inzake rationeler energiegebruik) of tot het rijden met zuinige wagens (zie art. 145/28 W.I.B. 1992 voor de aanmoediging van het gebruik van wagens met een lage CO²-uitstoot).

Afdeling 2 - De grondwettelijke basis van het fiscaal recht
 
De artikelen 170 tot 173 Grondwet zijn inzake belastingen bijzonder relevant.

Artikel 170 Grondwet ('legaliteitsbeginsel'):

Artikel 170 Grondwet bepaalt vooreerst dat geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd, dan door een wet (d.i. een strengere vereiste dan deze gesteld in ons buurland Nederland, waar bepaald wordt dat belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet).
Dit heet het 'grondwettelijk legaliteitsbeginsel'. Een wet kan m.a.w. niet worden ingevoerd via een koninklijk besluit (zogenaamde volmachten-K.B.'s niet te na gesproken, evenmin als bepaalde wetgevingstechnieken, zoals bijvoorbeeld artikel 37 BTW-wetboek dat aan de Koning de bevoegdheid verleent om bij in Ministerraad overlegd KB de BTW-tarieven te bepalen en de indeling vast te stellen van de goederen en diensten bij die tarieven, daarbij vanzelfsprekend steeds rekening houdend met de Europese reglementering).

Een zelfde regeling geldt ook voor de andere belastingheffende instanties.

België kent derhalve de principiële belastingvrijdom; immers, niets is belastbaar tenzij de wet in de belastbaarheid ervan voorziet. Helaas is de fiscale wetgever nogal alomvattend en volledig  tewerk gegaan, en heeft haast alle materies belastbaar gesteld. In de inkomstenbelastingen zijn inderdaad bijna alle denkbare inkomsten geviseerd, maar ook een aantal meerwaarden, is uitdrukkelijk als belastbaar gesteld in het Wetboek. Men denke maar in het recente verleden aan de mogelijke meerwaardebelasting voor bepaalde obligatiefondsen (cf. de TIS-belasting die vanaf 1 januari 2008 zou uitgebreid worden naar meerwaarden - zie: http://mineco.fgov.be/enterprises/vademecum/Vade11_nl-06.htm).

Wat zijn de gevolgen van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel?

Gevolg 1: de wet is de enige bron (van rijks)belastingen, verminderingen en vrijstelling en de gebonden bevoegdheid van de fiscale administratie

De fiscale schuld ontstaat uit de wet, en nooit uit een overeenkomst. De belastingwetten dringen zich aan eenieder op; de fiscus kan niet (bij wijze van administratieve toegeving) hiervan afwijken. De fiscale administratie heeft immers een invorderingsplicht (en niet zozeer een invorderingsrecht). De fiscus moet belasten als dat door de wet is opgelegd.

De administratie kan dus aan het recht (eigenlijk de plicht) om een wettelijk verschuldigde belasting te innen, niet verzaken. De Minister van Financiën heeft daarbij wel de bevoegdheid om louter fiscale boeten en/of belastingverhogingen geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 8 maart 1831. Inzoverre de fiscale boeten en belastingverhogingen een strafrechtelijk karakter hebben, kunnen ook de fiscale rechtbanken zich over de toegepaste sancties uitspreken, zowel wat hun legaliteit als wat hun opportuniteit betreft.

Maar de belastingen zelf kan niemand (ook niet de Koning) kwijtschelden (met het onbeperkt uitstel van de invordering zoals voorzien in de artikelen 413bis ev. W.I.B. 1992 en de pendant in het BTW-wetboek wordt onrechtstreeks toch van dit stringent principe afgeweken).

De administratieve onderrichtingen (de zogenaamde aanschrijving, circulaires, antwoorden op parlementaire vragen, ...) kunnen de belastingplichtige evenmin als de rechter binden. Enkel de wet is relevant. Ook de Minister van Financiën is zich hiervan bewust: “De richtlijnen opgenomen in de administratieve commentaar op het W.I.B. 1992 en in de circulaires hebben essentieel tot doel aan de ambtenaren de interpretatie te laten kennen die de administratie aan de wettelijke en reglementaire teksten geeft, evenals de regels met betrekking tot de uitvoering van die bepalingen. Zij hebben bindende kracht ten aanzien van de ambtenaren gelet op hun hiërarchische gehoorzaamheidsplicht en strekken ertoe dat gelijkaardige gevallen in verschillende ambtsgebieden op eenvormige wijze worden behandeld. Zij hebben evenwel geen bindende kracht ten aanzien van de onderhorigen” (Parl. Vr. 507 van 18 juli 1996, Bull. Bel. Nr. 767, 69).

Gevolg 2: de principiële belastingvrijdom, en keuze van de minst belast weg (simulatieleer)

Een belastingheffing moet zijn ontstaan vinden in de wet.

'Geen belasting zonder wet' impliceert dat wanneer de keuze bestaat tussen een belaste rechtshandeling en een onbelaste, of minder belaste, rechtshandeling, de rechtsonderhorige op grond van het beginsel van vrijheid van overeenkomst de onbelaste of minder belaste optie mag kiezen (cf. Brepols-arrest dd. 6 juni 1961, Pas., 1961, I, 1082).

De belastingplichtige mag voor de minst belaste weg kiezen, maar dit gaat enkel op in de mate er geen simulatie (veinzing) in het spel is.

Simulatie is er wanneer partijen aan de tussen hen gesloten overeenkomsten niet alle gevolgen hebben gegeven die deze moesten hebben, maar zij integendeel andere gevolgen in de plaats hebben gesteld, strijdig met die welke de overeenkomsten in schijn hielden (denk aan het niet fiscaal voorbeeld van de tien treinreizigers naar Gent en de groepskorting - cf. lesvoorbeeld).

In 1990 herhaalde het Hof van Cassatie voormelde (Brepols)leer van de keuze van de minst belaste weg (Au Vieux St. Martin-arrest dd. 22 maart 1990, F.J.F. No. 90/95): er is geen sprake van ten aanzien van de fiscus verboden simulatie en aldus evenmin van belastingfraude, als de partijen om de voordeligste belastingregeling te genieten, gebruikmakend van de vrijheid van overeenkomst, zonder evenwel enige wettelijke verplichting te schenden, handelingen verrichten waarvan zij alle gevolgen aanvaarden, ook al worden die handelingen enkel en alleen gesteld om de belastingdruk te verminderen (“Attendu qu'il n'y a ni simulation prohibée à l'égard du fisc, ni partant fraude fiscale, lorsque, en vue de bénéficier d'un régime fiscal plus favorable, les parties, usant de la liberté des conventions, sans toutefois violer aucune obligation légale, établissent des actes dont elles acceptent toutes les conséquences, même si ces actes sont accomplis à seule fin de réduire la charge fiscale”).

Wanneer de belastingplichtige alle gevolgen van zijn handeling respecteert, is het voor de fiscus dus zo goed als onmogelijk om te taxeren op basis van (beweerde) simulatie, reden waarom de fiscale wetgever in 1993 via artikel 344 § 1 W.I.B. 1992 (en later in andere fiscale wetboeken) een algemene anti-misbruikbepaling in het leven heeft geroepen (zie afdeling 3 hierna).

Artikel 171 Grondwet ('eenjarigheidsbeginsel'):

Jaarlijks moet de wetgevende macht aan de uitvoerende macht (regering) toelating geven om op grond van de bestaande fiscale wetgeving (in het Wetboek inkomstenbelastingen, BTW-wetboek, ...) belastingen te heffen. Dit gebeurt in een begrotings- of financiewet. Het grondwettelijke annualiteitsbeginsel mag niet verward worden met de technische annualiteit waarmee sommige belastingen worden geheven, zoals bijv. het eenjarigheidsbeginsel uit het Wetboek inkomstenbelastingen (art. 360 W.I.B. 1992).

Artikel 172 Grondwet ('fiscaal gelijkheidsbeginsel'):

Inzake belastingen kunnen er geen privileges worden toegekend, dus ook niet door een wet.

Vrijstellingen en verminderingen zijn wel mogelijk, maar het toestaan ervan is enkel voorbehouden aan de wetgever.

Artikel 172 komt in fiscale materies bovenop het algemeen gelijkheidsbeginsel van de Grondwet zoals verwoord in artikel 10 Grondwet.

Artikel 10 Grondwet bepaalt dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet, wat wil zeggen dat allen die zich in dezelfde feitelijke toestand bevinden, op een gelijke wijze moeten behandeld worden (Cass. 4 januari 2002, T.F.R., 2002/N51).

Uit het fiscaal gelijkheidsbeginsel van artikel 172 volgt dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden, op gelijke wijze moeten worden belast (Cass. 20 november 1975, Pas., 1976, I, 347).

Toch sluiten voormelde grondwettelijke regels van de (fiscale) gelijkheid der Belgen voor de (fiscale) wet en van de niet-discriminatie volgens het Grondwettelijk Hof niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, inzoverre voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, waarvan het bestaan moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm, en de aangewende middelen redelijkerwijze evenredig zijn met het beoogde doel.

Het is in de praktijk erg moeilijk te beoordelen of een welbepaalde wet effectief een schending inhoudt van voormelde grondwettelijke rechten.

Ons Grondwettelijk Hof (voorheen het Arbitragehof) waakt in ieder geval overeenkomstig artikel 1 Bijzondere Wet van 6 januari 1989 (in fiscalibus) over de juiste toepassing van de artikelen 170 en 172 Grondwet (en ook over Titel II “De Belgen en hun rechten” van de Grondwet, inbegrepen de artikelen 10 en 11, en artikel 191 Grondwet), zij het dat het Hof zelf geen injunctierecht heeft. Een zaak kan voor het Grondwettelijk Hof aanhangig worden gemaakt bij wege van een vernietigingsberoep of bij wege van een prejudiciële vraag.

Artikel 173 Grondwet ('monopoliebeginsel'):

Alleen de instellingen opgesomd in artikel 173 kunnen belastingen heffen.

Afdeling 3 - De fiscale algemene rechtsregels
Bij gebreke aan een algemeen fiscaal wetboek, zijn er slechts weinig fiscale algemene fiscale regels. De belangrijkste volgen hierna.
 
Niet-retroactiviteitsregel

In de Grondwet staat niets omtrent een verbod van de retroactieve inwerkingtreding van (fiscale) wetten.

Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek stelt wel dat wetten enkel voor de toekomst kunnen beschikken. Maar de wetgever kan van dit principe gemakkelijk afwijken, hetzij uitdrukkelijk (door af te wijken van de klassieke inwerkingtreding van wetten, m.n. 10 dagen na aankondiging), hetzij onrechtstreeks via een zogenaamde interpretatieve wet.

Daarnaast staat in artikel 108 van de Wet van 4 augustus 1986 te lezen dat ter uitvoering van de belastingwetten genomen besluiten (KB's, MB's) alleen voor het toekomende kunnen beschikken, (opnieuw) tenzij de wet anders beschikt.

In tegenstelling tot in de klassieke leer (zie o.m. Cass. 28 november 1939, Pas. 1939, I, 492) volgens dewelke een rechter nieuwe wetten op het verleden moet toepassen indien zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend de bedoeling is geweest van de wetgever, lijkt men meer recent een zekere grondwettelijke waarde toe te schrijven aan de beginselen van rechtszekerheid en niet-terugwerkende kracht, als onderdelen van het beginsel van een rechtstaat, besloten in een geheel van grondwettelijke bepalingen (S. VAN CROMBRUGGE, De grondregels van het Belgisch fiscaal recht, 2005, nr. 23).

Volgens het Grondwettelijk hof kan de terugwerkende kracht van wetsbepalingen enkel verantwoord worden op grond van bijzondere omstandigheden, inz. wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst (Grondwettelijk hof 15 september 1999, Nr. 97/99, B.S. 13 oktober 1999, B23). Wordt het rechtszekerheidbeginsel gezien in samenhang met het grondwettelijk (fiscaal) gelijkheidsbeginsel, dan kan het Grondwettelijk Hof inderdaad de retroactieve werking en meer algemeen de temporele werking van fiscale wetten beoordelen, zeker in de mate voor de temporele werking geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat en de betrokken maatregel niet evenredig is met het nagestreefde doel.

Niet-retroactiviteitsregel
In de Grondwet staat niets omtrent een verbod van de retroactieve inwerkingtreding van (fiscale) wetten.
Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek stelt wel dat wetten enkel voor de toekomst kunnen beschikken. Maar de wetgever kan van dit principe gemakkelijk afwijken, hetzij uitdrukkelijk (door af te wijken van de klassieke inwerkingtreding van wetten, m.n. 10 dagen na aankondiging), hetzij onrechtstreeks via een zogenaamde interpretatieve wet.
Daarnaast staat in artikel 108 van de Wet van 4 augustus 1986 te lezen dat ter uitvoering van de belastingwetten genomen besluiten (KB's, MB's) alleen voor het toekomende kunnen beschikken, (opnieuw) tenzij de wet anders beschikt.
In tegenstelling tot in de klassieke leer (zie o.m. Cass. 28 november 1939, Pas. 1939, I, 492) volgens dewelke een rechter nieuwe wetten op het verleden moet toepassen indien zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend de bedoeling is geweest van de wetgever, lijkt men meer recent een zekere grondwettelijke waarde toe te schrijven aan de beginselen van rechtszekerheid en niet-terugwerkende kracht, als onderdelen van het beginsel van een rechtstaat, besloten in een geheel van grondwettelijke bepalingen (S. VAN CROMBRUGGE, De grondregels van het Belgisch fiscaal recht, 2005, nr. 23).
Volgens het Grondwettelijk hof kan de terugwerkende kracht van wetsbepalingen enkel verantwoord worden op grond van bijzondere omstandigheden, inz. wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst (Grondwettelijk hof 15 september 1999, Nr. 97/99, B.S. 13 oktober 1999, B23). Wordt het rechtszekerheidbeginsel gezien in samenhang met het grondwettelijk (fiscaal) gelijkheidsbeginsel, dan kan het Grondwettelijk Hof inderdaad de retroactieve werking en meer algemeen de temporele werking van fiscale wetten beoordelen, zeker in de mate voor de temporele werking geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat en de betrokken maatregel niet evenredig is met het nagestreefde doel.

Motiveringsvereiste

Wanneer de fiscale administratie een administratieve boete wil opleggen, moet de fiscus op een duidelijke en klare wijze uitleggen ('motiveren') waarom dergelijke boete wordt opgelegd (cf. art. 109 Wet 4 augustus 1986).

Inzake inkomstenbelastingen dient de fiscale administratie op een pertinente wijze in rechte en in feite te motiveren waarom zij de aangifte van een belastingplichtige wenst te wijzigen (zie inz. art. 346 en 351 W.I.B. 1992). In andere fiscale takken is niet in een dergelijke verregaande motiveringsvereiste voorzien, maar de rechtspraak/rechtsleer ging er sinds lang van uit dat de administratie in dat geval ook tot duidelijke motivering moest overgaan.

Sinds de Wet van 29 juli 1991 inzake de Motivering van Bestuurshandelingen (een niet-fiscale wet) is deze motiveringsvereiste voor (bijvoorbeeld) B.T.W., successierechten, registratierechten, ... uitdrukkelijk bij wet geregeld. Een (supplementaire) taxatie is dan ook enkel mogelijk indien de belastingplichtige hiervan op voorhand op een duidelijke wijze wordt geïnformeerd, zowel in rechte als in feite.

Merk op dat de (fiscale) burger sinds de jaren '90 (van de vorige eeuw) ook nog supplementaire bescherming geniet met de Wet van 11 april 1994 (en artikel 32 Grondwet) inzake de Openbaarheid van Bestuur en de Wet van 22 maart 1995 inzake de Federale Ombudsmannen.

Anti-misbruikbepaling

Bij Wet van 22 juli 1993 werd een algemene zogenaamde anti-misbruikbepaling ingevoegd in het Wetboek van Inkomstenbelastingen (later, bij Wet van 30 maart 1994, ook inzake successierechten en registratierechten), luidend als volgt (art. 344 §1 W.I.B. 1992): “Aan de administratie der directe belastingen kan niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt”.

De anti-misbruikbepaling van artikel 344 § 1 moet de fiscus in staat stellen juridische kwalificaties die er zuiver op gericht zijn belastingen te ontwijken, juridisch te herkwalificeren. Met de Brepolsdoctrine (zie afdeling 2 hiervoor), die tot op vandaag zonder enige twijfel standhoudt, kan de fiscus immers zoals al gesteld niet of zeer moeilijk tot taxatie overgaan als de belastingplichtige alle gevolgen van de gestelde handeling respecteert.

Artikel 344 § 1 strekt er dus toe manoeuvres te bestrijden die erin bestaan via rechtsgeldige, niet-gesimuleerde juridische combinaties de belasting te ontwijken. Het heeft tot doel dat oneigenlijke kwalificaties - oneigenlijk in de zin dat de kwalificatie van één of meer rechtshandelingen die, al zijn ze regelmatig gesteld, er uitsluitend toe strekken de belasting te ontwijken - niet aan de fiscus kunnen worden tegengeworpen (cf. conclusies Advocaat-Generaal D. Thijs bij Cass. 22 november 2007, Nr. F.06.0028.N).

Volgens het Grondwettelijk Hof is artikel 344 § 1 niet strijdig met het fiscaal legaliteitsbeginsel (Grondwettelijk Hof 24 november 2004, nr. 188/2004). Volgens het Hof kan de bepaling niet worden beschouwd als een algemene machtigingsbepaling die de fiscus zou toelaten bij algemene maatregel zelf de belastbare materie vast te stellen (wat strijdig zou zijn met het legaliteitsbeginsel), doch wel als een bewijsmiddel om in concrete gevallen bijzondere situaties individueel te beoordelen.

Artikel 344 §1 stelt dat de administratie de door partijen weerhouden juridische kwalificatie van een akte, alsook van afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, kan herkwalificeren indien (1) zij een belastingontwijkingmotief kan aanduiden bij de door partijen weerhouden kwalificatie en indien (2) de belastingplichtige de door hem weerhouden kwalificatie niet kan ondersteunen met rechtmatige financiële of economische behoeften.

In de praktijk lijkt de fiscus bij toepassing van artikel 344 § 1 het meest hinder te ondervinden bij het zoeken een correcte herkwalificatie.

Zo oordeelde het Hof van Beroep van Gent in een arrest van 13 september 2005 dat een overeenkomst tot vestiging van vruchtgebruik onmogelijk in een huurovereenkomst kon worden geherkwalificeerd om de reden dat bij herkwalificatie “de gevolgen verbonden aan de door partijen gegeven kwalificatie van de akte identiek moeten zijn aan deze verbonden aan de door de administratie in de plaats gestelde kwalificatie”. Volgens het Gentse Hof kan de vervanging van vruchtgebruik door huur niet zonder “aan de juridische gevolgen te raken”. Het Hof verwijst daarvoor naar de eigendomsverhoudingen die aanzienlijk worden gewijzigd. Er wordt tevens gewezen op de tussenkomst van de derde verkoper. Meer in het algemeen stelt het Hof dat vruchtgebruik en huur twee onderscheiden rechtsfiguren zijn met onderscheiden rechten en verplichtingen.

In een arrest van 22 november 2007 (Nr. F.06.0028.N) stelt Hof van Cassatie dat het Gentse Hof terecht heeft geoordeeld dat het vruchtgebruik niet herkwalificeerbaar is in een huurovereenkomst. In tegenstelling tot het Hof van Beroep van Gent lijkt ons Hoogste Gerechtshof evenwel niet te vereisen dat, met oog op herkwalificatie, de gevolgen identiek zijn. Het Hof van Cassatie stelt enkel dat de nieuwe kwalificatie 'gelijksoortige niet-fiscale rechtsgevolgen' moet hebben als de door partijen weerhouden kwalificatie (zie in dezelfde zin Cass. 4 november 2005, Fisc. Act. 2005, 39/1).

Een andersoortige antimisbruikbepaling vindt men sinds 2006 in artikel 1, § 10 BTW-wetboek (ingevoegd bij artikel 18 van de Wet van 20 juli 2006, B.S. 28 juli 2006), luidend als volgt: “Voor de toepassing van dit Wetboek is er sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben”. De toekomst zal uitwijzen of deze antimisbruikbepaling meer succesvol zal kunnen worden toegepast dan de evenknie uit de inkomstenbelastingen...

Afdeling 4 - De gemeenrechtelijke grondregels van toepassing in het fiscaal recht
 
Gemeenrechtelijke grondregels

De principes van het burgerlijk recht (en meer algemeen het gemeen recht) beheersen het fiscaal recht, tenzij dat laatste er (al dan niet expliciet) van afwijkt (Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, 218).

Onder gemeen recht moet worden begrepen, het burgerlijk recht, maar ook andere takken van het privaat recht (handelsrecht, gerechtelijk privaatrecht, ... en ook vennootschapsrecht, boekhoudrecht).

In concreto betekent voormelde regel dat alle begrippen en bepalingen uit het gemeen recht onverminderd blijven gelden in het fiscaal recht. Als het Wetboek van de Inkomstenbelastingen spreekt van gehuwden, dan moet men in de regel gaan kijken naar de burgerrechtelijke definitie. Voor de vaststelling van de winst van een onderneming, moet het fiscaal recht zich om dezelfde reden baseren op het boekhoudrecht. Men moet bijgevolg volgens het Hof van cassatie op fiscaal vlak rekening houden met de wettelijk aangebrachte correcties van de jaarrekening (Cass. 20 februari 1997, T.R.V., 1997, 149 - het zogenaamde 'tennisclub-arrest').

De fiscale wet kan evenwel zoals gesteld afwijken, wat ook is geschied met de gehuwden in het W.I.B. 1992: luidens artikel 2, § 1, 2° worden wettelijke samenwonenden gelijk gesteld met gehuwden. Het gaat om een uitdrukkelijke afwijking, waarover weinig discussie kan bestaan.

In artikel 1 § 9 BTW-wetboek kan men (sinds 26 april 2002) de BTW-definitie terugvinden van een gebouw: “onder gebouw moet worden verstaan, ieder bouwwerk dat vast met de grond verankerd is”. Sinds 2002 zijn dus niet langer enkel de klassieke onroerende goederen bedoeld die reeds lang als een gebouw werden beschouwd (t.w. alle gebouwde onroerende goederen uit hun aard en de industriële uitrusting die uit hun aard onroerend zijn), maar ook de infrastructuurwerken (wegennet, kanalisatie, parkeerterrein, ...) én meer algemeen alle werken die vast met de grond verbonden zijn (wegen, spoorwegen, bruggen, verlichtingspalen, ... evenals een vast wegdek voor het laden, lossen, ...). Ook hier gaat het om een voorbeeld van een expliciete afwijking van het gemeen recht. Er kunnen zich wel moeilijkheden voordoen bij het feitelijk invullen ervan.

Het wordt echter (nog) moeilijker wanneer de fiscale wet op een impliciete wijze afwijkt van het gemeen recht. Een voorbeeld: de verdeling in het burgerlijk wetboek werkt declaratief (d.w.z. met terugwerkende kracht), en bij gebreke aan afwijkende fiscale wettekst zou men veronderstellen dat de terugwerkende kracht ook fiscaal doorwerkt. Het Hof van beroep te Antwerpen is evenwel van oordeel dat het fiscaal recht impliciet van dit burgerrechtelijk principe afwijkt (Antwerpen, 25 april 1989, F.J.F., 1989, 217).

Ook in de BTW-sfeer kan de fiscalist minder expliciete afwijkingen ontwaren, wat dan voornamelijk te maken heeft met het feit dat BTW een Europese belasting is, en dat elke actor in elke Lidstaat (en vanzelfsprekend ook de rechters) richtlijnconforme standpunten dient in te nemen.

De fiscale administratie is gehouden de beginselen van behoorlijk bestuur na te leven

Bij het vestigen van een aanslag beschikt de fiscale administratie over een gebonden bevoegdheid, die evenwel noodzakelijkerwijze gepaard gaat met een zekere beoordelingsvrijheid bij de controle/taxatie en de andere contacten die de fiscus met de belastingplichtige heeft. Bij dit alles is de fiscus gehouden door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Aanvankelijk werd het behoorlijk bestuur in hoofde van de fiscale administratie gezien als een pure toepassing van de leer van de overheidsaansprakelijkheid (gestoeld op artikel 1382-1382 Burgerlijk wetboek), maar gaandeweg is een zelfstandig leerstuk ontstaan dat uit een geheel van grondwettelijke beginselen voortvloeit, en gestoeld is op het bestuursrecht meer in het algemeen (zie o.m. V. DAUGINET en Y. LOIX, Over de schijnbaar moeilijke verzoening tussen de legaliteit en de rechtsbescherming tegen onbehoorlijk bestuur in de fiscaliteit, A.F.T. 2003, afl. 5, 234-246). De fiscus is, zoals elke andere overheid, in zijn contacten met de belastingplichtige gehouden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur na te leven; het fiscaal recht behoort immers tot het publiek recht.

Toch maakt het recht op rechtszekerheid volgens ons Hoogste Gerechtshof geen onbeperkt recht uit voor een belastingplichtige; meer zelfs, de rechtszekerheid dient wel eens te wijken voor het grondwettelijk legaliteitsbeginsel vervat in artikel 170 Grondwet, dat de rechtszekerheid en gelijkheid verzekert ten bate van de belastingplichtigen (Cass. 3 november 2000, F.J.F. nr. 2001/1 en 2001/91). Het vertrouwen van de burger ten overstaan van het overheidsoptreden moet op zijn minst rechtmatig zijn, zo preciseert het Hof van Cassatie (3 december 2004, Fiscoloog, 2005, nr. 966, 9). Dat is niet het geval wanneer de fiscus in het verleden de in het buitenland behaalde beroepsinkomsten van een belastingplichtige niet heeft opgespoord; daaruit kon de belastingplichtige niet het rechtmatige vertrouwen afleiden dat deze inkomsten in de toekomst onbelast zouden blijven.

De beginselen van behoorlijk bestuur dienen dan ook in de praktijk met de nodige omzichtigheid te worden ingeroepen, en kunnen niet te pas en ten onpas als een deus ex machina naar voor worden geschoven.

Als procedurele beginselen van behoorlijk bestuur worden beschouwd, de formele motiveringsplicht, de fair play (met inbegrip van het recht van verdediging, de hoor- en onpartijdigheidsplicht) en de formele zorgvuldigheidsplicht. Onder de noemer inhoudelijke beginselen vallen het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, de materiële motivering, de materiële zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidbeginsel.

Ondertussen gaan in de rechtsleer stemmen op dat ook de belastingplichtige-bestuurde zich behoorlijk dient te gedragen; het zou dan gaan om de beginselen van behoorlijk burgerschap (J. DE STAERCKE, Algemene beginselen van behoorlijk bestuur en behoorlijk burgerschap. Beginselen van de openbare dienst, Brugge, Vanden Broele, 2002).

De derden-theorie

Bij de vestiging van de belasting treedt de fiscus op als overheidsinstantie en is hij geen derde.

Bij de invordering van de belasting treedt de fiscus op als schuldeiser en geniet hij alle rechten die de wet aan derden toekent ter vrijwaring van hun belangen. Zo zal de ontvanger een pauliaanse of een zijdelingse vordering kunnen instellen (ex  artt. 1166 en 1167 BW), de datum van onderhandse akten kunnen verwerpen wanneer die niet vast is overeenkomstig artikel 1328 BW, ...

Publiekrechtelijke grondregels

Fiscaal recht is van openbare orde

De fiscaliteit raakt de wezenlijke belangen van de Staat en de maatschappij; fiscaal recht is dan ook van openbare orde.

Aan de wetten die de openbare orde raken, kan door bijzondere wetten geen afbreuk worden gedaan (cf. art. 6 BW). Men kan derhalve niet bij overeenkomst wijzigingen aan wettelijke bepalingen/verplichtingen inzake fiscaliteit. Wel kunnen partijen onderling overeenkomen wie de belastingschuld uiteindelijk zal dragen, maar dergelijke afspraken kunnen niet aan de fiscus worden tegengesteld.

Ten gevolge van het openbare orde-karakter is het ook niet toegelaten dat tussen de fiscus en de belastingplichtige akkoorden worden gesloten over rechtskwesties inzake belastingen; binnen zekere grenzen is dat wel mogelijk voor akkoorden over feiten (die aldus een vermoeden scheppen waardoor de bewijslast omkeert).

De fiscus mag niet afwijken van de wetsbepalingen betreffende de vestiging van belastingen, die van openbare orde zijn, en hij is in de regel niet gebonden door toezegging die de fiscus zou hebben gedaan met schending van regels die zoals fiscale bepalingen de openbare orde raken, behoudens indien aldus het rechtmatig opgewekt vertrouwen van de belastingplichtige zou geschaad zijn.

Het territorialiteitsbeginsel

Vreemd genoeg staat het territorialiteitsbeginsel niet in de Grondwet. Het is de emanatie van het publiekrechtelijk karakter van het fiscaal recht waardoor betrekkingen tussen de overheid en de burgers geregeld worden. Aangezien de belastingwetten van openbare orde zijn, verbinden zij allen die binnen het grondgebied wonen of er belangen hebben (art. 3 Burgerlijk wetboek).

Vooreerst kan het territorialiteitsbeginsel worden opgevat als de vertolking van het domiciliebegrip: het belastingrecht is van toepassing op iedereen die op het grondgebied woont of er gevestigd is. De begrippen rijksinwoner inzake inkomstenbelastingen maar ook inzake successierechten zijn hierop gestoeld.

Maar de territoriale binding kan ook betrekking hebben op de lokalisatie van de inkomstenbron (cf. de zogenaamde belasting niet-inwoners, denk maar aan de in het buitenland wonende atleet die de 100 meter loopt op de Memorial Van Damme, en hiervoor een dag of twee drie afreist naar België), van het belastbare goed (successierechten) of van de belastbare dienst of handeling (BTW).

In de praktijk is er maar één begrenzing aan het territorialiteitsbeginsel: de soevereine belastingheffende bevoegdheid van de andere Staten. Het is op dat vlak dat de Overeenkomsten tot vermijding van dubbele belastingen (de zogenaamde dubbelbelastingverdragen) zich situeren.

Dezelfde principes als hiervoor zijn in de regel van toepassing inzake provincie- en gemeentebelastingen, en evenzeer voor wat betreft de gemeenschappen en de gewesten.

Afdeling 5 - De algemene rechtsbeginselen
 
Algemene rechtsbeginselen zijn bepaalde niet geschreven regels die in een gegeven maatschappij aangenomen worden door de eenparigheid van de gemoederen (H. BEKAERT, Introduction à l'étude du droit, Brussel, 1964, nr. 175). Deze beginselen zijn ook in fiscalibus van toepassing. Een vijftal beginselen die relevant kan zijn, wordt hierna kort aangehaald.

Het recht van verdediging

Al onze fiscale deeltakken voorzien in een relatief uitgewerkte procedure, zodoende dat de belastingplichtige zich voldoende kan verdedigen ingeval van fiscale controle, onderzoek, supplementaire taxatie, etc. In de praktijk kan men wel vaststellen dat de ene controle- of inspectiedienst anders tewerk gaat dan een andere, wat een ongelijke behandeling kan uitmaken, maar dat is voornamelijk het gevolg van de discretionaire bevoegheid toegekend aan de betrokken ambtenaren. Vanuit de Centrale Administratie poogt men wel zoveel als mogelijk uniforme standpunten in te nemen (men denke maar aan het recente fenomeen van de 'data mining'), maar “op het veld” kan men nog steeds grote verschilpunten vaststellen. Het gaat dan niet, voor alle duidelijkheid, om ongrondwettelijke ongelijkheid (iets wat de belastingplichtige overigens niet goed begrijpt).

Inzake inkomstenbelastingen is de te volgen procedure het meest uitgewerkt; andere deeltakken (BTW, successierechten, ...) hinken wat achterop, maar in de praktijk kent men ook daar een - weliswaar niet dwingend voorziene - bezwaarprocedure. Eens voor de rechtbanken lopen alle procedures haast volkomen gelijk.

De belastingplichtige kan overigens sinds de jaren '90 van vorige eeuw zoals al gesteld gebruik maken van de Wet Motivering Bestuurshandelingen (1991), de Wet Openbaarheid Bestuur (1994) en de Wet Federale Ombudsman (1995), wat ongetwijfeld de rechten van verdediging ten goede komt.

Het recht op een onpartijdige en onafhankelijke rechter

Ook over deze rechten wordt goed gewaakt, zowel op het bestuursniveau (fase van de controle en wijziging van een aangifte, maar ook de bezwaarfase) als op het gerechtelijk niveau. Dat de ene ambtenaar of rechter een (licht) afwijkende visie heeft van een collega elders te lande, is nooit uit te sluiten. Het Hof van Cassatie tracht finaal tot uniform standpunten te komen. De praktijk wijst uit dat de fiscale Administratie zich niet steeds wenst neer te leggen bij de visie van ons Hoogste Gerechtshof, of de fiscale wetgever gaat al te snel tot een mogelijks ondoordachte wetswijziging over (cf. problematiek artikel 26 en 49 W.I.B. 1992).

Iedereen wordt verondersteld de wet te kennen

Hoewel onwetendheid inderdaad geen excuus is, toont de fiscale wetgever hiervoor soms wel begrip. Zo kan de fiscus afzien van het opleggen van administratieve sanctie wanneer de belastingplichtige ter goeder trouw is (art. 444 W.I.B. 1992).

Let op: niemand, ook de Koning niet, kan een belasting kwijtschelden of verminderen. Voor bepaalde administratieve sancties kan dat wel anders liggen, maar dan enkel indien de wetgever in deze mogelijkheid voorziet (zie bijv. hiervoor art. 444)

Vrijgevigheden van een schuldenaar kunnen de rechten van zijn schuldeisers niet benadelen.

Een belastingschuldige kan en mag zich niet onvermogend maken. Niet enkel beschikt de ontvanger over wapens als de zijdelingse vordering of de zogenaamde actio pauliana  (cf. artt. 1166 en 1167 BW), maar het zich bedrieglijk onvermogend maken, maakt een streng bestrafte strafrechtelijke inbreuk uit (art. 490bis Strafwetboek).

Veinzing of simulatie heeft tot gevolg dat de niet oprechte akte als onbestaande wordt beschouwd (Fraus omnia corrumpit)

Zie afdeling 2 hiervoor inzake Brepolsdoctrine en simulatie.

Naast voormelde vijf beginselen, bestaan er ook nog vermeende rechtsbeginselen, zoals:

Non bis in idem: blijft in fiscaliteit een vrome wens (men denke maar aan het bij artikel 81 van de Wet van 27 april 2007 gewijzigde artikel 26 W.I.B. 1992, al moet worden toegegeven dat het twee verschillende belastingplichtigen betreft)

Bijzaak volgt hoofdzaak: wordt soms wel, soms niet, in fiscaliteit toegepast (wel: als de BTW voor een advocaat een aftrekbare beroepskost uitmaakt, zullen de ermee verband houdende nalatigheidsinteresten of verhogingen ook aftrekbaar zijn; niet: het is niet omdat verhogingen of interesten kwijtgescholden worden, dat ook de eigenlijke belasting zelf kan kwijtgescholden worden).

Het principe van de economische werkelijkheid: volgens deze leer, die door de Brepols (en au Vieux St. Martin)-leer formeel wordt verworpen (zie afdeling 2 hiervoor), heeft de administratie het recht de economische werkelijkheid te belasten zonder zich te bekommeren om de juridische structuur welke aan de rechtshandeling gegeven werd; de leer van de economische werkelijkheid, die anders zou zijn dan de juridische realiteit, is strijdig met het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en wordt unaniem verworpen (Cass. 23 deceber 1993, J.D.F., 1994, 62).

Afdeling 6 - De bronnen van het fiscaal recht
 
Er kan worden verwezen naar de opsomming in het Fiscaal Compendium.

Merk wel op dat op grond van het legaliteitsbeginsel (art. 170 Grondwet - zie afdeling 2) de wet  de enige bron is waaruit belastingen kunnen ontstaan. Toch kan niet worden ontkend dat het fiscaal recht in het algemeen beïnvloed wordt door verschillende andere factoren - al dan niet juridisch - en derhalve uit verschillende bronnen inspiratie put.

Afdeling 7 - De interpretatie van fiscale wetten
 
Interpreteren wil zeggen 'uitleggen', 'verklaren' wat niet duidelijk is.

Het essentieel uitgangspunt bij interpretatie van wetteksten is derhalve de onduidelijkheid.

Een eerste regel is meteen gesteld: “wat duidelijk is mag niet geïnterpreteerd worden” (Cass. 11 december 1962, Pas. 1963, I, 455).

Tweede regel: indien toch moet geïnterpreteerd wordend, dan moet vooreerst uitgegaan worden van de tekst zelf; slechts indien de tekstuele interpretatie geen duidelijkheid brengt, mag overgestapt worden naar de historische of logistieke opbouw van de wet.

Derde regel: in het stadium van de tekstuele interpretatie wordt gezocht naar de juiste betekenis van de door de wetgever gebruikte woorden. Voor niet-typisch fiscale of juridische terminologie, moet worden teruggegrepen naar gezaghebbende woordenboeken. Bij tekstuele interpretatie moet steeds rekening worden gehouden met de context waarin het onduidelijk begrip is gesitueerd. De uitleg moet strikt bij de letter van de tekst blijven: niet te ruim (extensieve interpretatie) en niet te eng (restrictieve interpretatie). De strikte interpretatie is een logisch gevolg van het beginsel van de principiële belastingvrijdom.

Vierde regel: wanneer de tekstuele interpretatie geen uitkomst biedt, mag overgegaan worden naar de historische interpretatie. Hierbij wordt getracht de juiste betekenis van de wettekst te achterhalen vanuit de studie van de voorbereidende werken die de totstandkoming van de wet voorafgingen.

Vijfde regel: indien alsnog onduidelijkheid blijft bestaan na de tekstuele en de historische interpretatiefase, mag de twijfel opgelost worden in het voordeel van de belastingplichtige, indien het bezwarende bepaling betreft (“in dubio contra fiscum”). Artikel 170 Grondwet stelt immers dat geen belasting kan worden ingevoerd dan door een [duidelijke] wet. Gaat het daarentegen om een bevrijdende wettekst (een vrijstelling of vermindering), dan noopt artikel 182 Grondwet ons tot het omgekeerde besluit: de belastingplichtige krijgt dan het voordeel van de vrijstelling/vermindering niet, maar de fiscus gaat met het voordeel lopen en kan de vrijstelling/vermindering dus weigeren.

Wat absoluut verboden is: het legaliteitsbeginsel verzet zich tegen de uitbreiding van het strikte toepassingsgebied van fiscale wetten door analogische of teleologische interpretaties, waardoor in feite nieuwe belastbare materie zou worden geschapen. Ook uitlegging naar billijkheid is uit den boze.

Afdeling 8 - De bewijsvoering in fiscaal recht
 
Vragen over het bewijs, en meer in het bijzonder over de bewijslast, behoren tot de meest betwiste kwesties in de rechtbanken. Talrijke auteurs benadrukten al het praktische belang van het bewijs voor de uitoefening van het recht.

Vandaar komt dan ook de in de praktijk ontegensprekelijk juiste uitspraak 'Idem est non esse et non probare'. Het niet kunnen bewijzen van een recht, is hetzelfde  als het niet hebben van een recht.

'Bewijzen is het stellen van de handeling door één van de partijen waarbij zij haar overtuigingselementen aan de gevatte rechter voorlegt teneinde de waarachtigheid te bewijzen van een feit dat zij aanvoert en dat door de tegenpartij ontkend wordt.' (C. AUBRY en C. RAU, Cours de droit civil français, XII, Parijs, Marchal, 1978, § 749).

Uiteraard hoeft er niet steeds een rechter aan te pas te komen; een belastingplichtige kan ook trachten de fiscus te overtuigen, of omgekeerd. Waarschijnlijk zal de fiscale bemiddelaar, die in 2007 het levenslicht heeft gezien, hier een belangrijke rol kunnen spelen.

Het belang van het bewijs en de bewijsvoering in het fiscaal recht - welke deeltak dan ook - kan nauwelijks worden overschat.  Zelfs vooraleer er sprake is van enig geschil, zou de vraag naar de bewijskracht van welbepaalde documenten, attesten, stukken en geschriften kunnen worden gesteld. De belastingheffing geschiedt immers in algemene regel op grond van dergelijke bescheiden.

In geval van onenigheid of, op z'n zachtst uitgedrukt, verschil in interpretatie tussen de administratie en de belastingplichtige nopens de voorliggende stukken of bescheiden, zal de vraag naar de bewijskracht ervan zich des te scherper stellen, nog het scherpst eens de zaak voor de rechter wordt gebracht. Naast de schriftelijk uiteengezette argumentatie van beide partijen, beschikt de rechter immers slechts over de stukken die hem worden voorgebracht. Deze stukken vormen zijn enige raakpunt met wat zich voorheen heeft voorgedaan. De regels inzake de bewijslast zijn, net zoals in alle andere rechtstakken, de vormvoorschriften die de meeste invloed hebben op de uiteindelijke afloop van het geschil. Bovendien raken deze geschillen altijd de openbare orde en zijn de partijen ook geen gewone partijen: in het geschil staat de belastingplichtige telkens weer tegenover de overheid die over prerogatieven beschikt die het gemeen recht ver te buiten gaan, maar die eveneens bijzondere verplichtingen draagt. Dit heeft een weerslag op de bewijsregeling.

Dit verklaart waarom de problematiek van de bewijsvoering zich voornamelijk in de praktijk situeert in de geschillenfase, met dien verstande dat de geschillenfase inzake bewijsvoering een aanvang neemt vanaf de eerste controlewerkzaamheid.

De gezegende tijd dat de ingediende aangifte voor juist werd bevonden op grond van de eed die de belastingplichtige met de hand op de bijbel diende af te leggen, behoort ongetwijfeld tot het diepvoltooide verleden.

De begrippen bewijs en bewijsvoering zijn in het fiscaal recht onlosmakelijk verbonden met de grondwettelijke basisbeginselen van art. 170 en 172 van de Grondwet, met name het legaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel (zie afdeling 2 hiervoor).

Hierna zal dieper worden ingegaan op de wisselwerking tussen deze grondwettelijke basisbeginselen op het vlak van de bewijsvoering.

Er wordt nog even aan herinnerd dat geen belasting zal kunnen worden geheven dan door een wet en dat geen vrijstelling of vermindering zal kunnen worden ingeroepen dan op grond van een wet. Aldus zijn de grote bakens uitgezet om de verdere wisselwerking tussen bewijs en tegenbewijs dieper te analyseren. Een nadere analyse van de bewijsregels  en -last toont echter een veel genuanceerdere verdeling van bewijslast.

Het is onmiskenbaar zo dat de belastingplichtige in de regel het best geplaatst is om te bewijzen wat er in realiteit is gebeurd. Hij is immers (in tegenstelling tot de ambtenaar of de rechter) rechtstreeks betrokken partij geweest. Maar zelfs indien de belastingplichtige al de bewijslast zou moeten dragen omdat hij nu eenmaal het best geplaatst is om te bepalen hoeveel inkomsten hij in een bepaald belastbaar tijdperk heeft genoten, dan nog kan hem niet omwille van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel worden gevraagd het bewijs te leveren van het bedrag van de ontvangen inkomsten, maar wel van het feit dat hij niet meer inkomsten heeft ontvangen dan aangegeven. Een negatief bewijs dus... en dat kan van niemand worden verlangd.

Hoofdstuk  1  :  Vrij  bewijs  en  gereglementeerd  bewijs
 
De vraag kan worden gesteld of het leveren van het bewijs op om het even welke manier mag en kan, dan wel of het bewijs dient te worden geleverd volgens een welbepaalde methodiek.

In de eerste hypothese komt het erop neer de beslissende instantie te overtuigen van z'n gelijk.  Hiertoe kunnen alle, uiteraard wettelijke, middelen worden aangewend. Dit systeem van vrij bewijs wordt gevolgd in het strafrecht.

In de tweede hypothese, met name in het burgerlijk recht, dient het bewijs te worden geleverd volgens één van de vijf toegestane middelen die samen het bewijsinstrumentarium vormen : het geschrift, het bewijs door getuigen, de vermoedens, de bekentenis en de eed.

Dit is het systeem van het  gereglementeerd  bewijs.

Er bestaat een ruime consensus over het feit dat in het fiscaal strafrecht het systeem van het vrij bewijs van toepassing is.

Over de vraag of het belastingrecht buiten de penale sfeer beheerst wordt door het vrij bewijs dan wel het gereglementeerd bewijs, lopen de stellingen evenwel uiteen. Zo stelt Tiberghien (Inleiding tot het Belgisch Fiscaal Recht, Antwerpen, 1986, nr. 507, p. 340)  op grond van de overweging dat het gemeen recht het fiscaal recht beheerst (zie afdeling 4 hiervoor) dat het gereglementeerd bewijs toepasselijk is in het fiscaal recht. Claeys Bouuaert (Het bewijs in fiscale geschillen en de bewijsregeling van het Burgerlijk Wetboek, Fiskofoon 52, 1985, p. 41 e.v.) daarentegen poneert dat het vrij bewijs in het fiscaal recht moet kunnen worden toegepast.  Hij steunt zich hierbij op hetgeen in de praktijk gebeurt :“A priori zou men moeten zeggen dat het bewijs steeds vrij is, behalve wanneer de wet deze vrijheid beperkt.  Inderdaad, indien het bewijs te verstaan is als hetgeen de overtuiging van de rechter over een betwist feit meebrengt, kan men de rechter niet binden in de wijze waarop hij overtuigd zal kunnen worden. Dat het bewijs in fiscale zaken in principe vrij is, stemt inderdaad overeen met de algemeen toegepaste praktijk en schijnt overigens nooit betwist te zijn geweest.” Wij menen hierbij te moeten opmerken dat genoemde auteur zijn stelling baseert op arresten gewezen in strafzaken.

Deze discussie in de rechtsleer blijkt echter niet zo fundamenteel te zijn als op het eerste gezicht zou kunnen worden aangenomen.

Immers, zelfs indien men het systeem van de vrije bewijsvoering vooropstelt, zal de rechter op grond van welbepaalde bewijsmiddelen dienen te oordelen en niet op grond van een innige overtuiging, indruk of intuïtie.

Vandaar dat de studie van de bewijsmiddelen welke kunnen worden aangewend, in elk opzicht essentieel blijft.

Hoofdstuk  2  :  Bewijs  en  tegenbewijs
 
De bewijsvoering als dynamisch proces kan worden vergeleken met een duel, een steekspel waarbij de antagonisten hoofdbewijs en tegenbewijs tegen mekaar uitspelen. Het is een continu rollenpatroon dat zich kan blijven herhalen tot één van de opponenten geen weerwerk meer kan aanbieden.

Art. 1315 B.W. beschrijft in juridische taal dit steekspel : “Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen (hoofdbewijs). Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het teniet gaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht (tegenbewijs).”

Deze bepaling uit het burgerlijk wetboek is volledig in harmonie met de grondwettelijke basisbeginselen vervat in de voornoemde artikelen 170 en 172 van de Grondwet.  Immers, conform het legaliteitsbeginsel, zal de administratie het bewijs moeten leveren van een wet die haar toelaat de belasting te heffen en uiteraard van het belastbare feit. De administratie kan zich alleszins niet afschermen achter het vermoeden van wettelijkheid, ook wel “privilège du préalable” genoemd in vakjargon. Voormeld privilege geeft de administratie zonder twijfel het recht om haar beslissing te doen uitvoeren zolang deze niet wordt betwist, en zelfs wanneer zij wel wordt betwist, maar hieruit mag niet worden afgeleid dat de administratie het bewijs zou hebben geleverd van de feiten waarop zij steunt. M.a.w., ondanks het privilége du préalable en de onmiddellijk uitvoerende kracht, kan er geen sprake zijn van een omkering van bewijslast in het voordeel van de administratie (M.A. FLAMME, Droit administratif, t. I, Bruylant, 1989, p. 10).

Niettegenstaande het feit dat de belastingplichtige (in haast alle fiscale takken) als eiser zal kwalificeren, hoort het derhalve aan de administratie om het bewijs te leveren van de feiten waarop haar rechtshandeling steunt, aangezien het de administratie is die ten gronde de uitvoering van de rechtshandeling vraagt. Het fiscale geschil is en blijft immers op de eerste plaats een geschil tussen een partij die beweert een schuldeiser te zijn en een andere partij die ontkent een schuldenaar te zijn. Het feit dat de betrokken schuld een belastingschuld is, is slechts bijkomstig aan deze essentiële vaststelling. Uit de eenheid van het recht en in het bijzonder uit het ontbreken van de vaststelling van het principe van de autonomie van het fiscaal recht, tenzij in enkele disparate en afwijkende bepalingen, volgt dat dit geschil in de eerste plaats beheerst wordt door de regels van het gemeen recht, die de grondslag van ons rechtssysteem vormen. Deze aanpak van het bewijsprobleem is logisch en rechtvaardig: er is geen enkele reden waarom het meer of minder gemakkelijk zou moeten zijn om het bewijs te leveren van een schuld wanneer de schuldeiser de Staat is en deze schuld een fiscale schuld is.

De loutere betwisting van de rechtshandeling door de belastingplichtige heeft tot gevolg dat die handeling, die tot op dat ogenblik genoot van het vermoeden van wettigheid, geacht wordt onwettig te zijn. Het is dan aan de administratie om het vermoeden van onwettigheid te weerleggen.

De belastingplichtige daarentegen zal conform het gelijkheidsbeginsel, het bewijs moeten leveren dat hij de belasting niet verschuldigd is of dat hij onder een vrijstellings- of verminderingsbepaling valt.

Het kan niet genoeg worden benadrukt hoe de fiscale grondwettelijke basisbeginselen perfect in harmonie staan tot de principes vervat in het Burgerlijk wetboek. Meer nog, zelfs de zo vaak gebruikte (en misbruikte) spreuken zoals “In dubio contra fiscum” kaderen volkomen in wat hierboven wordt gesteld.

Inderdaad, wanneer de belastingplichtige zich wenst te beroepen op een vrijstelling of vermindering van belasting, zal hij zich moeten kunnen steunen op een (duidelijke) wettekst.

Zo vormt art. 1315, tweede lid B.W. het verlengstuk van art. 172 van de Grondwet. M.a.w., als de belastingplichtige er niet in slaagt zijn recht op een vrijstelling of vermindering te bewijzen, geniet de fiscus het voordeel van de twijfel, en zal de fiscus de vrijstelling/vermindering kunnen verwerpen.

Anderzijds zal bij gebreke aan een (duidelijke) wettekst om tot taxatie over te gaan niet voldaan zijn aan de grondwettelijke eis van art. 170 van de Grondwet en evenmin aan het bepaalde in art. 1315 B.W. en kan de fiscus niet taxeren.

In het kader van het bewijs is naast artikel 1315 B.W. ook artikel 870 Ger.W., dat een bredere draagwijdte heeft, van belang. Artikel 870 Ger.W. bepaalt immers dat “iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert”. Hoewel beide wetsartikelen in dezelfde lijn liggen (iedere partij moet het bewijs leveren van hetgeen ze beweert), is er tussen beiden een belangrijk tekstueel verschil: in artikel 870 Ger.W. wordt immers uitdrukkelijk het begrip “aanvoeren” gebruikt, waardoor onmiddellijk de vraag naar de aanvoeringslast aan de orde is. Pas wanneer er daarna een betwisting ontstaat over de door de partijen aangevoerde feiten, moet de vraag naar de bewijslast worden gesteld. Bijgevolg zal de vraag naar de bewijslast enkel rijzen wanneer geen van beide partijen het door haar aangevoerde feit bewijst. Wie draagt dan het risico wanneer de aangevoerde feiten niet bewezen zijn? Op basis van art. 870 Ger. W. kan hierop geen antwoord worden gegeven. Dat is natuurlijk ook niet de draagwijdte van artikel 870 Ger. W. Dit artikel wil integendeel bevestigen dat 'een toestand die bestaat of in de loop van het geding verworven is, bewezen wordt geacht en dat hij die hem wil aantasten, zijn beweringen moet bewijzen' (C. VAN REEPHINGEN, 'Verslag inzake de gerechtelijke hervorming', B.S. 1964, p. 329 met verwijzing naar H. DE PAGE,  Traité, III, nr. 726).

Hoofdstuk 3 : Bij wie berust nu de bewijslast?
 
Eerst en vooral zijn de regels betreffende de bewijslast uit artikel 1315 B.W. en 870 Ger. W. strikte regels: zij zijn zeker niet louter richtlijnen voor de rechter, maar regels die bepalen welke partij de bewijslast moet dragen en die dus bepalen welke vordering afgewezen zal worden wanneer die partij er niet in slaagt om het vereiste bewijs aan te brengen.

In dat opzicht moet de eiser, zijnde de partij die op grond van een wettelijke bepaling zijn recht doet gelden, de bewijslast dragen, ongeacht zijn situatie.

Wanneer een partij zich op een andere wettelijke bepaling moet beroepen om haar rechten te doen gelden, wordt die partij eiser op exceptie.

De partij die de bewijslast draagt, moet het bewijs leveren van alle elementen die aan de basis van haar recht liggen. Hierop bestaan geen uitzonderingen, tenzij de andere partij dat recht erkent.

Inzake die bewijslast wordt geenzins rekening gehouden met het feit dat de ene partij het bewijs gemakkelijker kan leveren dan de andere partij.

Voor elk van de rechtscreërende bestanddelen moeten de regels van het bewijs strikt worden toegepast. Het is niet toegelaten de bewijslast te verschuiven: de feiten die de rechtscreërende bestanddelen van het recht vormen, moeten bewezen worden. Het bewijs van naburige feiten volstaat niet.

Het bewijs moet ook geen betrekking hebben op de loutere waarschijnlijkheid van wat aangevoerd wordt, maar op de feiten die de rechtscreërende bestanddelen vormen zelf.

Hierbij doet het weinig ter zake dat het bewijs door één van de partijen onmogelijk of moeilijk kan worden geleverd: van zodra zij het bewijs niet kan leveren van de feiten waarvoor de bewijslast op haar rust, moet haar vordering of tegenvordering afgewezen worden.

Deze regels moeten in het fiscaal recht ook op deze manier worden toegepast, tenzij de wet hiervoor uitdrukkelijk een uitzondering voorziet. Het Hof van Cassatie heeft al meermaals gesteld dat de burgerrechtelijke beginselen in het fiscaal recht van toepassing zijn zolang er niet van wordt afgeweken; dat ze toepassing vinden inzake de registratierechten, zelfs indien de registratie op een burgerrechtelijk fictie steunt (Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, p. 218).

Het loutere feit dat de fiscus in de zaak betrokken is, laat dus niet toe af te wijken van de regels inzake de bewijslast, die bijgevolg in alle rechtstakken toepasselijk zijn.

Hoofdstuk  4  :  Specifieke fiscale  bepalingen
 
Specifieke bewijsregels kunnen worden teruggevonden in de verschillende fiscale wetboeken. Deze dienen samen met de gemeenrechtelijke bewijsregels (zie hiervoor) te worden toegepast.

Wetboek inkomstenbelastingen: In het Wetboek Inkomstenbelastingen kan men het gros van de bewijsregels terugvinden in de artikelen 339 ev. W.I.B. 1992. Opmerkelijk is dat de uitdrukkelijke verwijzing door het fiscaal recht, meer bepaald artikel 340 W.I.B. 1992, naar de bewijsmiddelen van gemeen recht, eigenaardig genoeg beperkt blijft tot de bewijsmiddelen waarover de administratie beschikt.

Artikel 339 vat in een eerste lid aan met te stellen dat de aangifte wordt onderzocht en de aanslag gevestigd door de administratie, die als grondslag neemt de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij zij die onjuist vindt. “Onjuist vinden” is wat ongelukkig uitgedrukt; het is evident dat de administratie moet aantonen op welke vlakken de aangifte (als er een was) onjuist is. De wil van de wetgever om de bewijslast bij de administratie te leggen, kan duidelijk teruggevonden worden in de voorbereidende werken van de Wet van 29 oktober 1919, waarin het systeem van de globale aangifte van inkomsten voor het eerst werd ingevoerd (J. WILMART, Overwegingen in verband met de ontleding en de verschuiving van het bewijs in het fiscaal recht, Bull. Bel., 1961, p. 1322).

Het is echter niet correct om hieruit af te leiden dat de aangifte een vermoeden van juistheid geniet. Inzake beroepsverliezen en beroepskosten moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de werkelijkheid en het bedrag hiervan. Bijgevolg is het onjuist te stellen dat de hele aangifte van een vermoeden van juistheid geniet.

Hoogstens kan men beweren dat het vermoeden van juistheid van de aangifte betrekking heeft op de aangegeven inkomsten en niet op de aftrekbare kosten en verliezen (Luik 2 december 1998, F.J.F. nr. 99/15, p. 34).

Ook artikel 340 W.I.B. 1992 bepaalt in niet mis te verstane bewoordingen dat “ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld, de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen kan aanvoeren met uitzondering van de eed”. Hoewel voormeld artikel 340 het heeft over de bewijslevering, vooronderstelt dit wel dat de bewijslast dan ook normaal gezien op de administratie rust (zie in dit verband ook Cass. 25 januari 1993, F.J.F. 95/134, waarin werd bevestigd dat de administratie het bewijs moet leveren van alle niet-aangegeven inkomsten wanneer de belastingplichtige binnen de wettelijke termijn zijn aangifte heeft ingediend).

De betekenis van de beginselen uit de artt. 339 en 340 W.I.B. 1992 is niet meer dan de bevestiging van de toepassing in het fiscaal recht van het adagium 'actori incumbit probatio', zoals dat in de artt. 1315 B.W. en 870 Ger. W. bekrachtigd wordt.

Op grond van dit beginsel moet de administratie normalerwijze de verschuldigdheid van de gevorderde belasting aantonen. Net zoals iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert (art. 870 Ger. W.), moet de administratie dus het bewijs leveren van het bestaan van de inkomsten wanneer zij aanvoert dat de belastingplichtige inkomsten heeft behaald. Als de inkomsten reeds in de belastingaangifte opgenomen waren, vormt de aangifte het bewijs. Wanneer dat niet het geval is, zal de fiscus het bewijs moeten leveren. Wanneer de belastingplichtige daarentegen aanvoert dat hij recht heeft op een belastingaftrek, zal hij het bewijs moeten leveren van de kosten die hij wil aftrekken, zonder dat hij zich kan beroepen op het zogenaamde vermoeden van de juistheid van de aangifte.

Hiermee is voldoende aangetoond dat er in werkelijkheid geen vermoeden van juistheid aan de aangifte kleeft. De aangifte - en meer bepaald de elementen die erin vermeld staan in het voordeel van de belastingplichtige - wordt niet geacht juist te zijn.

Dat vermoeden heeft trouwens geen enkel nut. De belastingplichtige draagt de bewijslast niet en is geenzins gehouden zich te beroepen op een -zelfs wettelijk- vermoeden om zijn beweringen te ondersteunen. Voor hem is het bijgevolg niet nodig dat zijn aangifte wordt vermoed juist te zijn: vermits hij de inkomsten niet moet bewijzen, is het overbodig dat de door hem aangegeven inkomsten geacht worden juist te zijn. Vermits de belastingplichtige de bewijslast niet draagt, moet hij niet eens beroep doen op een onbestaand vermoeden van juistheid van de aangifte.

Over de bewijsmiddelen van de belastingplichtige wordt in het Wetboek inkomstenbelastingen niets gezegd.

In verwijzing naar wat hoger werd gesteld, kunnen wij poneren dat het gemeen recht het bewijsmiddelenarsenaal biedt waarover ook de belastingplichtige kan beschikken.

De uitdrukkelijke uitsluiting van de eed als bewijsmiddel vergt weinig of geen commentaar.

Indirecte belastingen, zoals BTW, successierechten, registratierechten:

Specifieke bewijsregels zijn (o.m.) voorzien in artikel 59 BTW-wetboek, artikel 105 W.Succ. en artikel 185 W.Reg. Daarnaast omvatten deze wetboeken nog een heel aantal her en der verspreide regels, die eveneens onder de noemer bewijsregels ressorteren.

Inzake BTW is er geen enkele bepaling die de bewijslast uitdrukkelijk regelt. Toch wordt het algemeen beginsel vervat in artikel 870 Gerechtelijk Wetboek op weliswaar impliciete wijze bevestigd door artikel 59, §1 W.B.T.W.: “... de feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, (kunnen) door de administratie (...) worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën”. Het gaat om een met artikel 340 W.I.B. 1992 vergelijkbare bepaling, waarin eveneens bepaald wordt hoe de administratie het bewijs kan leveren, waaruit dan kan worden afgeleid dat het de administratie is die de bewijslast heeft. Eenzelfde redenering kan worden gemaakt bij de lezing van artikel 185 W.Reg. en artikel 105 W.Succ.: wanneer de administratie de betaling van een belasting wil vorderen en zij dus verplicht is beroep te doen op de wettelijke bepalingen die de belasting opleggen, dan moet zij bepaalde feiten aanvoeren en bewijzen.

Merk op dat artikel 59 BTW-wetboek een bijzonder bewijskracht toekent aan processen-verbaal. In lid 2 staat te lezen dat processen-verbaal bewijs opleveren zolang het tegendeel niet bewezen is. Het verdient aanbeveling dergelijk tegenbewijs spoedig na ontvangst van het proces-verbaal te leveren, wil men als belastingplichtige zijn volledige geloofwaardigheid behouden.

Wanneer de belastingplichtige de terugbetaling van een belasting vordert of wanneer hij wil genieten van een belastingvermindering, het verlaagd tarief, een fiscale incentive of aftrekpost, of van een vrijstelling die in het wetboek is voorzien, dan rusten de aanvoeringslast en de bewijslast van de betrokken feiten bij de belastingplichtige.

Besluit: Op de concrete vraag wie nu wat moet bewijzen, kan in fiscale materies geen eenduidig antwoord worden gegeven. Men zal de (structuur van de) concrete wettekst moeten analyseren, zodoende dat men kan nagaan wie op welk ogenblik een welbepaald bewijs moet leveren. Een mooi voorbeeld van wisselwerking, kan worden gevonden in artikel 215 W.I.B. 1992, dat het heeft over de tarieven in de Vennootschapsbelasting.

Het algemene tarief wordt bepaald op 33 % (plus ACB = 33,99%)(art. 215, lid 1 W.I.B. 1992).

De belastingplichtige-vennootschap kan evenwel genieten van een verlaagd tarief, maar dan moet zij aantonen dat haar belastbaar inkomen niet meer bedraagt dan 322.500 euro (art. 215,  lid 2).

Maar de fiscus kan het verlaagde tarief ontzeggen indien een of meer van de voorwaarden van artikel 215, lid 3 is vervuld. Zo zal de fiscus het verlaagde tarief kunnen weigeren indien de fiscus aantoont dat een dividenduitkering werd uitgekeerd die hoger is dan 13 % van het gestorte kapitaal (cf. artikel 215, lid 3, 3°) of wanneer de fiscus kan bewijzen dat het gaat om een vennootschap waarvan de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen (cf. artikel 215, lid 3, 2°). Maar hoe moet/kan de fiscus dergelijk bewijs leveren als er elk jaar maar twee van de duizend aandelen naar de algemene vergadering gaan? Of mag de fiscus dan vereisen dat de belastingplichtige aantoont dat minstens de helft van de aandelen in handen van natuurlijke personen is? Of wordt daardoor de bewijslast ten onrechte omgekeerd?

Hoofdstuk  5  :  Het  geschrift
 
Het schriftelijk bewijs wordt in het B.W. behandeld in de art. 1317 tot 1340. Traditioneel wordt het geschrift beschouwd als het zekerste bewijs, als het meest waardevolle.

Mutatis mutandis kunnen ook hier de bepalingen die betrekking hebben op de bewijsregeling inzake verbintenissen worden getransponeerd naar het fiscaal recht.

Overigens niet alleen de echte overeenkomsten worden beschouwd als geschriften, ook andere akten of stukken kunnen bewijskrachtige geschriften uitmaken. Wij denken hier aan aangiften, balansen, boekhoudingen, ...

Het weze nu reeds benadrukt dat in principe de bewijskracht van een onderhandse akte evenwaardig is aan de bewijskracht van een authentieke akte behoudens de in de wet voorziene uitzonderingen.

Het is evident dat met de voorlegging van een geschrift de bewijsvoering niet ten einde is.  Het geschrift zal door de tegenpartij kunnen worden weerlegd, kunnen worden betwist. Zo zal een fiche 281.10 die is opgemaakt door de werkgever, slechts voor de werknemer een te verifiëren stuk uitmaken. Het is immers een stuk dat uitgaat van een derde. Het heeft wel een zekere bewijswaarde, maar zeker geen absolute.

Slechts in de mate dat het geschrift tussen de ondertekenende partijen of in hoofde van de eenzijdige opsteller ervan oprecht en geloofwaardig is, zal het ook die oprechtheid, die geloofwaardigheid, m.a.w. de bewijskracht kunnen behouden ten overstaan van derden.

Derden kunnen inderdaad het geschrift betwisten zowel inzake zijn morele als inzake zijn materiële inhoud. 

De morele inhoud van het geschrift betwisten, betekent de oprechtheid ervan betwisten en simulatie of veinzing inroepen (zie ook reeds afdeling 2). Hierbij zal het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit” (zie ook reeds afdeling 5) kunnen worden gehanteerd om het geschrift als onbestaande uit de debatten te weren.

Het materieel element van het geschrift dat kan betwist worden, heeft betrekking bijvoorbeeld op de handtekening of op het feit dat een geschrift niet gehandtekend is, niet identificeerbaar is (aantekeningen op documenten die geen melding van oorsprong bevatten).

Hoofdstuk  6  :  De  getuigenis
 
Het getuigenverhoor is en blijft tot op vandaag bijzonder schaars in het fiscaal recht.  Toch voorziet het W.I.B. 1992 uitdrukkelijk in de mogelijkheid om over te gaan tot een getuigenverhoor, meer bepaald in de artikelen 322 ev.
Wanneer een getuigenis wordt afgelegd, zal die getuigenis enkel als bewijselement kunnen worden weerhouden indien de getuige zaken verklaart die hij zelf heeft gezien en/of gehoord.

Getuigenissen “van horen zeggen” zijn geen getuigenissen in de juridische betekenis van het woord; dergelijke verklaringen stemmen eerder overeen met het begrip algemene bekendheid.

Bijzonder relevant voor de praktijk is de vraag of een getuige  moet  getuigen dan wel mag weigeren te getuigen.

Indien de persoon die wordt opgeroepen om te getuigen gebonden is door een beroepsgeheim (Gerechtelijk Wetboek art. 929), is de zaak wettelijk geregeld. Bij ontstentenis van beroepsgeheim, zal een confidentialiteitsverplichting of zwijgplicht onvoldoende zijn om te weigeren de getuigenis af te leggen.

Hoofdstuk  7  :  De  bekentenis
 
De bekentenis wordt geregeld door de artikelen 1354 e.v. B.W.

Essentieel voor het goede begrip is dat de bekentenis als bewijsinstrument de wil impliceert in hoofde van diegene die bekent, om aan de tegenpartij een bewijs te leveren.

Bij de bekentenis is er dus een intentioneel element dat van wezenlijk belang is.  Alleen indien diegene die de bekentenis heeft afgelegd de bedoeling had door zijn verklaring aan de tegenpartij een bewijs te geven tegen zichzelf, zal er sprake kunnen zijn van een bewijs door bekentenis (Cass. 23 april 1971, Pas. 1971, 755).

Het weze nu reeds aangestipt dat in deze zin noch een aangifte, noch een boekhouding, noch een jaarrekening bekentenissen zijn.

Akkoorden tussen de administratie en de belastingplichtige afgesloten bij controlewerkzaamheden zijn evenmin bekentenissen (Cass. 2 december 1976, Pas. 1977, 378).

Het Burgerlijk wetboek maakt een onderscheid tussen buitengerechtelijke bekentenissen en gerechtelijke bekentenissen.  Dit onderscheid is voornamelijk van belang met betrekking tot de vraag of op een afgelegde bekentenis kan worden teruggekomen.

In fiscalibus kunnen we de gerechtelijke bekentenis niet in de taxatie- en bezwaarfase aangezien de fiscale ambtenaren steeds als uitvoerende macht optreden (en dus niet als gerechtelijke macht).

De gerechtelijke bekentenis is definitief.  Zij kan niet herroepen worden tenzij diegene die de bekentenis heeft afgelegd nadien een dwaling omtrent de feiten kan bewijzen.

Over het al dan niet definitieve karakter van buitengerechtelijke bekentenissen, met andere woorden bekentenissen tijdens controlewerkzaamheden afgelegd, kan geen algemene regel worden aangehouden.  Hierbij zal van dossier tot dossier moeten worden nagegaan of de bekentenis van dien aard is dat zij als definitief kan worden beschouwd.  Hierbij zal de preciesheid van de bekentenis, zal de omschrijving van de feiten, zullen de omstandigheden waarin de bekentenis werd afgelegd (afgedwongen) van doorslaggevende aard zijn en aan de soevereine beoordeling van de feitenrechter dienen te worden onderworpen.

Een bijzonder moeilijk probleem voor de praktijk wordt gesteld door de vraag of een bekentenis afgelegd door een belastingplichtige kan worden ingeroepen tegen andere belastingplichtigen. 

Een toepassing van deze problematiek vinden wij relatief vaak in de praktijk wanneer bij overdrachten van onroerende goederen door de ontvangers van registratierechten berichten van tekortschattingen worden verzonden.

Deze berichten worden verzonden naar de koper en meer dan eens blijkt uit de negotiaties tussen de ontvanger en de koper dat de koper geneigd is om te “bekennen” dat een hogere waarde dient te worden weerhouden dan de in de akte aangeduide prijs, om te ontsnappen aan hogere boetes.  Dit betekent voor de verkoper desgevallend een aanslag in de personenbelasting over de verwezenlijkte meerwaarden.  De vraag kan worden gesteld in hoeverre de “bekentenis” van de koper zonder meer kan worden gehanteerd als bewijs van de verwezenlijkte meerwaarde in hoofde van de verkoper.

Tenslotte dient de aandacht te worden gevestigd op het feit dat de mandataris van de belastingplichtige onmogelijk bekentenissen kan afleggen voor rekening van de belastingplichtige tenzij hij daartoe specifiek gemandateerd werd (art. 1988 B.W.).

Een algemeen mandaat om de belastingplichtige te vertegenwoordigen voor de belastingadministratie impliceert dus duidelijk geen bevoegdheid tot het afleggen van bekentenissen.

In een noot onder een arrest van 3 juli 1956, bemerkte procureur-generaal Hayoit de Termicourt aldus dat de 'uitdrukking bekentenis onjuist is als men daaraan de betekenis geeft van een bekentenis die een volledig bewijs oplevert tegen hem die de bekentenis heeft gedaan'.

Artikel 1356 B.W. is niet van toepassing in materies die de openbare orde raken of , beter gezegd, wanneer de bekentenis betrekking heeft op een recht waaraan niet kan worden verzaakt omdat dat recht gegrond is op bepalingen die de openbare orde raken (noot onder Cass. 3 juli 1956, Pas. 1956, p. 1236).

Deze opvatting strookt met de leer van DE PAGE, volgens dewelke de bekentenis in het algemeen niet toegelaten is voor zaken waarover men op grond van de wet niet mag beschikken of die niet het voorwerp mogen uitmaken van een dading (H. DE PAGE, T. III, nr. 1016).

Deze regel wordt uitdrukkelijk bevestigd in een arrest van het Hof van Cassatie van 2 december 1976: 'de belastingplichtige, die tijdens het onderzoek van zijn bezwaarschrift, akkoord gaat met het bedrag dat de administratie wil belasten, doet geen bekentenis in de zin van de artikelen 1354 tot 1356 van het B.W.' (Cass. 2 december 1976, Arr. Cass. 1977, I, p. 383).

Hoewel dit arrest betrekking had op een akkoord van de belastingplichtige dat tijdens de behandeling van zijn bezwaarschrift gesloten werd, impliceert het dat geen enkele erkenning van de belastingplichtige, op welk moment dan ook als een bekentenis mag worden omschreven in de betekenis van de bovenvermelde artikelen van het B.W. Dit volgt uit het openbare orde-karakter van het fiscaal recht en uit het feit dat de belastingplichtige niet met een bekentenis kan afzien van zijn recht om overeenkomstig de wet te worden belast, zoals gewaarborgd in artikel 170 van de Grondwet.

De belastingplichtige kan natuurlijk wel een feit erkennen. Dit kan dan echter niet beschouwd worden als een bekentenis in de zin van het B.W., het is een loutere erkenning. Het is met andere woorden slechts een bekend feit dat als grondslag van een vermoeden van de administratie kan dienen. Dat vermoeden heeft vanzelfsprekend een grotere geloofwaardigheid, aangezien de verklaring van de belastingplichtige zelf uitgaat.

Misschien veiligheidshalve elke briefwisseling met de fiscus aanvangen of beëindigen met de woorden “onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige bekentenis”?

Hoofdstuk  8  :  Het  vermoeden
 
Het vermoeden of de vermoedens vormen ongetwijfeld de meest frequent aangewende bewijsmiddelen in het fiscaal recht. Het vermoeden is geregeld in de artikelen 1349 tot 1353 B.W. Gezien het belang van vermoedens in de rechtspraktijk, worden hieronder de artikelen weergegeven.

Artikel 1349: Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Artikel 1350: Een wettelijk vermoeden is het vermoeden dat door een bijzondere wetsbepaling met zekere handelingen of met zekere feiten verbonden is ;

zodanig zijn :

1°  De handelingen die de wet nietig verklaart, omdat zij uit hun aard zelf vermoed worden te zijn verricht om wetsbepalingen te ontduiken ;
2°  De gevallen waarin de wet de eigendom of de bevrijding van schuld uit zekere bepaalde omstandigheden afleidt ;
3°  Het gezag dat de wet aan het rechterlijk gewijsde toekent ;
4°  De kracht die de wet aan de bekentenis of aan de eed van partijen toekent.


Artikel 1352:  Het wettelijk vermoeden ontslaat degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs.

Geen bewijs wordt tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent de gerechtelijke eed en de gerechtelijke bekentenis zal worden bepaald.

Artikel 1353: Vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, worden overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen, en zulks alleen in de gevallen waarin de wet het bewijs door getuigen toelaat, behalve wanneer tegen een handeling uit hoofde van arglist of bedrog wordt opgekomen.

De wet onderscheidt derhalve twee soorten vermoedens.

Een eerste soort zijn de vermoedens van de mens of feitelijke vermoedens  waarbij, vertrekkend van een vast en zeker feit A door logische redenering kan geconcludeerd worden tot het vast en zeker zijn van een feit B dat tot dan nog niet voor bewezen kon worden gehouden. Men denke hierbij aan het lesvoorbeeld van de Brugse koetsier die maar de helft van zijn ritjes in zijn boekhouding opnam. Essentieel hierbij is dat het bewijs door vermoedens steunt op logische, deductieve redeneringen waarvan de major (het vertrekpunt) een vast, zeker en onbetwistbaar feit is.  Feitelijke vermoedens hebben dus totaal niets te maken met indrukken, persoonlijke overtuigingen, aanvoelen, feeling, intuïtie, ...

Wanneer de fiscus een persoon langs een deur een kamer ziet binnenwandelen, dan is er een feitelijk vermoeden dat deze persoon zich in deze kamer bevindt. Uit het feit dat deze persoon echter niet langs dezelfde deur naar buitenkomt, mag niet afgeleid worden dat hij zich nog steeds in de kamer bevindt. Hij kan immers langs een andere, niet bekende deur  naar buiten gegaan zijn. Dit is bijgevolg geen vast en zeker feit waaruit een vermoeden mag afgeleid worden.

Bij de vermoedens die ingesteld zijn door de wet, de wettelijke vermoedens, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen wettelijke vermoedens die geen tegenbewijs dulden en wettelijke vermoedens waartegen wel een tegenbewijs is toegelaten. Een schoolvoorbeeld van een wettelijk vermoeden in de fiscaliteit kan gevonden worden in artikel 341 W.I.B. 1992, dat de fiscus de mogelijkheid geeft om een belastingplichtige indiciair te belasten, wanneer uit zijn leefomstandigheden en uitgavenpatroon “een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten”.

De onweerlegbare wettelijke vermoedens zijn de vermoedens juris et de jure.

De weerlegbare wettelijke vermoedens zijn de vermoedens juris tantum. Het wettelijk vermoeden vervat in artikel 341 (tekenen en indiciën) is een weerlegbaar vermoeden.

Bij wettelijke vermoedens is het de wet zelf die de redenering maakt en verplicht voorschrijft.

De vermoedens juris tantum kunnen worden weerlegd.  Dit tegenbewijs mag op alle mogelijke manieren worden geleverd met uitsluiting van de eed.  Zo is het mogelijk een wettelijk vermoeden juris tantum te weerleggen door een feitelijk vermoeden.

De vermoedens juris et de jure zijn onweerlegbaar in die zin dat wanneer de major en de minor in de wet vervat, zich voordoen, de conclusio zich opdringt.  Het blijft echter mogelijk om de major (het vertrekpunt van het wettelijk vermoeden) te weerleggen indien die major niet vast en zeker zou zijn.

 



20-11-17 Conforme factuur is geen voorwaarde voor BTW-aftrek
De fiscus vond ooit dat fouten op de factuur een voldoende reden zijn om de BTW-aftrek te verwerpen.....lees meer
 
18-11-17 Lager KMO-tarief, maar niet noodzakelijk voor huidige KMO’s
De regering is het eens geworden over alle details van de hervorming van de vennootschapsbelasting....lees meer
 
17-11-17 Privégebruik van computer of smartphone wordt minder zwaar belast
De fiscus houdt rekening met de realiteit dat elektronica de laatste jaren heel wat goedkoper geworden is. ....lees meer
 
03-11-17 Ook managementvennootschap mag winst maken
De fiscus staat vaak wantrouwig tegenover de oprichting van een managementvennootschap. In een recent geval dacht de fiscus daar alle reden toe te hebben.....lees meer
 
website door webalive