nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Hof van Beroep Gent smoort aanslag fiscus op privépatrimonium van belastingplichtige in de kiem.
 
Inleiding
 
In een recent arrest van het Hof van Beroep te Gent van 20 mei 2008 buigt het Hof zich over een geschil tussen een belastingplichtige en de administratie omtrent de intresten op een spaarrekening, waarop de belastingplichtige gelden uit beroepsinkomsten had staan en waarvan hij sporadisch leveranciers betaalde. De rechtsvraag waar het Hof zich dient over uit te spreken is of de administratie die intresten in toepassing van artikel 37 WIB 92 al dan niet als beroepsinkomsten kan belasten in de personenbelasting?

Feiten
 
Een belastingplichtige, apotheker, had een spaarrekening waarop  voor de bestreden inkomstenjaren gelden uit beroepsinkomsten van vorige inkomstenjaren stonden en waarop hij zijn kasontvangsten stortte.  Sporadisch betaalde hij hiervan ook zijn leveranciers.

De administratie was van oordeel dat de intresten op deze spaarrekening in toepassing van artikel 37 WIB 92 beroepsinkomsten waren, aangezien volgens haar deze rekening hoofdzakelijk  beroepsmatig werd aangewend. Het bezwaar tegen de aanslagen in de personenbelasting werd afgewezen bij beslissing van de Gewestelijk Directeur der Directe Belastingen waarop de belastingplichtige deze beslissing bestreed voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge.

De Rechtbank volgde het standpunt van de administratie en oordeelde in haar vonnis van 4 juni 2007 dat de sommen die op de rekening stonden dienden te worden weerhouden als belastbaar bedrijfsinkomen. Hierop stelde belastingplichtige hoger beroep in tegen het vermelde vonnis.

Arrest  van het Hof van Beroep
 
In haar motivering verwijst het Hof in eerste instantie naar artikel 37, lid 1 WIB 92 dat bepaalt dat: onverminderd de toepassing van de voorheffingen, inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomen worden aangemerkt wanneer die goederen of kapitalen worden gebruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten.

Het Hof stelt vervolgens duidelijk dat de administratie de bewijslast draagt om aan te tonen dat die kapitalen worden aangewend voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van belastingplichtige.

Volgens de administratie werd de betrokken rekening hoofdzakelijk beroepsmatig aangewend  daar het leeuwenaandeel van de aangroei aan de ene kant en de afnamen aan de andere kant bestonden uit gestorte kasontvangsten en de betaling van leveranciers. Bijgevolg zouden de intresten op die rekening te beschouwen  zijn als beroepsinkomsten.

Het Hof is een andere mening toegedaan en stelt dat het feit dat de betrokken rekening beroepsinkomsten van vorige inkomstenjaren bevatte en de belastingplichtige hierop zijn kasontvangsten stortte niet inhouden dat de gelden op die rekening gebruikt werden voor de uitoefening van de beroepsactiviteit van de belastingplichtige. Anders oordelen zou  volgens het Hof  betekenen dat elke opbrengst van gelden uit beroepsinkomen zelf zou moeten beschouwd worden als beroepsinkomen.  Wat overigens niet de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest. Dat de belastingplichtige van die rekening een aantal leveranciers betaalde is ook onvoldoende om aan te nemen dat die kapitalen werden gebruikt voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit.

Het Hof oordeelde dan ook dat de administratie ten onrechte de intresten op deze rekening als beroepsinkomen heeft belast.

Commentaar
 
In principe worden intresten op spaardeposito's gekwalificeerd als inkomsten uit roerende goederen (samenlezing van art. 17 § 1, 2° en art. 19 § 1, 1° WIB 92). Wanneer deze inkomsten op roerende goederen echter een beroepskarakter vertonen worden deze inkomsten aangemerkt als beroepsinkomsten in toepassing van artikel 37 WIB 92.

Nemen we dit artikel even onder de loep dan blijkt duidelijk dat de enige voorwaarde waaraan dient te worden voldaan om de opbrengsten van (on)roerende goederen onder te brengen bij de beroepsinkomsten is dat deze goederen gebruikt worden voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid.

Het al dan niet beroepsmatig karakter van de roerende goederen is een feitenkwestie die door de rechter geval per geval dient te worden beoordeeld. De bewijslast van dit beroepskarakter wordt gedragen door de administratie (zie besproken arrest) en om het haarzelf iets eenvoudiger  te maken volstaat het volgens de administratie een onrechtstreeks verband aan te tonen met de beroepswerkzaamheid.

Het Hof is in het hier besproken arrest van mening dat niet automatisch mag aangenomen worden dat inkomsten op roerende goederen beroepsinkomsten uitmaken wanneer de belastingplichtige deze roerende goederen af en toe gebruikt in het kader van zijn beroepswerkzaamheid. 

We mogen echter niet te vroeg juichen om deze beperkende interpretatie door het Hof. Het gaat immers  steeds om een feitenkwestie waarbij de rechter van geval tot geval, afhankelijk van de voorhanden zijnde feitelijke gegevens, een andere mening kan toegedaan zijn. Dit blijkt duidelijk uit de rechtspraak omtrent de toepassing van artikel 37 WIB 92 met betrekking tot de huurinkomsten van vroegere beroepsactiva. Over de vraag of de inkomsten op die beroepsactiva al dan niet (on)roerende - of beroepsinkomsten uitmaken blijkt immers heel wat onenigheid te bestaan.

Het onderscheid tussen privé -  en beroepsinkomen is wel van groot belang voor de belastingplichtige. Wanneer de opbrengsten op roerende goederen immers als beroepsinkomen worden beschouwd dan heeft dit onaangename gevolgen voor de belastingplichtige.

In de eerste plaats is het  onderscheid tussen privé - of beroepsinkomsten van belang in het kader van de toepasselijkheid van het stelsel van de bevrijdende roerende voorheffing.

De intresten die betaald of toegekend worden aan een rijksinwoner zijn onderworpen aan de roerende voorheffing, die bevrijdend werkt. Als deze inkomsten echter als beroepsinkomsten worden gekwalificeerd dan is de roerende voorheffing niet bevrijdend en worden deze inkomsten belast volgens het gewone aanslagstelsel , wat de belastingplichtige ongetwijfeld zal voelen in zijn portefeuille.

Ook met betrekking  tot de controle - en onderzoeksbevoegdheden van de administratie kan het beroepskarakter van de (on)roerende inkomsten vervelende consequenties hebben.

In het kader van een fiscale controle kan de administratie in toepassing van artikel 315 WIB 92 vragen aan de belastingplichtige om alle stukken met betrekking tot zijn beroepsrekeningen aan haar voor te leggen.  Onder beroepsrekeningen verstaat men die rekeningen die gebruikt worden voor beroepsverrichtingen. 

In principe kan dit niet wat betreft de privérekeningen van de belastingplichtige . Wanneer de fiscus echter zou kunnen aantonen dat deze rekeningen toch worden aangewend in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid, dan zal de administratie hier alsnog een recht van inzage hebben. 

Besluit
 
Het hier besproken arrest fnuikt de zoveelste poging van de fiscus om een aanslag te plegen op het privépatrimonium van de belastingplichtige, dat duidelijk dient te onderscheiden worden van het beroepspatrimonium.

Een aantal bepalingen uit het WIB 92, zoals onder andere artikel 37 WIB 92 en artikel 41 WIB 92, impliceren de keuzevrijheid van de belastingplichtige om bepaalde goederen te bestemmen voor zijn/haar beroepsdoeleinden en dus ook om bepaalde goederen voor te behouden voor het private patrimonium. Ook het Hof van Justitie heeft in het arrest SEELING in het kader van een prejudiciële vraag met betrekking tot een aantal bepalingen uit de zesde BTW - richtlijn, duidelijk gesteld dat elke BTW - belastingplichtige de keuze heeft om een gedeelte van zijn goederen voor zijn bedrijfsactiviteiten te bestemmen of niet .

Een al te ruime interpretatie van het begrip beroepsinkomsten zou die keuzemogelijkheid van de belastingplichtige doen verwateren. Een strikte interpretatie van wat tot het beroepsinkomen behoort is bijgevolg vereist.

In een tijdperk waar men ons privévermogen zoveel mogelijk tracht in kaart te brengen of te kadastreren, toondereffecten doet verdwijnen en aan het bankgeheim sleutelt, is het besproken arrest een welgekomen verademing.

Bart COOPMAN
Sofie VANDEN BROECK




03-01-17 Nieuwe rapporteringsverplichtingen over verrekenprijzen voor multinationals
Het wordt moeilijker voor multinationals om winsten te versluizen naar landen waar die niet of laag belast worden.....lire la suite
 
02-01-17 Voordeel gratis woning of herkwalificatie huurinkomen: berekenen van dag tot dag
Voor bedrijfsleiders die een gratis woonst ter beschikking gesteld krijgen van hun vennootschap, of die een eigen onroerend goed verhuren aan hun vennootschap, gelden specifieke fiscale regels.....lire la suite
 
01-01-17 Lagere BTW voor publieke fietsen in steden
De verhuur van publieke fietsen (“deelfietsen” van bijvoorbeeld Villo! in Brussel en Velo in Antwerpen) is vanaf 1 januari 2017 onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6%.....lire la suite
 
20-12-16 DE EERBIED VAN DE FISCUS VOOR HET PRIVELEVEN EN HET EHRM…
De jongste jaren neemt de inmenging van de overheid in het privéleven toe. De fiscus kijkt mee over de schouders....lire la suite
 
site web par webalive