nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Links   General conditions  
  VAT news - VAT invoicing and long term hire
 
Vraag om inlichtingen: de Minister benadrukt doelgebonden karakter van de onderzoeksbevoegdheid bij indiciaire taxatie.
 
De Minister van Financiën heeft in een antwoord op een parlementaire vraag benadrukt dat de administratie erop dient te letten dat zij haar bevoegdheden aanwendt in functie van het doel waarvoor zij die gekregen heeft. Het is in eerste instantie nog steeds aan de taxatieambtenaar de tekenen en indiciën op te sommen die wijzen op een hogere graad van gegoedheid dan die welke uit de aangegeven inkomsten blijkt. 

Vragen van overdreven inlichtingen zijn uit den boze
 
Inzake inkomstenbelastingen draagt de administratie in principe de bewijslast en het bewijsrisico. Dit volgt uit de gemeenrechtelijke bewijsregeling zoals voorgeschreven in artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze bewijslastverdeling is tevens verbonden met het overheidsgezag dat de administratie uitoefent, de legitimiteit die dat gezag moet meedragen en de bevoegdheid die de administratie dienovereenkomstig heeft om zich middels een administratieve rechthandeling een uitvoerbare titel te creëren. De principiële bewijslast voor de administratie houdt tenslotte verband met het vermoeden van juistheid van de fiscale aangifte.

Om nu deze bewijslast in te vullen staan de administratie onderzoeks- en controlebevoegdheden en algemene en bijzondere bewijsmiddelen ter beschikking. Onder de onderzoeks- en controlebevoegdheden ressorteert "de vraag om inlichtingen" aan de belastingplichtige in de zin van de artikelen 316 en 317 WIB 1992. Onder de bewijsmiddelen ressorteert "de raming van de belastbare grondslag volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten", overeenkomstig artikel 341 WIB 1992.

De principiële bewijslast die de administratie draagt, wordt op zich niet strijdig bevonden met de uitgebreide onderzoeks- en controlebevoegdheden en met de bijzondere bewijsmiddelen die haar ter beschikking zijn. M.a.w. het feit dat de administratie moet bewijzen - zoals eenieder die iets aanvoert of vordert dat overeenkomstig het gemeen recht moet doen - wordt op zich niet strijdig bevonden met haar vraagrecht op grond van de artikelen 316 en 317 WIB 1992, waarop degene tegen wie de administratie het bewijs moet leveren, naar waarheid moet antwoorden - mogelijkheid die niet eenieder ter beschikking staat overeenkomstig het gemeen recht.

De praktijk leert dat de vragenlijsten soms op zodanige wijze zijn opgesteld dat het antwoord neerkomt op het afleveren van de boekhouding. Deze werkwijze was het voorwerp van talrijke kritische parlementaire vragen, waarbij de Minister deze praktijk afkeurde en erop wees dat het vragen van overdreven inlichtingen uit den boze was. Verder benadrukte hij dat belastingplichtigen die van oordeel zijn dat de gevraagde inlichtingen een te omvangrijk werk vergen, of door de taxatieambtenaren gemakkelijk kunnen worden opgetekend uit hun boekhouding, met de fiscus kunnen overleggen wat moet worden gedaan om te voldoen aan de vereisten van de controle zonder de administratieve lasten van de belastingplichtige buitenmate te verzwaren .

De administratieve commentaar drukt de beperking als volgt uit: "De Minister van Financiën heeft evenwel verklaard dat de regering het vragen van overdreven inlichtingen uit den boze acht en dat de administratie slechts een goed overwogen en gematigd gebruik mag maken van de bevoegdheid die haar is verleend. Het is overigens niet aanvaardbaar dat de administratie zulkdanige opzoekingen en zoveel werk zou vragen, dat ze voor de belastingplichtige ongehoord tijdverlies en kosten zouden meebrengen. De gepastheid van het vragen van bepaalde inlichtingen moet dus in het licht van de feitelijke omstandigheden eigen aan elk geval worden beoordeeld. De vragenlijsten moeten bovendien aan ieder geval worden aangepast en het versturen van algemene vragenlijsten moet worden vermeden."

Ook de rechtspraak neemt nagenoeg eensgezind aan dat de fiscus, wanneer een indiciair onderzoek wordt gevoerd, de belastingplichtigen niet bij de bewijsvoering mag betrekken door het stellen van algemene vragen om inlichtingen. Er werd aangenomen dat dergelijke vragen niet in overeenstemming zijn met artikel 316 van het WIB 1992 en tot de nietigheid van de latere indiciaire aanslag leiden .

Zo vormt een algemene vraag naar de eventuele private bankrekeningen en de eventuele rekeningen-courant ten aanzien van vennootschappen, met vermelding van hun begin- en eindstand - voor zover dergelijk gegeven op zich al dienstig zou kunnen zijn in het kader van een indicaire afrekening -geen vraag met betrekking tot een verrichting waaraan de belastingplichtige heeft deelgenomen. Een dergelijke vraag lijkt sowieso uitgesloten. Een specifieke vraag omtrent een welbepaalde boeking op de rekening-courant tussen de belastingplichtige en een vennootschap, waarbij de rekening-courant en de boeking voor de administratie gekend zijn en als uitgangspunt voor de vraag gelden, vormt wel een vraag omtrent een verrichting waaraan de belastingplichtige heeft deelgenomen .

Het Hof van Cassatie bevestigt onderscheid tussen bewijsmiddelen en onderzoeksbevoegdheden
 
Het is inmiddels genoegzaam bekend dat het Hof van Cassatie op 4 januari 2007 een mijlpaalarrest heeft geveld in deze materie. Het Hof oordeelde dat een algemene vragenlijst ter voorbereiding op een indiciaire taxatie, de regels van de bewijslast niet omkeert.

De fiscus had in voorliggende casus via een algemene vraag om inlichtingen aan een belastingplichtige informatie gevraagd omtrent zijn privéaankopen, zijn uitgaven en zijn bankrekeningen. De aldus ingewonnen informatie diende voor het opstellen van een indiciaire afrekening. Zowel de rechtbank van eerste aanleg, als nadien het hof van beroep te Luik oordeelde dat de administratie misbruik had gemaakt van de procedure, en daardoor de rechten van verdediging had geschonden. Volgens het Hof van Cassatie verplichten de artikelen 315, 316 en 317 WIB 92 elke belastingplichtige tot het verstrekken van alle inlichtingen. De gevraagde inlichtingen mogen slaan op alle verrichtingen waaraan de belastingplichtige heeft deelgenomen. Het uitoefenen van de controle en onderzoeksbevoegdheden met het oog op het vestigen van de concrete belasting kan aldus het hof nooit als een omkering van de bewijslast worden aangemerkt, en evenmin de rechten van verdediging schaden. In het kader van een taxatie op tekenen en indiciën kan de belastingplichtige steeds het tegenbewijs leveren.

Het hoogste Hof volgde hiermee het standpunt van de Administratie. Die had zich beroepen op het strikte onderscheid tussen de bewijslastverdeling enerzijds en de onderzoeks- en controlemiddelen anderzijds. En, op de duidelijke en dus niet voor interpretatie vatbare wettelijke bepalingen die voorschrijven dat de belastingplichtige ertoe is gehouden 'alle' inlichtingen te verstrekken naar aanleiding van vragen van de Administratie, en dat die vragen mogen slaan op 'alle' verrichtingen waaraan de belastingplichtige heeft deelgenomen. Dat de Administratie haar wettelijke controle- en onderzoeksmogelijkheden uitoefent met het oog op het vestigen van de correcte belasting, kan volgens haar geen omkering van de bewijslast inhouden die de rechten van verdediging van de belastingplichtige miskent.

Is de circulaire van 27 juli 2002 achterhaald?
 
De uitspraak van het ons hoogste rechtscollege leek in te gaan tegen het administratieve standpunt. In een circulaire van 2002 had de administratie immers onderstreept dat "in geval van raming van de belastbare grondslag volgens tekenen en alle inlichtingen te vorderen met het oog op het onderzoek van zijn belastingtoestand, het aan de taxatieambtenaar behoort, zonder de belastingplichtige daarin te betrekken, deze tekenen en indiciën op te sommen die de onontbeerlijke grondslag vormen van een dergelijke aanslag, met dien verstande evenwel dat de medewerking van de belastingplichtige bij de vaststelling van zijn indiciaire toestand dikwijls toelaat tot een objectievere en juistere berekening te komen.” 

Reeds in de antwoorden op parlementaire vragen die werden gesteld na de inwerkingtreding van de circulaire van 2002, nuanceerde de Minister van Financiën enigszins dit standpunt. Zo heette het dat "de taxatieambtenaar er dikwijls toe gebracht wordt, teneinde rekening te houden met alle elementen die betrekking hebben op de onderzochte periode, in samenwerking met de belastingplichtige, een vermogensafrekening op te stellen die tegelijk de vermogenstoestand van de belastingplichtige, zijn levenswijze en in feite alle positieve en negatieve elementen van het probleem in beschouwing neemt. Met die handelswijze heeft de taxatieambtenaar echter niet de bedoeling tekenen in indiciën van welstand op te sporen, noch de bewijslast om te keren die hem krachtens artikel 339, eerste lid WIB 92 is opgelegd, maar eenvoudig een meer objectieve en juiste berekening te maken" 

Het was dan ook afwachten hoe zowel de fiscus als de rechtspraktijk voormeld arrest in de praktijk zouden toepassen.

Minister ondervraagd omtrent de gevolgen van het arrest van het Hof van Cassatie
 
Een aantal vonnissen en arresten uitgesproken na het voormeld cassatiearrest, stelt alvast dat de fiscus niet op onwettelijke wijze te werk gaat als hij via een vraag om inlichtingen informatie inwint om vervolgens een indiciaire aanslag te vestigen .

Ook de Minister van Financiën werd recent in de kamer (nogmaals) geïnterpelleerd over deze problematiek . De vraag werd gesteld door toenmalig volksvertegenwoordiger de heer Devlies, huidig Staatssecretaris voor de coördinatie van de fraudebestrijding.

De heer Devlies wees op de vaststelling dat sinds voormeld cassatiearrest van 4 januari 2007 het merendeel van de belastingambtenaren alle vermogensbestanddelen waaronder voornamelijk alle bank- en spaarrekeningenuittreksels, zonder meer bij de belastingplichtigen zelf opvragen.

De Minister werd - logischerwijze - de vraag voorgelegd of de circulaire van 29 juli 2002 geheel of gedeeltelijk achterhaald is, en of aan de taxatieambtenaren naar aanleiding van voornoemd cassatie-arrest andere instructies werden verleend.

Met zijn antwoord d.d. 9 januari 2008 bevestigt de Minister zijn eerdere beperkte interpretatie van de gevolgen van de cassatierechtspraak van 4 januari 2007.

De Minister bevestigde vooreerst dat aan de taxatieambtenaren instructies werden gegeven met betrekking tot de draagwijdte van het cassatie arrest van 4 januari 2007 die niet in strijd zijn met deze van de circulaire van 27 juli 2002. Het is - aldus de Minister - 'in eerste instantie' nog steeds aan de taxatieambtenaar om de tekenen en indiciën op te sommen die wijzen op een hogere graad van gegoedheid dan die welke volgt uit de aangegeven inkomsten. Blijkt uit het onderzoek een indiciair tekort dan kan de taxatieambtenaar op grond van de artikelen 315, 316 en 317 WIB 92 alle inlichtingen, zelf van privé aard vorderen die nodig zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen.

De Minister bevestigde tevens dat de taxatieambtenaar zijn bevoegdheden slechts mag aanwenden voor het doel waarvoor hij ze verkregen heeft, zijnde de juiste heffing van de belasting. Willekeurige onderzoeken in de hoop op iets bruikbaars te stoten, dienen ook volgens de uitdrukkelijke bewoordingen van de Minister te worden vermeden.

Anderzijds bevestigt de Minister dat de taxatiediensten de via een vraag om inlichtingen verworven inkomsten wel degelijk mogen gebruiken.

Tot slot werd hem de vraag voorgelegd of een belastingplichtige die geconfronteerd wordt met een indiciaire afrekening zich mag beroepen op het zwijgrecht. De Minister erkende dat het zwijgrecht deel uitmaakt van de fundamentele regels van het strafprocesrecht en van de rechten van verdediging. Anderzijds benadrukte hij dat het zwijgrecht geen afbreuk doet aan de wettelijke verplichting om documenten te overhandigen, zelfs als deze documenten het bestaan van strafrechtelijke feiten kunnen opleveren. Hij verwijst hiervoor naar relevante rechtspraak terzake . Tot slot bevestigde de Minister dat elke overtreding van de bepalingen van het WIB aanleiding kan geven tot het opleggen van een boete.

De Minister slaat en zalft tegelijk
 
Het komt ons voor dat de Minister in zijn recent antwoord zich aansluit bij de conclusies die het Hof van Cassatie heeft verwoord in zijn arrest d.d. 4 januari 2007.

Het is inderdaad de fiscus die eerst ('in eerste instantie') de tekenen en indiciën moet opsommen. Pas indien een indiciair tekort uit het onderzoek blijkt, zo meent ook de Minister, kunnen via bijkomende vragen verdere inlichtingen worden ingewonnen.

Dit is o.i. een correcte analyse van het cassatie arrest van 4 januari 2007. Het Hof van Cassatie geeft bijvoorbeeld geen vrijgeleide om zomaar elk rekeninguittreksel op te vragen. Ook andere (lagere) rechtspraak heeft in dit verband het principe van het doelgebonden onderzoek benadrukt . De vraag om alle rekeninguittreksels van banken en spaarrekeningen voor te leggen, kadert geenszins in het doelgebonden onderzoek. De Minister van Financiën sluit zich hier uitdrukkelijk bij aan en herhaalt dat de controlebevoegdheden van de fiscus doelgebonden zijn. Met andere woorden, een fiscale controle kan nooit resulteren in een "fishing expedition" .

Dit standpunt ligt in het verlengde van uitspraken die de Minister reeds in het verleden heeft gedaan en waarbij hij stelde dat de taxatiediensten slechts op oordeelkundige wijze en op een gematigde manier gebruik mogen maken van de vraag om inlichtingen. Het mag met andere woorden geen middel zijn om inlichtingen zonder praktisch nut in te winnen . De vraag dient de "fiscale toestand" van de belastingplichtige te betreffen. Zij moet fiscaal nuttig zijn. Vragen waarvan de fiscale relevantie niet direct duidelijk is of die slechts eventueel - afhankelijk van het antwoord op de vraag - fiscaal belang hebben, lijken op grond van de artikelen 316 en 317 WIB 1992 niet te kunnen worden gesteld. Algemene vragen in het kader van een indiciaire taxatie, bijvoorbeeld de vraag naar de standen van eventuele privérekeningen van een belastingplichtige, ontberen in se dergelijke prima facie fiscale relevantie.

Uit het antwoord van de Minister van Financiën blijkt echter eveneens dat de fiscus niet zonder meer zal aanvaarden dat de belastingplichtige die geconfronteerd wordt met vragen van de fiscus, zich op zijn "zwijgrecht" beroept om aan de vraagstelling van de controlediensten te ontsnappen. Alhoewel de Minister erkent dat het zwijgrecht deel uitmaakt van de fundamentele regels van het strafproces en van de rechten van verdediging, gaat hij er blijkbaar van uit dat het recht niet geldt ten aanzien van een normaal fiscaal onderzoek. De rechten van verdediging zijn volgens de Minister dus vreemd aan de taxatiefase. Die fase is gesteund op de idee van samenwerking tussen de Administratie en de belastingplichtige ter bepaling van de juiste fiscale schuld.

J. ROSELETH
Advocaat-vennoot DVVCS advocaten



16-02-17 Panama en Guatemala zijn nu officieel belastingparadijs
Dat Panama volgens de Belgische fiscale wetgeving nu formeel doorgaat als een belastingparadijs, is geen gevolg van het schandaal rond de “Panama papers” van april 2016.....read more
 
15-02-17 Nieuw regime voor deeleconomie is van toepassing vanaf 1 maart
De wet over de fiscaliteit van de deeleconomie is al meer dan een half jaar geleden gepubliceerd, maar treedt pas op 1 maart 2017 effectief in werking. Het probleem is de erkenning van de elektronische platforms.....read more
 
26-01-17 Vangnetbepaling vangt minder
Er blijft een zogenaamde vangnetbepaling bestaan die moet verzekeren dat betalingen aan het buitenland toch belast worden ook al is er geen specifieke regel die ze aan belasting onderwerpt.....read more
 
25-01-17 Oplossing voor discussie over verzekeringsgift
Een wetswijziging moet een einde maken aan een felle polemiek die eind 2015 losgebarsten is rond de “verzekeringsgift”. ....read more
 
website by webalive