nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Liquidatieboni uitgekeerd in 2002 niet onderworpen aan personenbelasting.
 
De roerende voorheffing op inkoop- en liquidatieboni is eind 2002 ingevoerd met terugwerkende kracht tot begin 2002. Het Grondwettelijk Hof heeft die terugwerkende kracht vernietigd in de R.V. maar niet in de personenbelasting. Kan de Administratie voor het aanslagjaar 2003 alsnog de personenbelasting vorderen op liquidatieboni uitbetaald in het jaar 2002 waarop destijds R.V. werd ingehouden maar die ingevolge het vernietigingsarrest werd terugbetaald. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel meent van niet en steunt zich op artikel 313 en 339 van het WIB 1992. Bovendien oordeelt de rechtbank dat de fiscus evenmin kan gebruik maken van de driejarige aanslagtermijn. De Brusselse rechter gaat daarmee in tegen uitspraken van de Antwerpse, Brugse en Hasseltse collega's. (Rb. Brussel 21 november 2007).

Met de Wet van 24 december 2002 werd een belasting van 10% ingevoerd op liquidatie- en inkoopboni. De wet breidde de definitie van dividenden in artikel 18 van het WIB 1992 uit tot "uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 186, 187 en 209 in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap of van verkrijging van eigen aandelen door een dergelijke vennootschap" (art. 18 lid 1, 2ter WIB 1992).

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de roerende voorheffing op de liquidatie- en verkrijgingsboni slechts effectief verschuldigd is vanaf 1 januari 2003 (GwH 23 juni 2004, nr. 109/204, www.const.-court.be). Maar omdat de Wet van 24 december 2002 werd gepubliceerd op 31 december 2002, was er volgens het Grondwettelijk Hof inzake de personenbelasting géén sprake van een retroactieve werking, ook al traden de betreffende bepalingen eveneens in werking op 1 januari 2002. Dat bood de Administratie een kans om de naar aanleiding van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof misgelopen roerende voorheffing voor het jaar 2002 alsnog te “recupereren”, met name in de personenbelasting (Circulaire van 4 mei 2005 nr. CI. RH.231/566.182). Dat hield echter in dat de Administratie gebruik zou moeten maken van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 354, lid 1 van het WIB 1992 gezien de normale aanslagtermijn verstreken was.

De Brusselse rechter meent nu dat die bijzondere aanslagtermijn niet van toepassing is. Zij gaat uit van twee argumenten. Het eerste argument is gesteund op artikel 339 van het WIB 1992, dat zegt dat de fiscus de belasting moet baseren op de gegevens in de aangifte, tenzij die onjuist zijn. Het komt er dus op aan te weten of een aangifte waarin de RV niet opgenomen is, “onjuist” is. De discussie over de toepasselijkheid van de verlengde aanslagtermijn is in die optiek irrelevant, want zodra de aangifte “juist” blijkt, mag de fiscus hoe dan ook niet meer afwijken van de gegevens in de aangifte.

Maar zelfs in de hypothese dat de RV toch belastbaar zou zijn, kan de fiscus zijn slag niet thuishalen volgens de rechtbank, omdat de verlengde aanslagtermijn niet toegepast mag worden. Want toepassing van de driejarige termijn is ook gekoppeld aan de voorwaarde dat de aangifte “onjuist” is.

Voor beide argumenten komt het er dus op aan te onderzoeken of een aangifte waarin de RV op liquidatieboni niet opgenomen is, onjuist is. En daarvoor grijpt de rechtbank terug naar artikel 313 van het WIB 1992. Op grond van dat artikel moet de belastingplichtige de roerende inkomsten waarvoor de roerende voorheffing niet voldaan is, opnemen in de aangifte in de personenbelasting. Maar als de schuldenaar van de liquidatie- en verkrijgingsboni de roerende voorheffing heeft ingehouden en doorgestort, is de roerende voorheffing logischerwijze voldaan. Op het ogenblik van het indienen van de aangifte in de personenbelasting was er dus geen verplichting om dat inkomen aan te geven. Dat blijft zo zelfs indien achteraf blijkt dat de schuldenaar de roerende voorheffing kan terugvorderen. De vraag of er al dan niet een verplichting tot aangeven in de aangifte in de personenbelasting bestaat, moet dan ook beoordeeld worden ten laatste op het einde van het belastbare tijdperk (op 31 december 2002) en uiteraard niet tijdens de verlengde aanslagtermijn.

Maar zelfs als men die vraag wél zou beoordelen op een latere datum - en meer bepaald na het arrest van het Grondwettelijk Hof-, verandert dat niets aan het ontbreken van een aangifteplicht. Het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof heeft - aldus de Brusselse rechter - voor het jaar 2002 artikel 264 van het WIB 1992 in de vorige versie hersteld, zodat er voor liquidatieboni opnieuw een vrijstelling van roerende voorheffing bestond waardoor op grond van artikel 313 van het WIB 1992 de aangifteplicht verviel.

Volgens de Administratie volgt de belastbaarheid in de personenbelasting van de in 2002 ontvangen liquidatieboni uit de wet (nl. art. 18 2°ter en 171 2° f WIB 1992 waarvan het Grondwettelijk Hof de inwerkingtreding ongemoeid heeft gelaten), en is dus niet afhankelijk van de aangifte door de belastingplichtige. Dat de belasting uit de wet volgt, baseert de fiscus op artikel 171 van de Grondwet. De rechtbank is het daar niet mee eens. Artikel 339 van het WIB 1992 bepaalt, zoals gezegd, dat de fiscus de aanslag vestigt op basis van de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij zij die onjuist bevindt. Maar, zo oordeelt de rechtbank, vermits de aangifte in casu volkomen regelmatig was ingediend in overeenstemming met de heersende wetgeving, was de Administratie door die aangifte gebonden. De Administratie beschikt ter zake inderdaad slechts over een gebonden bevoegdheid.

Het is niet correct - zo vervolgt de rechtbank - zich te beroepen op het openbare orde-karakter van de artikelen 18, 2° ter en 171, 2°, f van het WIB 1992 om de bepaling van artikel 339 van het WIB 1992 te omzeilen. Ook die laatste bepaling is immers van openbare orde.

Voor de volledigheid - maar 'ten overvloede' - gaat de rechtbank ook in op de discussie rond de verlengde aanslagtermijn. En zij oordeelt dat de fiscus géén beroep kan doen op artikel 354, lid 1 van het WIB 1992. Zij verwijst daarvoor naar een uitspraak van het Hof van Cassatie van 3 oktober 2003 (arrest N-20031003-6, www.cass.be). In dat arrest stelt ons hoogste rechtscollege dat de driejarige termijn “geldt voor de belastingplichtige die heeft nagelaten bepaalde inkomsten aan te geven of van de aangegeven inkomsten overgewaardeerde beroepskosten heeft afgetrokken, zodat de belastbare inkomsten hoger zijn dan blijkt uit de aangifte. Dat de administratie in dat geval de juiste aanslag moet vaststellen (...)”.

De Brusselse rechter vindt in dat arrest steun om te besluiten dat enkel in geval de aangifte onjuist is, de fiscus de driejarige aanslagtermijn kan rechtvaardigen. Van een onjuiste aangifte is in casu echter geen sprake, zoals hoger omstandig uiteengezet. En dus kan artikel 354, lid 1 van het WIB 1992 niet worden toegepast.

Merk op dat de Brusselse rechtbank geen unaniem standpunt verkondigt. Iedereen is het er wel over eens dat met betrekking tot voorliggende discussie de aangifte in de personenbelasting voor het jaar 2002 (aanslagjaar 2003) principieel correct is. De vraag is alleen of het feit van de principieel correcte aangifte in de personenbelasting - de toepassing van artikel 354, lid 1 van het WIB 1992 steeds uitsluit. Onder meer het Hof van Cassatie oordeelt dat de Administratie gebruik kan maken van de bijzondere aanslagtermijn van drie jaar wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de inkomsten en andere gegevens die vermeld zijn in het aangifteformulier. In dat geval kan de bijzondere aanslagtermijn worden toegepast op het geheel van de belastbare inkomsten (Cass. 9 maart 1965, Pas. 1965, I, p. 719; Cass. 28 december 1984, Bull. Bel. 1986, nr. 652, p. 1548; Cass. 30 november 1989, Bull. Bel. 1991, nr. 701, p. 85).

Het Hof van Cassatie heeft bovendien geoordeeld dat zelfs indien de voorwaarden van artikel 354, 1e lid van het WIB 1992 nog niet vervuld waren op het moment dat de aangifte werd ingediend, de driejarige aanslagtermijn ingeroepen kan worden door de Administratie (Cass. 7 maart 1997, J.D.F. 1999, 36-37). De fiscus kan de termijn bijgevolg ook inroepen als de belastingplichtige niet eens in de mogelijkheid was om in zijn aangifte rekening te houden met de latere wijzigingen (op voorwaarde dat ook de fiscus dat niet kon binnen de gewone (niet-verlengde?) aanslagtermijn).

De rechtspraak van het Hof van Cassatie waarop die conclusie steunt, wordt echter bekritiseerd omdat de interpretatie van artikel 354, 1e lid van het WIB 1992 zou ingaan tegen de ratio legis van het artikel (M. Baltus, noot onder Cass. 7 maart 1997, J.D.F. 1999, 39-45).

Maar de Brusselse rechtbank vindt, zoals gezegd, een bijkomend argument in het arrest van het Hof van Cassatie van 3 oktober 2003. Volgens de Brusselse rechter blijkt uit voormeld cassatie-arrest dat de driejarige aanslagtermijn enkel en alleen kan ingeroepen worden in geval van een onjuiste aangifte. Het Hof van Cassatie stelt immers dat de driejarige termijn enkel “geldt voor de belastingplichtige die heeft nagelaten bepaalde inkomsten aan te geven of van de aangegeven inkomsten overgewaardeerde beroepskosten heeft afgetrokken, zodat de belastbare inkomsten hoger zijn dan blijkt uit de aangifte. Dat de administratie in dat geval de juiste aanslag moet vaststellen (...)”

En dat is in de situatie waarover de rechtbank moet oordelen, niet het geval. Bij het verstrijken van de aangiftetermijn was er in hoofde van de belastingplichtige niet de minste wettelijke aangifteplicht met betrekking tot deze inkomsten. Niet enkel was er een - op dat ogenblik 'definitieve' - roerende voorheffing gekweten, doch bovendien was de mogelijkheid om hiervan aangifte te doen zelfs niet voorzien in het door de Koning vastgestelde model van aangifteformulier. De aangifte was juist. En dus kan de fiscus - volgens de rechtbank - geen beroep meer doen de driejarige aanslagtermijn.

Jo ROSELETH
Advocaat-vennoot DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN SANDRA




20-01-17 Leegstandbelasting niet zomaar te billijken met verzachtende omstandigheden - arrest grondwettelijk hof 14 december 2016
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de leegstand van een gebouw bestemd voor huisvesting, een “administratieve overtreding”. ....lire la suite
 
03-01-17 Nieuwe rapporteringsverplichtingen over verrekenprijzen voor multinationals
Het wordt moeilijker voor multinationals om winsten te versluizen naar landen waar die niet of laag belast worden.....lire la suite
 
02-01-17 Voordeel gratis woning of herkwalificatie huurinkomen: berekenen van dag tot dag
Voor bedrijfsleiders die een gratis woonst ter beschikking gesteld krijgen van hun vennootschap, of die een eigen onroerend goed verhuren aan hun vennootschap, gelden specifieke fiscale regels.....lire la suite
 
01-01-17 Lagere BTW voor publieke fietsen in steden
De verhuur van publieke fietsen (“deelfietsen” van bijvoorbeeld Villo! in Brussel en Velo in Antwerpen) is vanaf 1 januari 2017 onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6%.....lire la suite
 
site web par webalive