nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Alle nieuwe artikelen uit het B.T.W.-Wetboek 2007
 
In bijlage vindt U alle nieuwe artikelen uit het B.T.W - Wetboek 2007. We vatten deze voor U samen:

Artikel 93undecies D
Persoonlijke aansprakelijkheid van openbare ambtenaren of ministriële officieren


93undecies D/1. Historiek

1. het nieuwe artikle 93undecies D werd met ingang van 7 januari 2007 ingevoegd in het W.B.T.W. bij artikel 7 van de programmawet van 27 december 2006 (B.S. 28 december 2006).

2. Bij artikel 123 van de wet van 27 april 2007 houdende diverse bepalingen (B.S. 8 mei 2007) werd, eveneens met ingang 7 januari 2007, artikel 93undecies D gewijzigd waardoor de bewoordingen in het eerste lid:"...die de eigenaar op het ogenblik van de verkoping schuldig is (zoals die voorkomen in het analoge artikel 442 WIB 92) werden vervangen door de bewoordingen: "die de eigenaar op het ogenblik van de verkoping verschuldigd is".

93undecies D/2. Doel en draagwijdte van artikel 93undecies D

1. met het oog op de invordering van de B.T.W., legt artikel 93undecies D, eerste lid, van het W.B.T.W., aan openbare ambtenaren of ministriële officieren die zijn belast met de openbare verkoop van onroerende goederen, de verplichting op de ontvanger van de B.T.W. die bevoegd is voor de eigenaar van de te verkopen goederen, bij ter post aangetekende brief van de verkoop te verwittigen ten minste acht werkdagen voor de datum die voor de verkoop is gesteld.

2. De voornoemde verplichting, waarvan de toepasselijkheid is beperkt tot de gevallen waarin de waarde van de te verkopen roerende goederen ten minste 250 EUR bedraagt, moet niet alleen worden nagekomen in geval van een gerechtelijke openbare verkoop na uitvoerend beslag op roerend goed, maar ook in geval van een vrijwillige openbare verkoop georganiseerd in een verkoopzaal. De omstandigheid dat in laatstgenoemd geval de materiële organisatie niet geheel op de verkoophoudende openbare ambtenaar of ministeriële officier rust, is inderdaad niet van die aard dat zij daardoor van hun verplichting tot verwittiging zijn ontheven. In voorkomend geval zijn zij ertoe gehouden bij de eigenaar van de verkoopzaal tijdig alle inlichtingen in te winnen die het moeten mogelijk maken de verkopers te identificeren.

3. Als de openbare verkoop effectief heeft plaatsgevonden, geldt ingevolge het tweede lid van artikel 93undecies D, de kennisgeving van het bedrag van de B.T.W. en bijbehoren, die uiterlijk daags vóór de openbare verkoop bij ter post aangetekende brief wordt gedaan door de bevoegde ontvanger van de B.T.W., als beslag onder derden in handen van de openbare ambtenaar of de ministeriële officier die met de openbare verkoop is belast.

4. Bij een gerechtelijke openbare verkoop stelt het voormelde beslag onder derden de ontvanger van de B.T.W. in staat deel te nemen aan de verdeling van de verkoopprijs tussen de schuldeisers
Bij een vrijwillige openbare verkoop stelt de in het nummer 1, supra, verplicht te verstrekken informatie, de ontvanger van de B.T.W. in staat de opbrengst van de verkoop in handen van de instrumenterende openbare ambtenaar of ministeriële officier in beslag te nemen.

3. Niet-naleving van de verplichting tot verwittiging

1. De niet-naleving van de verplichting die hen is opgelegd door artikel 93duodecies D, eerste lid, stelt de verkoophoudende openbare ambtenaar of ministeriële officier aansprakelijk voor de betaling van de B.T.W. en bijbehoren waarop beslag onder derden kon worden gelegd en stelt hen dus bloot aan het risico het eventueel aan de Staat berokkende nadeel te moeten herstellen.

2. Evenwel wordt de vorenbedoelde openbare ambtenaar of ministeriële officier geen rechtstreekse schuldenaar. Zijn aansprakelijkheid is uitsluitend persoonlijk. Hij zal bijgevolg de Staat alleen maar moeten vergoeden voor de gevolgen van zijn fout wanneer het onvermogen van de belastingschuldige wordt aangetoond.

3. De persoonlijke aansprakelijkheid van de openbare ambtenaar of ministeriële officier is een verplichting tot herstel van een door de Staat geleden schade, veroorzaakt door een begane fout. Het is geen vordering met het oog op de inning van een belasting.
De bedoelde aansprakelijkheid is niet die van een borg. Derhalve heeft het tenietgaan van de opeisbaarheid van de B.T.W.-schuld veroorzaakt door verjaring, niet tot gevolg dat de tegen de openbare ambtenaar of de ministeriële officier ingestelde rechtsvordering eveneens door verjaring is getroffen. Het is voldoende dat het invorderingsrecht van de Staat niet was verjaard alvorens de instrumenterende openbare ambtenaar of ministeriële officier de tegen hem ingeroepen fout beging.

Artikel 84quinquies
Bevoegdheid van de gewestelijke directeur tot verlenen van onbeperkt uitstel van de invordering van een B.T.W.-schuld


84quinquies/1. Historiek 

1. Het nieuwe artikel 84quinquies werd met ingang van 18 mei 2007 ingevoegd in het W.B.T.W. bij artikel 70 van de programmawet van 27 april 2007 (B.S. 8 mei 2007).

2. Een Koninklijk Besluit van 7 juni 2007 (B.S. 21 juni 2007), in werking getreden op 21 juni 2007, regelt de uitvoering van de artikelen 84quinquies en volgende.

84quinquies/2. Doel van artikel 84quinquies van het W.B.T.W.

1. De buitengewone gunstmaatregel die al sinds 1 januari 2005 inzake inkomstenbelastingen van kracht is, om onder bepaalde voorwaarden definitief uitstel van de invordering van belastingschulden te krijgen in ruil voor de betaling van een deel van de schulden, is sinds 18 mei 2007 ook inzake B.T.W. toepasselijk.

2. De bedoeling van de maatregel bestaat erin een nieuwe kans te geven aan personen van goede wil, die ongelukkig maar te goeder trouw worden geconfronteerd met een onoverkomelijke fiscale schuld, om uit hun schier hopeloze situatie te geraken. Anderzijds, wordt getracht om toch nog, in de mate van het mogelijke, een deel van de schuldvordering te recupereren ten voordele van de Schatkist.

84quinquies/3. Draagwijdte van artikel 84quinquies van het W.B.T.W.

1. De toepassing van de gunstmaatregel blijft beperkt tot natuurlijke personen. Specifiek daarbij is, dat zij geen belastingplichtige meer mogen zijn voor de toepassing van de B.T.W. Men moet met andere woorden definitief gestopt zijn met de uitoefening van de B.T.W.-plichtige activiteit.
Ook de echtgenoot op wiens goederen de B.T.W. wordt ingevorderd, kan een verzoek tot onbeperkt uitstel indienen.

2. De gunstmaatregel ondergaat nog een tweede beperking. Hij is met name slechts van toepassing op de B.T.W, de interesten en de administratieve geldboeten.
De door de B.T.W.-ontvanger gemaakte kosten van vervolging (kosten van gerechtsdeurwaarder, inschrijving van de wettelijke hypotheek enz.) komen dus niet voor definitief uitstel in aanmerking.

3. Krachtens artikel 84quinquies, § 1, tweede lid, is het de gewestelijke directeur van de B.T.W. die de beslissing neemt tot onbeperkt uitstel van de invordering.
In die beslissing stelt hij de voorwaarden waaronder hij, geheel of gedeeltelijk, onbeperkt uitstel van de invordering verleent van één of meer B.T.W.-schulden.

4. Inzonderheid verbindt hij zijn beslissing aan de voorwaarde van een onmiddellijke of gespreide betaling van een door hem vastgesteld bedrag, dat wordt aangewend op de nog verschuldigde belastingen.
Bij de vaststelling van het bedoelde bedrag moet de gewestelijke directeur rekening houden met de volgende criteria:
- de door de belastingschuldige, of zijn echtgenoot, vermelde bijzondere elementen in het verzoek;
- de vermogenssituatie en de inkomsten en uitgaven van de huishouding van de verzoeker;
- de vervallen of nog te vervallen fiscale schulden van de verzoeker.

5. Krachtens artikel 84quinquies, § 1, derde lid, zal het onbeperkt uitstel van de invordering van de B.T.W.-schuld slechts uitwerking hebben nadat het in het vorige nummer bedoelde bedrag effectief is betaald.

6. De ontvankelijkheid van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering, is door artikel 84quinquies § 2 als volgt geregeld:
1° de verzoeker mag niet kennelijk zijn onvermogen hebben bewerkstelligd en moet zich in een toestand bevinden waarin hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare schulden te betalen.
2° de belastingschuldige heeft geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering van de B.T.W.-schuld verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

7. Onder de hierboven bepaalde voorwaarden kan, op voorstel van de ontvanger van de B.T.W., het onbeperkt uitstel van de invordering eveneens ambtshalve worden verleend (art. 84quinquies § 3).

8. Ingevolge § 4 van artikel 84quinquies kan de gewestelijke directeur van de B.T.W. geen onbeperkt uitstel verlenen voor een B.T.W.-schuld die het voorwerp is van een gerechtelijk geschil.

9. Komen evenmin in aanmerking voor onbeperkt uitstel, de B.T.W. en de administratieve geldboeten gevestigd ten gevolge van de vaststelling van een fiscale fraude.
Noteer dat deze fraude niet strafrechtelijk moet zijn vastgesteld. Een administratieve vaststelling is voldoende.

10. Onbeperkt uitstel is tenslotte niet mogelijk in geval van samenloop van schuldeisers, zoals inzonderheid bij faillissement of gerechtelijk akkoord.
Aangezien de belangen van de overige schuldeisers geenszins worden geschaad door het feit dat een fiscaal uitstel van invordering zou worden verleend aan hun schuldenaar, kan men zich afvragen wie er dan baat bij deze uitsluiting heeft?

Artikel 84sexies
Het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van een B.T.W.-schuld


84sexies/1. Historiek

Artikel 84sexies werd met ingang van 18 mei 2007 in het W.B.T.W. ingevoegd door artikel 71 van de programmawet van 27 april 2007 (B.S. 8 mei 2007).

84sexies/2. Draagwijdte van artikel 84sexies van het W.B.T.W.

1. Overeenkomstig de §§ 1 en 2 van artikel 84sexies, moet een gemotiveerd en met bewijskrachtige elementen gestaafd verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van openstaande B.T.W.-schulden, bij ter post aangetekende brief worden ingediend bij de gewestelijke directeur van de B.T.W., bevoegd voor het ambtsgebied waarin de belastingschuldige woont.
Het gaat dus niet om de gewestelijke directeur in wiens ambtsgebied de met de invordering belaste ontvanger van de B.T.W. zijn standplaats heeft.
Indien de belastingschuldige verhuisd is en zijn nog openstaande B.T.W.-schulden te innen zijn door de ontvanger(s) bevoegd voor de eerste woonplaats, kan het verzoek bijgevolg worden ingediend bij de gewestelijke directeur van de nieuwe woonplaats.

2. De voormelde bewijskrachtige elementen moeten uiteraard betrekking hebben op de toestand van de verzoeker.

3. Krachtens § 3 van artikel 84sexies wordt van het verzoek een ontvangstbewijs uitgereikt met vermelding van de datum van ontvangst van het verzoek.

Artikel 84septies
Behandeling van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van een B.T.W.-schuld


84septies/1. Historiek

1. Artikel 84septies werd met ingang van 18 mei 2007 in het W.B.T.W. ingevoegd bij artikel 72 van de programmawet van 27 april 2007 (B.S. 8 mei 2007).

2. Een Koninklijk Besluit van 7 juni 2007 (B.S. 21 juni 2007) in werking getreden op 21 juni 2007, regelt de uitvoering van voormeld artikel 84septies.

84septies/2. Draagwijdte van artikel 84septies van het W.B.T.W.

1. In de commentaar bij artikel 84sexies staat vermeld, dat de indiening van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering moet gebeuren bij de gewestelijke directeur die bevoegd is voor het ambtsgebied van de woonplaats van de verzoeker.

2. Volgens artikel 84septies, eerste lid, is het daarentegen de ontvanger belast met de invordering van de B.T.W.-schulden waarop het bij de gewestelijke directeur ingediend verzoek tot onbeperkt uitstel slaat, die het bedoeld verzoek behandelt, zelfs als op de dag van indiening de woonplaats van de verzoeker zich buiten het ambtsgebied van de betrokken ontvanger situeert.

3. Indien evenwel het verzoek tot onbeperkt uitstel betrekking heeft op B.T.W.-schulden waarvan de invordering tot de bevoegdheid behoort van verschillende ontvangers, wordt de behandeling van het verzoek toevertrouwd aan de ontvanger in wiens ambtsgebied de verzoeker zijn woonplaats heeft op de dag waarop het verzoek werd ingediend.

4. Wanneer de verzoeker zijn woonplaats niet meer in België heeft op de dag waarop hij het verzoek indient, wordt de behandeling ervan toevertrouwd aan de ontvanger in wiens ambtsgebied de verzoeker zijn laatst gekende woonplaats in België had.

5. Om de behandeling van het verzoek te verzekeren, beschikt de voor die behandeling bevoegde ontvanger over de in artikel 63bis van het W.B.T.W. bedoelde onderzoeksbevoegdheden. Dit zijn al de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 61, 62 § 1, 62bis en 63 van het W.B.T.W.
Meer bepaald kan hij, krachtens artikel 84septies, derde lid, in het kader van de behandeling, met name van de kredietinstellingen die onderworpen zijn aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, alle hen gekende inlichtingen eisen die nuttig kunnen zijn teneinde de vermogenssituatie van de verzoeker te bepalen.

6. De voor de behandeling van het verzoek bevoegde ontvanger stelt, in alle gevallen, een solvabiliteitsonderzoek in ten laste van de belastingschuldige, of zijn echtgenoot, om tegelijkertijd de vermogenssituatie en de inkomsten en uitgaven van de huishouding vast te stellen. (K.B. 7 juni 2007, art. 2, § 1).
Met dit doel wordt de belastingplichtige, of zijn echtgenoot, uitgenodigd zijn verzoek te vervolledigen met een overzicht van de vermogenssituatie en van de inkomsten en uitgaven van de huishouding.
De Administratie kan het gebruik van een overzicht van de vermogenssituatie en de inkomsten en uitgaven van de huishouding in de vorm van een gestandariseerd formulier voorschrijven (K.B. 7 juni 2007, art. 2, § 2).

7. De met de invordering belaste ontvanger brengt over zijn behandeling van het verzoek verslag uit aan de gewestelijke directeur die door het verzoek werd gevat. Hij legt hem een voorstel van beslissing voor (K.B. 7 juni 2007, art. 2, § 3).

Artikel 84octies
Uitspraak over het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van een B.T.W.-schuld


84octies/1. Historiek

1. Artikel 84octies werd met ingang van 18 mei 2007 ingevoegd in het W.B.T.W. bij artikel 73 van de programmawet van 27 april 2007 (B.S. 8 mei 2007).

2. Een Koninklijk Besluit van 7 juni 2007 (B.S. 21 juni 2007), in werking getreden op 21 juni 2007, regelt de uitvoering van artikel 84octies.

84octies/2. Draagwijdte van artikel 84octies van het W.B.T.W.

1. Op grond van artikel 84octies, § 1, moet de in artikel 84sexies, § 2, bedoelde gewestelijke directeur bij wie het verzoek om onbeperkt uitstel is ingediend, binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek, er bij gemotiveerde beslissing uitspraak over doen. Deze beslissing moet bij ter post aangetekende brief ter kennis van de verzoeker worden gebracht.

2. Als de beslissing van de gewestelijke directeur negatief is, kan de verzoeker er in beroep tegen gaan binnen een maand te rekenen van de kennisgeving ervan bij aangetekende brief. Het lijkt aangewezen te zijn dat ook het beroep bij aangetekende brief wordt ingesteld, hoewel artikel 84octies dienaangaande niets vermeld.

3. Het voormeld beroep moet worden ingesteld bij een bijzondere beroepscommissie die, onder het voorzitterschap van de leidende ambtenaar van de diensten bevoegd voor de invordering van de belasting, of zijn afgevaardigde, is samengesteld uit drie gewestelijke directeurs van de B.T.W aangewezen door de minister die de financiën onder zijn bevoegdheden heeft (art. 84octies § 2, eerste lid en K.B. 7 juni 2007 art. 4 § 1).

2. Als de beslissing van de gewestelijke directeur negatief is, kan de verzoeker er in beroep tegen gaan binnen een maand te rekenen van de kennisgeving ervan bij aangetekende brief. Het lijkt aangewezen te zijn dat ook het beroep bij aangetekende brief wordt ingesteld, hoewel artikel 84octies dienaangaande niets vermeld
.
3. Het voormeld beroep moet worden ingesteld bij een bijzondere beroepscommissie die, onder het voorzitterschap van de leidende ambtenaar van de diensten bevoegd voor de invordering van de belasting, of zijn afgevaardigde, is samengesteld uit drie gewestelijke directeurs van de B.T.W aangewezen door de minister die de financiën onder zijn bevoegdheden heeft (art. 84octies § 2, eerste lid en K.B. 7 juni 2007 art. 4 § 1).

4. Er wordt een ontvangstbewijs van het beroep uitgereikt aan de eiser met vermelding van de datum van ontvangst van het beroep (art. 84octies § 2, tweede lid).

5. De beslissingen van de beroepscommissie worden aangenomen door een meerderheid, elk lid beschikkend over één stem. In geval van pariteit, is de stem van de voorzitter doorslaggevend (K.B. 7 juni 2007, art. 4 § 2).

5. De beslissing van de beroepscommissie moet gemotiveerd zijn en worden genomen binnen drie maanden na ontvangst van het beroep (art. 84 § 2, derde lid).

6. De beslissing van de beroepscommissie is niet vatbaar voor beroep. Ze wordt ter kennis gebracht van de eiser per aangetekende brief (art. 84octies § 2, vierde lid).

Artikel 84nonies
Gevolgen van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van een B.T.W.-schuld


84nonies/1. Historiek

Artikel 84nonies werd met ingang van 18 mei 2007 in het W.B.T.W. ingevoegd bij artikel 74 van de programmawet van 27 april 2007 (B.S. 8 mei 2007).

84nonies/2. Draagwijdte van artikel 84nonies van het W.B.T.W.

1. Krachtens artikel 84nonies, eerste lid, schorst de indiening van het verzoek of van het voorstel tot onbeperkt uitstel van de invordering van de B.T.W.-schuld, alle middelen van tenuitvoerlegging tot op de dag dat de beslissing van de gewestelijke directeur van de B.T.W. definitief is geworden. De reeds gelegde beslagen behouden evenwel hun bewarende werking.

2. Krachtens dezelfde bepaling, worden in het geval van beroep alle middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot op de dag van de kennisgeving van de beslissing van de bijzondere beroepscommissie waarvan sprake is in artikel 84octies van het W.B.T.W. Ook hier behouden de reeds gelegde beslagen hun bewarende werking.

3. Artikel 84nonies, tweede lid, bepaalt bovendien dat de indiening van het verzoek of van het voorstel tot onbeperkt uitstel van de invordering van de B.T.W.-schuld, geen afbreuk doet aan andere maatregelen (zoals bijvoorbeeld de inschrijving van de wettelijke hypotheek) die ertoe strekken de invordering te waarborgen, noch aan de betekening of de kennisgeving van het in artikel 85 van het W.B.T.W. bedoelde dwangbevel om de verjaring te stuiten.

Artikel 84decies
Verlies van het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering van een B.T.W.-schuld


84decies/1. Historiek

Artikel 84decies werd met ingang van 18 mei 2007 in het W.B.T.W. ingevoegd bij artikel 75 van de programmawet van 27 april 2007 (B.S. 8 mei 2007.

84decies/2. Draagwijdte van artikel 84decies van het W.B.T.W.

1. Het door de gewestelijke directeur van de B.T.W. toegekende voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering van de B.T.W.-schuld, gaat in vier wettelijk bepaalde gevallen verloren.

2. Artikel 84decies somt deze vier gevallen op:
1° wanneer de belastingschuldige onjuiste informatie heeft verstrekt om het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen;
2° wanneer de belastingschuldige de door de gewestelijke directeur van de B.T.W. in zijn beslissing vastgestelde voorwaarden niet eerbiedigt;
3° wanneer de belastingschuldige onrechtmatig zijn passief heeft verhoogd of zijn actief heeft verminderd;
4° wanneer de belastingschuldige zijn onvermogen heeft bewerkstelligd.

3. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de procedurele goede trouw van de belastingschuldige en zijn fiscaal gedrag in alle stadia van de procedure, uitermate belangrijk lijken voor de beoordeling van de gewestelijk directeur en, eventueel van de beroepscommissie.

4. Eveneens blijkt dat in de opsomming geen gewag wordt gemaakt van een verbetering van de financiële toestand van de belastingschuldige. Deze zou dus geen verlies van het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering tot gevolg hebben.

Artikel 84undecies
Toepassingsvoorwaarden voor de artikelen 84quinquies tot 84decies


84undecies/1. Historiek

Artikel 84undecies werd met ingang van 18 mei 2007 in het W.B.T.W. ingevoegd bij artikel 76 van de programmawet van 27 april 2007 (B.S. 8 mei 2007).

84undecies/2. Draagwijdte van artikel 84undecies van het W.B.T.W.

1. Krachtens artikel 84undecies moeten de toepassingsvoorwaarden voor de artikelen 84quinquies tot 84decies bij Koninklijk Besluit worden bepaald.

2. Dat Koninklijk Besluit werd gegeven op 7 juni 2007 en in het Belgisch Staatsblad van 21 juni 2007 gepubliceerd. Het is op de dag van de publicatie in werking getreden. Het bevat bepalingen die de uitvoering regelen van de artikelen 84quinquies, 84septies  en 84octies. Zij werden besproken in de commentaar met betrekking tot de genoemde artikelen.

3. Specifiek ten aanzien van artikel 84quinquies § 1, bepaalt artikel 84undecies dat de Koning de objectieve voorwaarden kan bepalen voor het vaststellen van de som die moet worden betaald door de verzoeker. Er wordt dienaangaande verwezen naar 84quinquies/3, punt 4, supra.

Artikel 85ter
Aanvraag tot bemiddeling in geval van betwisting met de ontvanger


85ter/1. Historiek

1. Het nieuwe artikel 85ter werd met ingang van 1 mei 2007 ingevoegd in het W.B.T.W. bij artikel 118 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (B.S.  8 mei 2007).

2. In afwijking van het voorgaande kan ingevolge art. 14 van het Koninklijk Besluit van 9 mei 2007 (B.S. 24 mei 2007) de hierna besproken aanvraag tot bemiddeling slechts worden ingediend met ingang van 1 november 2007.

85ter/2. Draagwijdte van artikel 85ter

1. Een aanvraag tot bemiddeling kan bij de fiscale bemiddelingsdienst aanhangig worden gemaakt in geval van betwisting met de ontvanger van de B.T.W.

2. Voor nadere toelichting in verband met de rol en de opdracht van de fiscale bemiddelingsdienst, wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 84quater van het W.B.T.W.

Artikel 88bis
Eis tot stellen van een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borg


88bis/1. Historiek

1. Het nieuwe artikel 88bis werd met ingang van 7 januari 2007 in het W.B.T.W. ingevoegd bij artikel 4 van de programmawet van 27 december 2006 (B.S. 28 december 2006).

2. Bij artikel 120 van de wet van 27 april 2007 houdende diverse bepalingen (B.S. 8 mei 2007) werd, eveneens met ingang van 7 januari 2007, de oorspronkelijke tekst van § 1 vervangen door de huidige tekst.
De oorspronkelijke tekst van het eerste lid van § 1 luidde als volgt: “ Door een gemotiveerde beslissing van de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde kan een zakelijke waarborg of een persoonlijke zekerheid worden geëist van elke persoon, belastingschuldige van de belasting, krachtens.artikel 51, §§ 1, 2 en 4, wanneer de venale waarde van zijn in België gelegen goederen die de waarborg van de Schatkist vormen, na aftrek van de schulden en lasten die ze bezwaren, onvoldoende is om het geraamde bedrag van de verplichtingen die hem zijn opgelegd te dekken, voor een periode van twaalf burgerlijke maanden, krachtens dit Wetboek of in uitvoering ervan.”
Na vervanging van de cursief gedrukte woorden luidt de tekst thans: “Bij gemotiveerde beslissing ...kan een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling worden geëist van elke persoon die schuldenaar is ... die het pand van de Schatkist vormen ... ontoereikend is om het bedrag te dekken dat vermoedelijk voor een periode van twaalf kalendermaanden zal verschuldigd zijn ...”
De oorspronkelijke tekst van het tweede lid van § 1 luidde: “De elementen dienend als basis voor de vaststelling van de bedragen van de zakelijke waarborg en de verplichting van de persoonlijke zekerheid, evenals de voorwaarden en de modaliteiten van hun samenstelling, worden door de Koning bepaald.”
Na vervanging luidt het tweede lid thans: “De Koning bepaalt de gegevens die als grondslag dienen voor de bepaling van de bedragen van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, alsook de voorwaarden en de modaliteiten van de vaststelling.”
De oorspronkelijke tekst van het eerste lid van § 2 luidde als volgt: “In de maand van kennisgeving van de beslissing bedoeld in § 1, kan de belastingschuldige een bezwaar indienen bij de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich het kantoor bevindt waar de inning moet worden uitgevoerd.”
Na vervanging van de cursief gedrukte woorden luidt de tekst thans: “Binnen de maand na de kennisgeving van de beslissing als vermeld in § 1, kan de schuldenaar van de belasting een verhaal inleiden bij de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich ...”

88bis/2. Doel en draagwijdte van artikel 88bis

1. Het nieuwe artikel 88bis voegt in het W.B.T.W. een maatregel in die op hetzelfde doel is gericht als de artikelen 420 en 421 van het WIB 92.
Inderdaad, net als de genoemde artikelen, wil artikel 88bis verhinderen dat sommige schuldenaars van de belasting zich aan hun fiscale verplichtingen onttrekken, niet alleen door de indiening van onware of onjuiste aangiften, maar ook door de aanwending van listige handelingen om zich aan de betaling van de verschuldigde belasting te onttrekken, inzonderheid door het organiseren van hun onvermogen (vennootschappen opgericht met een onbeduidend kapitaal, belastingplichtigen die hun economische activiteit uitoefenen met gehuurd materieel enz.). De belasting die zij verschuldigd zijn wordt oninvorderbaar bij gebrek aan voor beslag vatbare activa.
Om dergelijke bedrieglijke handelingen tegen te werken, is het in bepaalde gevallen aangewezen een waarborg te eisen, met name een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling.

2. Deze zakelijke zekerheid of persoonlijke borgstelling is niet bestemd om de voldoening te waarborgen van achterstallige B.T.W.-schulden, maar betreft toekomstige B.T.W.-schulden. Schulden met andere woorden, die nog niet opeisbaar zijn op het tijdstip waarop de beslissing van de gewestelijke directeur van de B.T.W. genomen wordt, maar die “vermoedelijk” binnen een periode van twaalf burgerlijke maanden opeisbaar zouden kunnen worden.
Op te merken valt dat de voornoemde periode van twaalf maanden niet noodzakelijk moet samenvallen met een kalenderjaar.

3. Ter verduidelijking van de begripsomschrijving: “schuldenaar van de belasting” verwijst artikel 88bis expliciet naar artikel 51, §§ 1, 2 en 4 van het W.B.T.W. Zij omvat bijgevolg alle personen die, door het vaststaand gegeven van de uitoefening van een economische activiteit, voor de handelingen die zij verrichten schuldenaar zijn van de B.T.W. of schuldenaar van de B.T.W. zullen worden.
Niet beoogd is de persoon die schuldenaar is ingevolge artikel 51 § 3 van het W.B.T.W., waarin het bijzondere geval van de deskundige schatting is bedoeld.
Wel beoogd is de persoon die slechts schuldenaar is wegens de verlegging van de heffing naar de medecontractant.

4. Het ligt voor de hand, dat omwille van de aard zelf van de activiteit van sommige categorieën belastingplichtingen, de in artikel 88bis vervatte dwangmaatregel te hunnen opzichte geen algemene en automatische toepassing zal vinden. De verplichting om een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borg te stellen zal in alle gevallen ondergeschikt zijn aan een voorafgaande en gemotiveerde beslissing van de gewestelijke directeur van de B.T.W., beslissing die slechts kan worden genomen ten aanzien van schuldenaars van de B.T.W. van wie de solvabiliteit niet gegarandeerd zou zijn door het bestaan van een toereikend onderpand.

88bis/3. Voorwaarden die voor het eisen van een waarborg vervuld moeten zijn

1. Artikel 88bis is, in rechte, alleen dan toepasselijk als het pand van de Schatkist slechts goederen omvat waarvan de netto verkoopwaarde ontoereikend is om het vermoedelijk bedrag te dekken dat krachtens het W.B.T.W. en de ter uitvoering genomen besluiten, door de eigenaar van die goederen verschuldigd zou kunnen zijn in de loop van één jaar.

2. Bijgevolg; om uit te maken of er al dan niet een waarborg kan worden geëist, moet een vergelijking worden gemaakt tussen, enerzijds, de verkoopwaarde van de in Belgiê gelegen goederen die door de Schatkist kunnen worden gevat door middel van een beslag, verminderd met de schulden en de lasten die op de betrokken goederen rusten en, anderzijds, het bedrag dat inzake B.T.W. denkelijk verschuldigd zal zijn voor een periode van één jaar. Enkel indien de vergelijking duidelijk zou uitwijzen dat er een reële wanverhouding tussen de beide termen bestaat, zou er aanleiding zijn tot het eisen van een waarborg.

3. De wet geeft evenwel niet aan op welke wijze het vermoedelijk bedrag van de B.T.W.-schulden moet worden geraamd. Er mag echter van worden uitgegaan dat, hoewel het normaal is dat de Administratie zich afschermt tegen de al dan niet georganiseerde insolvabiliteit van een schuldenaar, zij niet zonder onderzoek kan stellen dat hij fiscale overtredingen zal begaan die met een boete zullen worden bestraft of tot vervolgingen zullen leiden. De gewestelijke directeur zal dan ook alleen kunnen steunen op de B.T.W. die de betrokkene voordien in hoofdsom verschuldigd was, met inachtneming van de wijzigingen die zich in diens economische activiteit hebben voorgedaan.

4. Wat de feiten betreft, is de Administratie er niet toe gehouden aan te tonen dat de schuldenaar van de B.T.W. in het verleden gepoogd zou hebben zijn insolvabiliteit te organiseren of zulks effectief heeft gedaan.

5. Uit de parlementaire werkzaamheden betreffende de wet van 20 juli 1978 tot invoering van artikel 310 WIB (later 420 WIB 92) - de rechtstreekse inspiratiebron van artikel 88bis - blijkt nochtans dat slechts een beslissing mag worden genomen ten aanzien van belastingschuldigen waarvan men alle redenen heeft om, op basis van objectieve elementen met betrekking tot hun persoonlijke toestand, te geloven dat zij zullen pogen zich aan de betaling van de regelmatig te hunnen laste gevestigde belastingen te onttrekken.
In dit opzicht staat in de Memorie van Toelichting bij de voormelde wet, het volgende te lezen (Gedr. St., Kamer, 1977-1978, 325/1, blz. 6; Com.IB nr 420/10):
“Ter zake zal het vroeger gedrag van de belanghebbende ten opzichte van zijn fiscale verplichtingen dikwijls een doorslaggevend element zijn, maar de administratie zal, in sommige gevallen, kunnen steunen op andere elementen. De nieuwe bepaling zou aldus kunnen worden toegepast op een vennootschap indien zou blijken dat zij door een handelaar, leider van een onderneming waarvan hij eigenaar is, gesticht werd enkel om te ontsnappen aan zijn persoonlijke aansprakelijkheid en aan het gevaar van een faillissement en om niettemin, in hoedanigheid van zaakvoerder en vennoot, de leiding en de opbrengst van de zaak te behouden, of nog, indien blijkt dat de oprichting van de vennootschap slechts de heroprichting is onder een andere vorm van een vroegere vennootschap die werd ontbonden en vereffend zonder dat zij de totaliteit van haar fiscale schuld heeft betaald. Inderdaad, in dit geval moet de vennootschap vereenzelvigd worden met haar stichter of stichters voor wie de oprichting van de rechtspersoon in het algemeen slechts een middel te meer zou zijn om de invordering van de belasting nog meer te bemoeilijken of of onmogelijk te maken.”

88bis/4. Aan het stellen van een waarborg voorafgaande beslissing

1. Uit de aanhef van het eerste lid van § 1 van artikel 88bis van het W.B.T.W. blijkt, dat de eis tot het stellen van een zakelijke zekerheid of van een persoonlijke borg, dient te worden voorafgegaan door een beslissing van de gewestelijke directeur van de B.T.W.

2. Deze beslissing, genomen op verslag van de bevoegde ontvanger van de B.T.W., geeft uitsluitsel of er al dan niet tot de eis van waarborgstelling moet worden overgegaan.

3. In het bevestigend geval moet de directoriale beslissing, die de te eisen zakelijke zekerheid of persoonlijke borgstelling vaststelt, met redenen omkleed zijn door de vermelding van de juridische en de feitelijke rechtvaardigingsgronden van de eis.

4. De beslissing wordt bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de schuldenaar van de B.T.W.
Een kopie van de beslissing wordt aan de ontvanger van de B.T.W. toegezonden, met het oog op het vervullen van de er voor hem uit voortvloeiende taken.

5. Daar de directoriale beslissing geen rechterlijke akte is, valt op te merken dat zij niet moet zijn voorafgegaan door een discussie met de betrokken schuldenaar van de B.T.W.

88bis/5. Het (nog te nemen) Koninklijk Besluit

1. Het in opdracht van § 1, tweede lid, van artikel 88bis te nemen Koninklijk Besluit, dat de gegevens zal omschrijven die als grondslag moeten dienen voor het vaststellen van de bedragen van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, evenals de voorwaarden en de modaliteiten van die vaststelling, laat nog op zich wachten.

2. Afgaand op wat blijkt uit artikel 213 van het Koninklijk Besluit tot uitvoering van het WIB 92, kan de te verstrekken waarborg bestaan uit ofwel een zakelijke zekerheid in de vorm van een borgtocht in geld of in overheidsfondsen of van een hypotheekvestiging, ofwel uit een persoonlijke borgstelling. De ontvanger mag echter andere wijzen van waarborgstelling aanvaarden. Indien nodig mogen de voormelde wijzen gelijktijdig worden aangewend om de totale zekerheid te verstrekken.

88bis/5. Verhaal van de schuldenaar van de B.T.W.

1. Aangezien de eis tot het stellen van de in artikel 88bis beoogde zakelijke zekerheid of persoonlijke borgstelling, afhankelijk is van het oordeel dat de B.T.W.-ambtenaren zich vormen omtrent de kenmerkende feiten en omstandigheden van elk geval apart, stelt artikel 88bis, § 2, de betrokken schuldenaar in de gelegenheid een verhaal in te leiden tegen de directoriale beslissing waarbij de waarborgstelling wordt bevolen.

2. Het verhaal moet worden ingeleid binnen één maand na de kennisgeving van de voormelde beslissing. Het moet worden gebracht voor de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich het B.T.W.-ontvangkantoor bevindt waar de inning moet worden uitgevoerd.
De rechtspleging geschiedt zoals in kort geding, meer bepaald volgens de artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek

3. Het verhaal van de schuldenaar van de B.T.W. schort zijn verplichting op tot het stellen van een zekerheid of een borg.

88bis/6. Stellen van de geëiste waarborg

1. Krachtens artikel 88bis, § 3, dient het stellen van een zakelijke zekerheid of van een persoonlijke borg te geschieden binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing van de gewestelijke directeur of na de datum waarop de rechterlijke uitspraak over het verhaal kracht van gewijsde heeft verkregen, tenzij de schuldenaar van de B.T.W., vóór het verstrijken van deze termijn, de economische activiteit staakt waarvoor hij schuldenaar van de B.T.W. is.

2. Zoals reeds in het nummer 88bis/4, supra, is aangegeven, mag de schuldenaar van de B.T.W., om aan zijn verplichting tot het stellen van een waarborg te voldoen, een conventionele hypotheek verlenen verlenen op een in België gelegen onroerend goed waarvan hij eigenaar is, of op een voor hypotheek vatbaar zakelijk onroerend recht waarvan hij houder is.
Het spreekt echter voor zich dat een conventionele hypotheek, die zou worden gevestigd op een aan de schuldenaar toebehorend onroerend goed waarvan de netto verkoopwaarde in aanmerking is genomen voor het vaststellen van de omvang van de waarborg, niet beantwoordt aan het door de wetgever nagestreefde doel, aangezien zij geen nieuwe waarborg zou vertegenwoordigen.

3. De schuldenaar van de B.T.W. mag ook een persoonlijke borg aanbieden. Met andere woorden een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die de verbintenis aangaat jegens de Staat de verplichtingen van de schuldenaar na te komen indien laatstgenoemde zulks zelf niet doet.

4. Het contract van borgtocht wordt geregeld door de artikelen 2011 tot 2043 B.W.
Krachtens de artikelen 2018 en 2040 moet de schuldenaar die verplicht is een borg te stellen, een borg aanbieden die bekwaam is om contracten aan te gaan en die genoegzaam gegoed is om aan de verbintenis te kunnen voldoen. Voorts stelt artikel 2019, dat de gegoedheid van de borg alleen wordt beoordeeld naar zijn onroerende eigendommen, uitgenomen in handelszaken of wanneer de schuld gering is.
Het is enkel de ontvanger van de B.T.W. die de staat van gegoedheid van de borg beoordeelt. Behoudens indien het gaat om een persoon of een instelling waarvan de sovabiliteit niet kan worden betwijfeld, bijvoorbeeld een bank, of waarvan voldoende bekend is dat het bezit ruimschoots voldoende is voor de betaling van de B.T.W.-schuld waarvoor de waarborg moet worden verstrekt, zal de ontvanger kunnen eisen dat hem het bewijs wordt vertoond dat de persoon die hem als borg wordt aangeboden, hier te lande eigenaar is van onroerende goederen of houder is van zakelijke onroerende rechten waarop een hypotheek kan worden ingeschreven.

5. De termijn van twee maanden waarover de schuldenaar van de B.T.W. aan wie een beslissing tot waarborgstelling ter kennis is gebracht, is wettelijk vastgesteld door § 3 van artikel 88bis. Hij staat dus geenszins ter beoordeling van de gewestelijke directeur van de B.T.W. Deze zal er echter wel de aandacht op vestigen in zijn beslissing.

6. Wanneer de zakelijke zekerheid, of de gegoedheid van de persoonlijke borg, ongenoegzaam wordt geacht wegens welke oorzaak ook, bijvoorbeeld gevoelige waardevermindering van de gehypothekeerde onroerende goederen of kennelijk kleiner worden van het bezit van de borg, is de schuldenaar van de B.T.W. verplicht, op het eerste verzoek van de ontvanger, binnen twee maanden een aanvullende of een nieuwe zakelijke zekerheid of een nieuwe persoonlijke borg te stellen.

7. Vrijgave van de zakelijke zekerheid kan door de ontvanger van de B.T.W. worden toegestaan, ofwel op verzoek van de schuldenaar en/of van de borg nadat voorafgaand een andere gelijkwaardige zekerheid is gesteld, ofwel ingevolge een beslissing van de gewestelijke directeur van de B.T.W.waarbij hij zijn oorspronkelijke beslissing inttrekt.
Uiteraard zal de vorenbedoelde beslissing slechts worden genomen wanneer na grondig onderzoek blijkt dat de redenen waarom een zakelijke zekerheid moest worden geëist, onbestaande zijn geworden.

8. Naast de in het vorige nummer vermelde algemene oorzaken van vrijgave van de waarborg, kan de persoonlijke borgstelling worden vrijgegeven wegens het verstrijken van de termijn waarvoor het contract van borgtocht gesloten is, door de herroeping van de borgtocht door de borg of door diens rechthebbenden indien het contract in de mogelijkheid van herroeping voorziet, en door het overlijden van de borg indien het contract bepaalt dat zulks de stopzetting van de borgtocht tot gevolg heeft.

Artikel 88ter
Bevel tot sluiting van een vestiging


88ter/1. Historiek

1. Het nieuwe artikel 88ter werd met ingang van 7 januari 2007 in het W.B.T.W. ingevoegd bij artikel 5 van de programmawet van 27 december 2006 (B.S. 28 december 2006).

2. Eveneens met ingang van 7 januari 2007, werd bij artikel 121 van de wet van 27 april 2007 houdende diverse bepalingen (B.S. 8 mei 2007), het als volgt luidend 1° van § 1, eerste lid: ” hetzij wanneer de waarborgen bedoeld in artikel 88bis niet zijn gesteld”, vervangen door: “hetzij wanneer de zekerheden bedoeld in artikel 88bis niet zijn gesteld”.

88ter/2. Doel en draagwijdte van artikel 88ter

1. Naar wat te lezen staat in het randnummer 17 van de circulaire AFZ nr. 3 van 15 februari 2007, hebben de ontvangers van de B.T.W. meer en meer te maken met belastingplichtigen die zich onttrekken aan hun fiscale verplichtingen door het stellen van frauduleuze handelingen om zo te ontsnappen aan de betaling van de rechtmatig gevestigde belasting. Bepaalde belastingplichtigen organiseren hun quasi-insolvabiliteit op zulke manier dat het bijna onmogelijk is voor de ontvanger om de bedragen te recupereren die verschuldigd zijn aan de Staat.

2. Artikel 88ter van het W.B.T.W. kent aan de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde de bevoegdheid toe een beslissing te nemen om, voor een periode die hij bepaalt, de vestiging te sluiten waar de belastingplichtige zijn economische activiteit uitoefent.

3.. De bevoegdheid van de gewestelijke directeur om de sluiting van een vestiging te bevelen, kan in twee gevallen toepassing vinden:
1° ofwel wanneer zijn beslissing niet wordt nagekomen om in geval van ontoereikende solvabiliteit de in artikel 88bis van het W.B.T.W. bedoelde zakelijke zekerheid of persoonlijke borg te stellen;
2° ofwel wanneer er sprake is van herhaalde niet-betaling van de B.T.W. in de zin van artikel 93undecies C, § 2, tweede lid, van het W.B.T.W.

4. Het voormeld tweede lid van artikel 93undecies C, § 2, bepaalt dat moet worden verstaan onder herhaalde inbreuken op de verplichting tot betaling van de B.T.W.:
ofwel, voor een belastingplichtige die gehouden is tot indiening van kwartaalaangiften, het gebrek aan betaling van ten minste twee eisbare schulden binnen een periode van één jaar;
ofwel, voor een belastingplichtige die gehouden is tot indiening van maandaangiften, het gebrek aan betaling van ten minste drie eisbare schulden binnen een periode van één jaar.

5. In het kader van de hoofdelijke aansprakelijkheid die door artikel 93undecies C is ingesteld, geldt het uit de herhaalde niet-betaling van de B.T.W. voortvloeiend vermoeden van fout niet, indien die niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijk akkoord, van failissement of van gerechtelijke ontbinding.
Een vergelijkbare uitzondering is nu ook ingevoerd ten aanzien van de mogelijke sluiting van de vestiging bij herhaalde niet-betaling van de B.T.W. Met dit verschil evenwel, dat de uitzondering slechts geldt - en de sluiting van de vestiging dus niet kan worden bevolen - wanneer het financiële moeilijkheden van de schuldenaars van de belastingplichtige zijn die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijk akkoord, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding.

88ter/3. Modaliteiten en procedure van het bevel tot sluiting

1. Op grond van § 1, tweede lid, van artikel 88ter wordt in de context van dit artikel onder “vestiging” inzonderheid verstaan, de lokalen waar een economische activiteit wordt uitgeoefend, waaronder te begrijpen zijn de kantoren, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages en de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen.

2. De beslissing waarbij de gewestelijke directeur de sluiting van de vestiging voor een  bepaalde periode beveelt ingeval de vereiste waarborg niet wordt gesteld of bij herhaalde niet-betaling van de B.T.W., moet gemotiveerd zijn. Ingevolge het eerste lid van § 2 van artikel 88ter, moet zij ter kennis van de belastingplichtige worden gebracht door een betekening bij deurwaardersexploot..

3. Krachtens het tweede lid van § 2 van artikel 88ter is de directoriale beslissing uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving door een gerechtsdeurwaarder, tenzij de belastingplichtige een beroep instelt bij de bevoegde rechtbank alvorens die termijn is verstreken.
Volgens de Memorie van Toelichting is de termijn van twee maanden een vaste termijn die niet voor verlenging vatbaar is. Als geen zaak aanhangig is gemaakt bij de rechtbank vóór het einde van die termijn, die begint te lopen vanaf de betekening van de beslissing, is deze definitief .
Nog volgens de Memorie van Toelichting zal de rechter zowel de wettigheid als de proportionaliteit van de beslissing van de gewestelijke directeur kunnen beoordelen.

Artikel 89bis
Betwiste schuld kan het voorwerp van bewarende maatregelen zijn


89bis/1. Historiek

1. Het nieuwe artikel 89bis werd met ingang van 7 januari 2007 in het W.B.T.W. ingevoegd bij artikel 6 van de programmawet van 27 december 2006 (B.S. 28 december 2006).

2. Eveneens met ingang van 7 januari 2007 werd bij artikel 122 van de wet van 27 april 2007 houdende diverse bepalingen (B.S. 8 mei 2007) in de oorspronkelijke tekst de uitdrukking “belastingschuldige” vervangen door “schuldenaar van de belasting”/

89bis/2. Doel van artikel 89bis

1. Om te verhinderen dat de vertragingen die normaal optreden bij de definitieve afhandeling van geschillen inzake de verschuldigde B.T.W., door de schuldenaar mogelijkerwijs worden benut om zijn insolvabiliteit op straffeloze wijze te organiseren, werd in het kader van het opvoeren van de strijd voor betere invordering van de B.T.W., artikel 409 van het WIB 92 in het W.B.T.W. omgezet.

89bis/3. Draagwijdte van artikel 89bis

1. In principe stelt het genoemd artikel 409 voorop, dat de verantvoordelijke ontvanger alle maatregelen mag nemen die nodig blijken te zijn om de latere invordering te waarborgen van het gehele bedrag van de belasting waarover een geschil bestaat, evenals van de ermee verbonden interesten en kosten, de zogenaamde.”betwiste schuld”.

2. Voor de toepassing van artikel 89bis moet uiteraard in acht worden genomen, dat er op het vlak van de B.T.W. geen verplichte administratieve geschillenprocedure bestaat, zoals dat wel het geval is inzake inkomstenbelastingen.
Een overzicht van de geschillenprocedure inzake B.T.W. is verstrekt in het nummer 59/3, supra, waarnaar verwezen wordt.

3. In geval van een betwiste schuld, bestaande uit de B.T.W. en de erop betrekking hebbende interesten, fiscale boeten en kosten, waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd dat overeenkomstig artikel 85 van het W.B.T.W. uitvoerbaar werd verklaard en aan de schuldenaar werd betekend of ter kennis werd gebracht, machtigt artikel 89bis van het W.B.T.W -  dat uitdrukkelijk afwijkt van het gemeen recht - de ontvanger van de B.T.W.om zonder voorafgaande machtiging van de rechter over te gaan tot een bewarend beslag van welke aard ook, alsmede tot het nemen van alle andere maatregelen die ertoe strekken de invordering te waarborgen, zoals de inschrijving van de wettelijke hypotheek (art. 86 en volgende W.B.T.W.) of het verzoek tot het in consignatie geven van alle of een gedeelte van de sommen verschuldigd door de belastingplichtige (art. 92 W.B.T.W.).

Artikel 84quater
Aanvraag tot bemiddeling in geval van blijvende betwisting over een taxatie


84quater/1. Historiek

1. Het nieuwe artikel 84quater werd met ingang van 1 mei 2007 ingevoegd in het W.B.T.W. door artikel 117 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (B.S. 8 mei 2007).

2. In afwijking van het voorgaande, kan ingevolge artikel 14 van het Koninklijk Besluit van 9 mei 2007 (B.S. 24 mei 2007) de hierna besproken aanvraag tot bemiddeling slechts worden ingediend met ingang van 1 november 2007.

84quater/2. De fiscale bemiddelingsdienst

1. De fiscale bemiddelingsdienst waarvan sprake is in § 1 van artikel 84quater, is een federaal georganiseerde autonome dienst die optreedt binnen de FOD Financiën met de bedoeling het aantal gerechtelijke procedures te verminderen.. De autonomie van deze nieuwe dienst wordt gewaarborgd door het feit dat hij onder het rechtstreeks gezag staat van de voorzitter van de FOD Financiën.

2. Uit de aanhef van de voornoemde § 1 blijkt duidelijk dat niet zonder meer een beroep kan worden gedaan op de nieuwe fiscale bemiddelingsdienst. Deze dienst treedt slechts op als er een blijvend meningsverschil over de taxatie bestaat. Dat betekent met andere woorden, dat hij optreedt na het tijdstip waarop de belastingplichtige alle discussiemogelijkheden met de taxatieambtenaar heeft uitgeput en vóór het tijdstip waarop de belastingplichtige het geschil voor de rechter brengt.

3. Blijkens het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (Gedr. St., Kamer 2006-2007, nr. 51-2873/001) onderzoekt de fiscale bemiddelingsdienst de hem voorgelegde aanvragen tot bemiddeling in alle objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid en  met inachtneming van de wet. Hij streeft ernaar de standpunten van de partijen te verzoenen en zendt hen een bemiddelingsverslag. De tussenkomst van de dienst concretiseert zich in dit niet-bindende verslag, dat slechts tussen de partijen geldt en niet wordt gepubliceerd.

Tegen een bemiddelingsverslag is geen beroep mogelijk, noch administratief noc gerechtelijk.

4. Volgens de Memorie van Toelichting is de opdracht van de fiscale bemiddelingsdienst niet het interpreteren van de wet of het oordelen over de interpretatie gegeven door de administratie in haar circulaires en instructies. Enkel de rechter kan dit doen. In zijn bemiddelingsverslag kan de fiscale bemiddelingsdienst alleen maar de divergerende standpunten vaststellen.

5. De fiscale bemiddelingsdienst kan een aanvraag weigeren als die duidelijk ongegrond is of als de aanvrager duidelijk geen stappen bij de betrokken bevoegde administratieve overheid heeft ondernomen teneinde de standpunten met elkaar te verzoenen.

84quater/3. Aanvraag tot fiscale bemiddeling

1. Een aanvraag tot fiscale bemiddeling heeft geen schorsende of stuitende werking. Tijdens het onderzoek van de aanvraag kan de bemiddelingsdienst alle inlichtingen inwinnen die hij nodig acht, alle betrokken personen horen en ter plaatse alle vaststellingen doen.

2. Een aanvraag tot fiscale bemiddeling kan niet meer gebeuren zodra verzet is aangetekend tegen een dwangbevel, een deskundige schatting is gevorderd met toepassing van artikel 59, § 2 van het W.B.T.W., of wanneer reeds uitspraak is gedaan over het meningsverschil.

3. Is een aanvraag tot bemiddeling hangende, dan wordt de fiscale bemiddelingsdienst van zijn opdracht ontheven zodra verzet wordt aangetekend, de voormelde deskundige schatting wordt gevorderd, of een beslissing valt alvorens de bemiddelingsdienst kennis heeft gegeven van zijn bemiddelingsverslag.

4. Tegen een beslissing inzake onontvankelijkheid is geen beroep mogelijk, noch administratief noch gerechtelijk.

84quater/4. Aanpassing van de fiscale schuld door de Administratie

1. Krachtens het bepaalde in § 3 van artikel 84quater, kan de Administratie op basis van het bemiddelingsverslag het bedrag van de fiscale schuld aanpassen, zonder dat evenwel een vrijstelling of vermindering van B.T.W. mag worden verleend.

2. De strekking hiervan is, dat de Administratie op basis van het bemiddelingsverslag kan beslissen dat de bewezen B.T.W.-schuld lager is dan eerst werd vooropgesteld, maar dat zij een vaststaande B.T.W.-schuld niet kan verminderen.

3. Daarnaast wordt nog uitdrukkelijk gesteld dat het niet toegelaten is een aanvullende B.T.W.te vestigen.




21-03-17 Nu ook tax shelter voor podiumkunsten
De succesvolle “tax shelter” voor audiovisuele werken wordt opengesteld voor theater, opera en andere podiumkunsten. ....lees meer
 
20-03-17 Kwartaalaangevers hoeven geen voorschotten meer te betalen
De formaliteiten voor BTW-plichtigen worden verder vereenvoudigd. ....lees meer
 
17-03-17 Uber-taxirit valt volledig onder regime voor deeleconomie
Bij de invoering van het nieuwe belastingregime voor de deeleconomie – voor particulieren die diensten aanbieden aan andere particulieren via elektronische platforms – was uitgelegd dat inkomsten uit verhuur van kamers via Airbnb slechts gedeeltelijk onder het nieuwe stelsel vallen. ....lees meer
 
28-02-17 Hoge belasting op gebruik gratis woning is ongrondwettelijk, zegt nu ook Antwerps Hof van Beroep
Wie gratis een woning mag gebruiken van zijn werkgever of vennootschap, wordt voor dat gebruik belast op een zogenaamd voordeel van alle aard. ....lees meer
 
website door webalive