nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Jobs  
  VAT news - VAT invoicing and long term hire
 
DE WINNAAR PROCEDEERT VOORTAAN VOORDELIGER (bezint dus eer gij begint)
 
Vanaf 1 januari 2008 heeft de procespartij die voor de rechter gelijk haalt lastens de in het ongelijk gestelde partij recht op een tegemoetkoming in haar advocatenkosten. Naar gelang het geval wordt procederen dus goedkoper of juist duurder...

Met de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat heeft de Wetgever een einde gesteld aan een rechtsonzekerheid die na het Cassatiearrest van 2 september 2004 en vooral sinds de daaropvolgende commentaren welhaast absoluut geworden was. Gezien deze wet op 1 januari 2008 in werking treedt, heeft de uittredende regering Verhofstadt op 26 oktober 2007 in lopende zaken namens de Koning het uitvoeringsbesluit genomen.

De Wetgever heeft de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat geconcipieerd rond een geherdefinieerde “rechtsplegingsvergoeding”. En de Koning heeft voor die rechtsplegingsvergoeding in functie van de inzet geïndexeerde basisbedragen vastgesteld, waarvan de rechter gemotiveerd kan afwijken binnen de grenzen van eveneens geïndexeerde en met die basisbedragen overeenstemmende minima en maxima.

DE NIEUWE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

 Voorheen had de rechtsplegingsvergoeding betrekking op “de sommen die invorderbare kosten zijn wegens het verrichten van bepaalde materiële akten” (oud artikel 1022 Ger.W.).

Vanaf de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 is de rechtsplegingsvergoeding “een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij” (nieuw artikel 1022 Ger.W.).

De Wetgever heeft dus geen recht op de integrale recuperatie van, maar op een tegemoetkoming in de advocatenkosten ingevoerd.

Logischerwijs heeft alleen de in het gelijk gestelde partij recht op die tegemoetkoming. Aldus zal zij naar gelang het geval toekomen aan de eiser wiens vordering volgens de rechter toelaatbaar en gegrond is, aan de verweerder die in zijn verweer en eventuele tegeneis bijgetreden werd door de Rechtbank of aan meerdere tot zelfs alle partijen, wanneer die omtrent onderscheiden geschilpunten elk zowel in het gelijk als in het ongelijk werden gesteld.

Liet de in het gelijk gestelde partij zich niet bijstaan door een advocaat, dan heeft zij uiteraard geen recht op de rechtsplegingsvergoeding. De partij die bijgestaan werd door een vakbondsafgevaardigde hoort dus geen rechtsplegingsvergoeding te bekomen, evenmin als de ambtenaar in fiscale geschillen.

Verder is de tegemoetkoming forfaitair en sluit zij elke andere vergoeding van advocatenkosten uit. Ook een procespartij die bewijst dat zij advocatenkosten maakte die het forfait (ver) te boven gaan, heeft dus slechts recht op het forfait.

Ten slotte betreft de rechtsplegingvergoeding alléén de advocatenkosten, niet de kosten van technische bijstand (architect, accountant,...). Die laatste blijven in principe integraal verhaalbaar.

DE BASISBEDRAGEN

De rechter moet de in het gelijk gestelde partij in principe (zelfs ambtshalve) het basisbedrag toekennen dat met de inzet van de vordering correspondeert.

De bedragen lopen volgens een cascade uiteen van € 150,00 (met een minimum van € 75,00 en een maximum van € 300,00) voor vorderingen tot € 250,00 tot € 15 000,00 (met een minimum van             € 1 000,00 en een maximum van € 30 000,00) voor vorderingen die het bedrag van € 1 000 000,00 te boven gaan.

Voor de vaststelling van het bedrag van de vordering gelden in dit verband dezelfde regelen als voor de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Voor geschillen betreffende niet in geld waardeerbare vorderingen is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding € 1 200,00 met als minimum € 75,00 en als maximum € 10 000,00.

Voor gedingen over bepaalde vorderingen voor de arbeidsrechtbanken gelden afwijkende basisbedragen. En in sociale zekerheidsgeschillen kan de burger in principe maar tot de rechtsplegingsvergoeding veroordeeld worden, indien zijn vordering tergend en roekeloos is.

Wijst de rechter een verstekvonnis en is géén van de in het ongelijk gestelde partijen ooit verschenen, dan is de rechtsplegingsvergoeding steeds gelijk aan het toepasselijke minimumbedrag.

AFWIJKINGEN VAN HET BASISBEDRAG

De rechter kan alleen van het basisbedrag afwijken, indien één van de partijen om een verhoging of verlaging verzoekt.

En dan kan de rechter niet méér dan het maximumbedrag en niet minder dan het minimumbedrag toekennen.

De wetgever heeft vier limitatieve gronden voorzien op basis waarvan de rechter een verhoging, dan wel een verlaging kan toestaan:
- de financiële draagkracht van de verliezende partij (uiteraard alleen voor een vermindering van de rpv);
- de complexiteit van de zaak;
- de contractueel bepaalde vergoedingen;
- het kennelijk onredelijke karakter van de situatie.

Het laatste criterium is duidelijk niet het gevolg van een grondige rechtseconomische analyse en zou wel eens een onuitputtelijke bron van twisten en casuïstiek kunnen worden.

OOK IN STRAFZAKEN

Tenzij in relatie met het Openbaar Ministerie kan de rechtsplegingsvergoeding ook in strafzaken verschuldigd zijn.

Meer bepaald zal de in het gelijk gestelde burgerlijke partij lastens de veroordeelde recht hebben op een rechtsplegingsvergoeding.

Omgekeerd zal de beklaagde of veroordeelde ten laste van de burgerlijke maar recht hebben op de rechtsplegingsvergoeding, indien de burgerlijke partij de strafvordering zelf geïnitieerd heeft.

1 JANUARI 2008

De Koning heeft de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Wet en het nieuwe K.B. bepaald op 1 januari 2008, de uiterlijke in de wet voorziene datum.

ONMIDDELLIJKE TOEPASSING

De nieuwe wet is onmiddellijk toepasselijk op de hangende gedingen. Voor zaken die in beraad zijn genomen op het moment van inwerkingtreding zal een heropening van de debatten geboden zijn, om de partijen de mogelijkheid te laten standpunt in te nemen over de nieuwe rechtsplegingvergoeding en de eventuele redenen om in deze of gene zin van het basisbedrag af te wijken.

Niels Hoebeke
Advocaat



12-11-19 Valse hybrides: eindelijk duidelijkheid (min of meer)
Zogenaamde “valse” hybride auto’s worden vanaf volgend jaar fiscaal behandeld als een overeenstemmend model zonder hybride technologie. Bijna twee jaar na de aankondiging van de maatregel weten we nu wat een “overeenstemmend” model is. Althans in theorie. In de praktijk zal het wachten zijn op de lijst die de fiscus binnenkort publiceert.....read more
 
12-11-19 Nieuwe antimisbruikbepaling: fiscus krijgt dan toch ongelijk
Met de oude versie van de algemene antimisbruikbepaling (artikel 344, §1 WIB 1992) leek de fiscus in de rechtspraak vaak bot te vangen. Daarom werd die bepaling in 2012 herschreven. Bedoeling was om het toepassingsgebied te verruimen, zodat de fiscus er vaker gebruik van zou kunnen maken. Afgaand op de eerste vonnissen in eerste aanleg, leek die ambitie waargemaakt te worden. Maar nu voor het eerst een hof van beroep zich uitspreekt, blijkt de fiscus minder reden tot juichen te hebben.....read more
 
05-11-19 Kostenaftrek voor flat aan zee: discussie gesloten?
Onlangs heeft het Hof van Cassatie een negatief oordeel geveld over een vruchtgebruikconstructie en over de aftrek van kosten voor vastgoed dat in een vennootschap zit. Dat arrest heeft ruime weerklank gevonden in de media. Op het eerste gezicht wordt het moeilijker voor vennootschappen om nog kosten af te trekken voor woningen die ter beschikking staan van de bedrijfsleider voor privégebruik of die verhuurd worden aan derden. Het Hof van Cassatie brengt in elk geval een interessante nuance aan bij zijn fameuze “midzomerarresten” van 2015. Maar de discussie is daarmee nog lang niet gesloten.....read more
 
02-10-19 Regeling aanslag geheime commissielonen bevat discriminatie
Een vennootschap die (bijv. aan haar bedrijfsleider) een voordeel verstrekt waarvoor ze geen fiches opmaakt, kan aan de aanslag geheime commissielonen ontsnappen als de genieter van het voordeel ondubbelzinnig geïdentificeerd wordt binnen 2,5 jaar. Maar wat als de genieter kort na het verstrijken van die termijn alsnog geïdentificeerd wordt en de fiscus hem toch nog kan belasten? Volgens het Grondwettelijk Hof zou het al dan niet respecteren van die termijn geen verschil mogen maken. Het is niet de bedoeling dat de afzonderlijke aanslag tot dubbele belasting leidt.....read more
 
website by webalive