nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Aanvullende gemeentebelastingen
 
Kroniek van een aangekondigde nietigheid: budgettaire chaos of storm in glas water?
 
Sinterklaas moet al in het land zijn. Als inwoner van een gemeente die haar belastingreglement voor 2006 pas in het jaar 2007 heeft goedgekeurd, biedt recente rechtspraak u mooie perspectieven. De vaststelling van het tarief van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting heeft namelijk pas uitwerking vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar waarin de stad of gemeente over die vaststelling beslist. Hogere rechtspraak bevestigt dat. De bevoegde ministers erkennen het probleem.

Het was Vlaams Minister Keulen die het nieuws recent bevestigde: 88 Vlaamse, 112 Waalse en de helft van de Brusselse gemeenten keurden hun belastingreglement voor 2006 pas begin dit jaar (2007) goed. De lijst met gemeenten/steden werd voorlopig nog niet vrijgegeven maar via de verslagen die meestal ter inzage staan op de website van uw gemeente, kunt u nakijken of u en/of uw cliënten tot de gelukkigen behoren.

De discussie heeft in essentie betrekking op de begrippen "aanslagjaar" en "financieel dienstjaar".

Het begrip "aanslagjaar" is de term die gebruikt wordt voor federale belastingen. De voor een aanslagjaar verschuldigde belasting wordt gevestigd op de inkomsten die de belastingplichtige behaald of verkregen heeft gedurende het belastbaar tijdperk (art. 360 lid 1 WIB 1992). Voor natuurlijke personen stemt het belastbaar tijdperk overeen met het burgerlijk (kalender)jaar (art. 199 tot 206 KB/WIB 1992). Een aanslagjaar valt voor de toepassing van de Personenbelasting in de regel samen met het jaar dat volgt op het inkomstenjaar. De inkomsten van het kalenderjaar 2006 zijn dus verbonden met het aanslagjaar 2007. De Personenbelasting wordt berekend op basis van de belastbare inkomsten die de belastingplichtige gedurende een bepaald burgerlijk jaar verkregen heeft.

In de gemeentelijke belastingverordeningen is er sprake van "financiële dienstjaren". Het "financiële dienstjaar" van een gemeente komt krachtens de Gemeentewet overeen met het "burgerlijk jaar", (art. 238 Nieuwe Gemeentewet, dat van toepassing blijft ook na de inwerkingtreding van het Vlaamse Gemeentedecreet van 15 juli 2005). Tot dat "dienstjaar" behoren de rechten die de gemeente tijdens dat dienstjaar verkregen heeft, "ongeacht het dienstjaar waarin zij worden vereffend".

De vraag rijst nu vanaf welk ogenblik de vaststelling tot verhoging van het tarief van de aanvullende gemeentebelasting uitwerking heeft. De rechtspraak is verdeeld en gaat uit van twee tijdstippen.

Ofwel heeft de vaststelling van het tarief van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting uitwerking vanaf het aanslagjaar dat samenvalt met het kalenderjaar waarin tot de verhoging wordt beslist. Een verhoging waartoe bv. in het financiële dienstjaar 2007 werd beslist, is derhalve onmiddellijk van toepassing voor hetzelfde aanslagjaar 2007. Zij kan bijgevolg toegepast worden op de belasting over de inkomsten van 2006.

De Rechtbank van eerste aanleg te Luik en Namen scharen zich achter dat standpunt en beslisten dat de wijziging onmiddellijk voor het lopende aanslagjaar in werking treedt (Rb. Luik 9 september 2004, A.R. 02/3962/A en Rb. Namen 18 oktober 2006, A.R. 2205/2003).

De motivering van voormelde Rechtbanken luidt - samengevat - dat de aanvullende gemeentebelasting die een gemeente voor een bepaald "financieel dienstjaar" heft, uit een percentage bestaat van de belasting op de inkomsten van de natuurlijke personen die gevestigd zijn op het grondgebied van de gemeente (art. 466 WIB 1992). De aanvullende gemeentebelasting staat met andere woorden in functie van de inkomstenbelasting. Die belasting is pas verschuldigd op het ogenblik waarop de personenbelasting wordt vastgesteld. Dat is ten vroegste op de eerste januari van het jaar dat volgt op dat waarin de inkomsten verkregen zijn. Men moet immers het einde van het inkomstenjaar afwachten vooraleer men de inkomsten kan berekenen die er betrekking op hebben.

Het is op dat ogenblik dat de inkomsten definitief gekend zijn en dat de aanvullende gemeentebelasting kan worden geacht door de gemeente verkregen te zijn in de zin van artikel 238 van de Nieuwe Gemeentewet.

Volgens de Rechtbank te Luik en Namen is dat de reden waarom de aanvullende gemeentebelasting geïnd wordt voor een gemeentelijk "financieel dienstjaar" dat samenvalt met het aanslagjaar.

Andere (hogere) rechtspraak neemt echter een ander vertrekpunt. De vaststelling van het tarief van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting heeft pas uitwerking vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar waarin de gemeente over die vaststelling beslist.

Dat is de visie van onder meer de rechtbank van eerste aanleg te Bergen. Die rechtbank vernietigde een belastingaanslag inzake de aanvullende gemeentebelasting betreffende het dienstjaar 2001 omdat de beslissing genomen was op 23 februari 2001.

De rechter oordeelt in zijn vonnis dat de belastbare toestand betreffende het aanslagjaar 2001 reeds een einde genomen had op 31 december 2000. Dat is volgens hem de uiterste datum waarop de belastingschuld is ontstaan (zie Grondwettelijk Hof 16 november 2000, nr. 115/2000, Fisc. Act. 2000, 44/4). Een wet die na die datum nieuwe belastbare feiten invoert, is dus retroactief (zie Grondwettelijk Hof 23 juni 2004, nr. 111/2004, Fisc. Act. 2004, 25/1) (zie ook Fisc. Act. 2006, 31/10). Als de gemeente het percentage van de aanvullende gemeentebelasting pas na afloop van het inkomstenjaar vaststelt, is er volgens de rechtbank van Bergen derhalve sprake van een onregelmatige terugwerkende kracht. Het gemeentereglement slaat dan immers volgens de rechtbank op een feit (i.e. schuldvordering van de Belgische Staat) dat op het moment waarop het zich voordoet, “bij gebrek aan gelijk welke norm niet meer aangetast kan worden door een gemeentelijke belasting”. De rechtbank stelt eveneens vast dat de gemeente geen enkele reden inroept die de terugwerkende kracht van de maatregel moet verantwoorden.

De rechtbank van Bergen besluit dan ook dat het belastingreglement ongeldig is, en dat de geheven aanvullende gemeentebelasting moet worden tenietgedaan.

Begin dit jaar werd dat vonnis in beroep bevestigd door het arrest van het Hof van Beroep van Bergen (Bergen 16 februari 2007, A.R. 2004/RG/1106).

Ook het Hof van Beroep te Antwerpen heeft zich recent in gelijkaardige zin uitgedrukt (Antwerpen 4 september 2007). Het hof vernietigde de beslissing van de gemeenteraad van Nieuwerkerken van 29 maart 2001 waarbij de aanvullende gemeentebelasting werd verhoogd tot 8 % (in plaats van 7 %). Het hof besluit dat dit verhoogde percentage van toepassing is vanaf aanslagjaar 2002 en dus nog niet van toepassing op de inkomsten van het jaar 2001.

Volgens het Antwerpse hof hebben de begrippen "dienstjaar" en "aanslagjaar" geen betrekking op dezelfde periode. Het begrip dienstjaar komt overeen met het burgerlijk jaar, terwijl het aanslagjaar betrekking heeft op de inkomsten verworven in het vorige inkomstenjaar. Dat het "burgerlijk jaar" zou samenvallen met het "aanslagjaar", vindt geen steun in de fiscale wet (art. 360 WIB 1992 en art. 200 KB/WIB 1992).

De Administratie trachtte de situatie nog te redden en verzocht het Antwerpse hof om dan voor het nog lopende aanslagjaar 2001 op zijn minst het oude percentage van 7 % van toepassing te verklaren. Maar de belastingplichtige was de mening toegedaan dat hij helemaal géén aanvullende gemeentebelasting te betalen had.

Het hof trad hem daarin bij. Want de gemeenteraad van Nieuwerkerken had, ook op 29 maart 2001, beslist de zitting van 14 december 2000 (vaststelling percentage aan 7 %) in te trekken. Zo bestond voor het aanslagjaar 2001 geen belastingreglement meer, zo oordeelt het Hof in strenge bewoordingen.

Als die rechtspraak wordt bevestigd, dreigen budgettaire moeilijkheden voor de gemeenten. Ook de minister van Financiën is daarover ondervraagd (Vraag nr. 1646 Wathelet, 23 april 2007, Vr. en Antw. Kamer 2006-07, nr. 164, 32167). Uit het antwoord van de minister blijkt dat de Waalse gewestregering de problematiek op de agenda heeft geplaatst van het "Overlegcomité Federale Staat - Gewesten".

Uit een recente nota die de Waalse regering voorgelegd heeft aan dat overlegcomité, blijkt dat de Administratie enkel heil ziet in een aanpassing van de wetgeving waarbij in een uitzondering op de niet-terugwerkende kracht van fiscale wetten wordt voorzien.

De vraag rijst naar de slaagkansen van een dergelijk wetgevend initiatief.

De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid (Cass. 22 januari 1996, R.G. N° 95.11). Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien, op het tijdstip dat die handeling wordt verricht.

Maar de fiscus herinnert zich wellicht nog levendig de discussie inzake de "verjaring van oude belastingschulden" en de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in verband met de terugwerkende kracht van artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 (zie o.m. Fisc. Act. 2005, 43/1).

De terugwerkende kracht van een wet kan volgens het Grondwettelijk Hof enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, zoals de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst.

Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat de afloop van een of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges verhinderd worden zich uit te spreken over een rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden een verantwoording bieden voor dat optreden van de wetgever dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden (Grondwettelijk Hof 13 maart 2002, nr. 49/2002; Grondwettelijk Hof 9 april 2003, nr. 40/2003).

De nota tracht de uitzonderlijke omstandigheden te verantwoorden die een retroactief wetgevend ingrijpen verantwoorden. Diverse redenen worden aangegeven. Zo wordt er verwezen naar het talrijk aantal gemeenten dat zich in een gelijkaardige situatie bevindt en het feit dat de aanvullende gemeentebelasting vaak één vijfde van de totale ontvangsten vertegenwoordigt.

De nota verwijst bovendien naar rechtspraak van het Hof van Cassatie, die al eerder zou hebben beslist dat vanuit het oogpunt van de belastingwet geen enkele situatie bestaat die vóór het einde van het "aanslagjaar", onherroepelijk vaststaat (Cass. 29 juni 1998, FJF nr. 98/213 - in dezelfde zin: Cass. 11 september 2003, Fisc. Act. 2003, 43/7). Het kan de gemeenten niet ten kwade worden geduid als zij zich volledig te goeder trouw zouden hebben laten leiden door die rechtspraak.

De nota verwijst nog naar het feit dat de belastingplichtigen in de betreffende rechtsprocedure nooit de tarieven van de gemeentebelastingen zelf in vraag hebben gesteld.

Bovendien benadrukt de nota het eenmalige karakter van de maatregel die enkel de aanslagjaren 2007 en ouder zou betreffen. Vanaf aanslagjaar 2008 voorziet de nota geen problemen meer. De gemeenten en steden zijn nu immers voldoende gewaarschuwd. Dat blijkt ook uit een omzetbrief van 19 juli 2007 die de Vlaamse Regering heeft gepubliceerd (Omzendbrief BB 2007/07: "Instructies voor het opstellen van de budgetten en meerjarenplannen voor 2008 van de gemeenten en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest"). Om mogelijke begripsverwarring verder uit te sluiten, adviseert de Vlaamse regering in die omzendbrief de gemeenten hun belastingverordening betreffende de vaststelling van de aanvullende personenbelasting aan te vullen als volgt:

"Er wordt voor het dienstjaar 2008 een aanvullende belasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van dit dienstjaar.
De belasting wordt vastgesteld op... % van het volgens artikel 466 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 berekende gedeelte van de personenbelasting die aan het Rijk verschuldigd is voor hetzelfde dienstjaar. Het dienstjaar is hetzelfde als het aanslagjaar volgens de terminologie die gebruikt wordt in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. " Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het dienstjaar voorafgaande jaar, dus in 2007 (dienstjaar min 1)".

De nota blijft ten slotte ook stilstaan bij de vraag welke instantie bevoegd is om kennis te nemen van het bezwaarschrift. Het Hof van Beroep te Bergen had immers geoordeeld dat het bezwaarschrift ingediend moest worden bij het College van burgemeester en schepenen. Het hof steunde zich daarvoor op artikel 9 van de Wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en invordering van de provincie- en gemeentebelastingen.

Dat heeft zo zijn gevolgen inzake de termijnen waarbinnen nog een bezwaarschrift kan worden ingediend. Het aanslagbiljet bevat in dat geval immers geen correcte informatie over de bevoegde instantie om kennis te nemen van het bezwaarschrift. Concreet houdt dat in dat de bezwaartermijn niet begint te lopen. In de plaats daarvan is de gewone burgerrechtelijke verjaringstermijn van 10 jaar van toepassing.

Dat standpunt is o.i. voor discussie vatbaar. Artikel 2, lid 2 van diezelfde Wet van 24 december 1996 bepaalt uitdrukkelijk dat die wet niet van toepassing is op de aanvullende belastingen op de belastingen van de federale overheid. En de aanvullende gemeentebelasting ís een aanvullende belasting op de federale inkomstenbelasting (met name de Personenbelasting). Op grond van het adagium accessorium sequitur principale (bijzaak volgt hoofdzaak) kan worden gesteld dat de procedureregels inzake federale belastingen van toepassing zijn (P. Van Orshoven, "De lokale belastingen opnieuw in een nieuw kleedje", RW 1997-98, 1451). Een belastingplichtige moet zich dan ook aan de normale bezwaartermijn van artikel 371 van het WIB 1992 te houden (zes maanden te rekenen vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet) en zijn bezwaar tegen de aanvullende gemeentebelasting indienen bij de gewestelijke directeur. Naar verluidt ziet de Administratie het ook zo.

Het komt ons in de gegeven omstandigheden voor dat de uitzonderlijke omstandigheden zoals geschetst in de nota niet van dien aard zijn dat zij de invoeging van een retroactieve reparatiewet verantwoorden. Dat was blijkbaar ook de indruk van de minister van Financiën, aangezien hij in voormeld antwoord op de parlementaire vraag meedeelde dat het voorstel van wetswijziging zeer weinig kans maakt om door de Raad van State te worden aanvaard.

Een belastingplichtige die inwoner is van een gemeente die haar belastingreglement voor 2006 pas in 2007 heeft goedgekeurd, lijkt dus niet zonder slaagkansen te zijn wanneer hij een bezwaarschrift zou indienen binnen de zes maanden na het toezenden van het aanslagbiljet. Maar als heel wat belastingplichtigen hun kans wagen, dreigt de hele bevolking van een gemeente daarvan misschien het slachtoffer te worden ("collateral damage") indien de opcentiemen - dit keer dan op een correcte wijze - voor de toekomst zullen worden verhoogd, kwestie van de gemiste inkomsten te compenseren en de begroting zo spoedig mogelijk opnieuw in evenwicht te brengen.

Jo ROSELETH
Advocaat-vennoot DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN
Leo DE BROECK
Advocaat-vennoot DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN



21-03-17 Nu ook tax shelter voor podiumkunsten
De succesvolle “tax shelter” voor audiovisuele werken wordt opengesteld voor theater, opera en andere podiumkunsten. ....lees meer
 
20-03-17 Kwartaalaangevers hoeven geen voorschotten meer te betalen
De formaliteiten voor BTW-plichtigen worden verder vereenvoudigd. ....lees meer
 
17-03-17 Uber-taxirit valt volledig onder regime voor deeleconomie
Bij de invoering van het nieuwe belastingregime voor de deeleconomie – voor particulieren die diensten aanbieden aan andere particulieren via elektronische platforms – was uitgelegd dat inkomsten uit verhuur van kamers via Airbnb slechts gedeeltelijk onder het nieuwe stelsel vallen. ....lees meer
 
28-02-17 Hoge belasting op gebruik gratis woning is ongrondwettelijk, zegt nu ook Antwerps Hof van Beroep
Wie gratis een woning mag gebruiken van zijn werkgever of vennootschap, wordt voor dat gebruik belast op een zogenaamd voordeel van alle aard. ....lees meer
 
website door webalive