nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders voor onbetaalde BTW
 
Artikel 93undecies WBTW, ingevoegd door de programmawet van 20 juli 2006, beoogt de hoofdelijke aansprakelijkheid ten laste van de bestuurders van een aan de B.T.W. onderworpen vennootschap of een VZW of stichting, aan wie een fout kan worden aangewreven in het beheer van de vennootschap of de rechtspersoon, waaruit volgt dat de B.T.W., plus interesten en/of bijkomende kosten, verschuldigd door de vennootschap of de rechtspersoon waarvan zij de dagelijkse leiding waarnemen, onbetaald is gebleven.

1. Historiek.

1. Artikel 93undecies C is in het W.B.T.W. ingevoegd door artikel 15 van de
programmawet van 20 juli 2006. Het is in werking getreden op 28 juli 2006, dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

2. Bedoelde bepaling beoogt de hoofdelijke aansprakelijkheid ten laste van de
bestuurders van een aan de B.T.W. onderworpen vennootschap of van een rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, aan wie een fout kan worden aangewreven in het beheer van de vennootschap of de rechtspersoon, waaruit volgt dat de B.T.W., plus interesten en/of bijkomende kosten,
verschuldigd door de vennootschap of de rechtspersoon waarvan zij de dagelijkse leiding waarnemen, onbetaald is gebleven.

2. Verantwoording van de maatregel.

1. Met haar circulaire nr. AFZ/2006-0604 (AFZ 14/2006) van 24 augustus 2006, verstrekt
de Administratie een eerste commentaar aangaande de voornoemde bepaling. Naar eigen
zeggen beperkt deze commentaar zich “tot de verantwoording die terzake
door de regering werd gegeven”.

2. De navolgende uiteenzetting is ten dele gebaseerd op de voormelde commentaar, waarbij wel moet worden in acht genomen dat deze niet alleen betrekking heeft op de B.T.W., maar - zelfs hoofdzakelijk - op het (nieuwe) artikel 442quater WIB 92 inzake bedrijfsvoorheffing.

3. Het onderzoek van de rechtspraak betreffende de aansprakelijkheid van de zaakvoerders
en de bestuurders ten opzichte van de Fiscale Administraties, brengt onderling
afwijkende gevallen aan het licht naargelang men te maken heeft met de
niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing of van de B.T.W.

4. Op het vlak van de bedrijfsvoorheffing is in de rechtspraak al bij herhaling de
vraag behandeld of de fiscus - bijvoorbeeld na een faillissement - de niet
doorgestorte bedrijfsvoorheffing kan verhalen op de bestuurders.
Traditioneel stelt de Administratie zich op het standpunt dat zulks inderdaad
het geval is. Volgens haar rust immers de verplichting tot doorstorting niet enkel op de vennootschap, maar ook op de bestuurders ervan, waarbij ze zich voornamelijk steunt op artikel 86 van het KB tot uitvoering van het WIB 92. Indien de bestuurders hebben verzuimd de bedoelde verplichting na te komen, dan schenden zij de voormelde bepaling en komt hun aansprakelijkheid in het gedrang.

5. Hoewel de rechtspraak al enkele malen de zienswijze van de Administratie is bijgetreden, sluit een overwegend deel van de rechtsleer zich daar niet bij aan.. Het staat inderdaad niet vast dat de doorstortingsplicht wel degelijk ook bestaat ten aanzien van de bestuurders zelf, die noch zijn vernoemd in noch zijn bedoeld door artikel 270 WIB 92, dat op een beperkende wijze de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing opsomt. De doorstortingsplicht, zoals ze in voornoemd artikel 86 onder woorden is gebracht, kan ook zo worden uitgelegd dat zij, wat bestuurders aangaat, in principe slechts bestaat ten aanzien van personen die het beheer of de leiding waarnemen in entiteiten “zonder” rechtspersoonlijkheid. In deze interpretatie zijn bestuurders van entiteiten “met” rechtspersoonlijkheid niet persoonlijk verplicht de bedrijfsvoorheffing door te storten en bestaat die verplichting enkel ten aanzien van de rechtspersoon zelf. Bestuurders van entiteiten “met” rechtspersoonlijkheid zouden aldus niet op deze gronden kunnen worden aangesproken om zelf de bedrijfsvoorheffing,
die de vennootschap verschuldigd is, te voldoen. De vraag is dan of zij alsnog kunnen worden aangesproken op grond van het feit dat zij als organen van de vennootschap, in voorkomend geval, inbreuk hebben gemaakt op hun algemene zorgvuldigheidsplicht (art. 1382 B.W.). Sommige rechtbanken vonden van wel, maar andere wezen de aansprakelijkheidsvordering af om reden dat de Administratie zich niet kan beperken tot de bewering dat een staking van betaling van de bedrijfsvoorheffing zonder meer een persoonlijke fout uitmaakt in hoofde van elke bestuurder. Zij moet aantonen dat de bestuurders individueel een fout hebben begaan, waarbij hun gedrag moet worden getoetst aan het gedrag van een normaal en zorgvuldig bestuurder in dezelfde omstandigheden.

6. Op het vlak van de B.T.W. lijkt, bij gebrek aan vergelijkbare bepalingen met de voornoemde artikelen 270 en 86 die de hoedanigheid van belastingschuldige in hoofde van een bestuurder zouden kunnen teweegbrengen, het inroepen van diens aansprakelijkheid nog meer precair en verplicht het de Administratie een beroep te doen op de bijzondere bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen. Sommige aansprakelijkheidsvorderingen op grond van artikel 528 van het voornoemde wetboek, ingesteld tegen de bestuurders wegens niet-betaling van de B.T.W. hebben succes gehad, meer bepaald wanneer de ingeroepen fout bestond in het ontbreken van de publicatie van de jaarrekeningen.

7. De artikelen 442quater van het WIB 92 en 93undecies C van het W.B.T.W. beogen een einde te maken aan de onzekerheden die uit de rechtspraak en de rechtsleer voortvloeien, door de invoering van een bijzondere maatregel van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders wanneer het gebrek aan betaling van de bedrijfsvoorheffing of van de B.T.W. het gevolg is van een fout in het besturen van de onderneming.

De genoemde bepalingen die, wat het principe ervan betreft, geïnspireerd zijn op het Nederlands recht (art. 36 Invorderingswet) en op het Frans recht
(art. 266-267 Livre des procédures fiscales) worden ook nog verantwoord door de volgende redenen:
- het gaat om gelden die de onderneming heeft ontvangen (B.T.W.) of heeft ingehouden
op de bezoldigingen (bedrijfsvoorheffing) zonder ze door te storten aan de Schatkist terwijl ze, gelet op hun aard, niet kunnen worden geacht deel uit te maken van de financiële middelen van de onderneming;
- de niet-betaling van de B.T.W. en van de bedrijfsvoorheffing beïnvloedt
onbetwistbaar de inkomsten van de Overheid in de mate waarin die inhoudingen een niet verwaarloosbaar deel uimaken van de openbare financiën.

Deze bepalingen moeten bovendien aan de bestuurders “te goeder trouw” de gelegenheid bieden zich te bevrijden van hun bijzondere aansprakelijkheid in geval van gebrek aan betaling van de B.T.W. of van de bedrijfsvoorheffing.

3. Tegen welke bestuurders kan de hoofdelijke aansprakelijkheid worden ingeroepen ?

1. De nieuwe maatregel doelt op situaties waarin belastingplichtige
vennootschappen zijn te kort geschoten bij de nakoming van hun verplichting
tot betaling van de de B.T.W. Volgens de tekst van artikel 93undecies C, § 3 van het W.B.T.W., is het niet vereist dat ten laste van de vennootschap een procedure van faillissement werd geopend. Het is voldoende dat de B.T.W. niet wordt betaald.

2. Zoals reeds in het nummer 93undecies C/1, 2, supra, is aangegeven, vallen
ook VZW's die hun verplichtingen inzake de betaling van B.T.W. niet nakomen,
onder de toepassing van artikel 93undecies C. Dit geldt echter slechts voor
de grotere VZW's. De kleinere, die zich ingevolge de wet van 27 juni 1921 mogen beperken tot het voeren van een vereenvoudigde boekhouding, blijven buiten het bereik van de nieuwe maatregel. Deze viseert enkel de bestuurders van VZW's die hun boekhouding moeten voeren conform de boekhoudwet.

3. De bestuurders die aan de hoofdelijke aansprakelijkheid worden onderworpen, zijn alle bestuurders die, in feite of in rechte, de bevoegdheid hebben of hebben gehad om de vennootschap of de rechtspersoon te besturen, met uitsluiting van de curatoren van faillissementen, van de vereffenaars van gerechtelijke akkoorden of van andere gerechtelijke mandatarissen
(art. 93undecies C, § 1, derde lid).

4. Artikel 93undecies C viseert evenwel niet alle bestuurders van vennootschappen en (grotere) VZW's maar voert een getrapte regeling in.

5. De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de onbetaald gebleven
B.T.W.-schulden treft op de eerste plaats de bestuurders die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of de rechtspersoon.. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming aan de verplichting tot betaling van de B.T.W. door de vennootschap of de rechtspersoon, indien die tekortkoming
te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het beheer van de vennootschap of de rechtspersoon (art. 93undecies C, § 1, eerste lid).

6. Krachtens artikel 93undecies C, § 1, tweede lid, kan de in het vorige nummer bedoelde aansprakelijkheid worden uitgebreid naar de andere bestuurders van de vennootschap of de rechtspersoon, indien in hunnen hoofde een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de voormelde tekortkoming.

4. De fout in het beheer van de onderneming.

1. Zoals reeds in het nummer 93undecies C/3, 5, supra, is aangegeven, treft de hoofdelijke aansprakelijkheid enkel de bestuurders die bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon, een gemeenrechtelijke fout hebben begaan in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. De niet-betaling
van de B.T.W. moet aan die fout te wijten zijn.

2. Op basis van een analyse van de rechtspraak, verstrekt de administratieve commentaar de volgende voorbeelden van fouten - te begrijpen als acquiliaanse fouten - die de aansprakelijkheid van de bestuurders tot gevolg kunnen hebben:
- de voortzetting van een verlieslatende activiteit ten koste van de
belangen van de schuldeisers;
- een fraude op grote schaal bestaande in het verdoezelen van ontvangsten
 met de bedoeling de B.T.W. te ontwijken;
- het niet betalen van de fiscale of sociale lasten als bewust door de bedrijfsleiders gekozen financieringsmiddel;
- de afwezigheid van de aangifte tot faillietverklaring binnen de maand na de staking van de betalingen en het wankelen van het krediet;
- de onredelijke voortzetting van een verlieslatende activiteit.

3. Krachtens artikel 93undecies C, § 4, kan de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon, slechts worden ingeroepen voor de betaling, in hoofdsom en toebehoren, van de schulden inzake B.T.W.

5. Het weerlegbaar vermoeden dat een fout werd begaan.

1. Daar kwade trouw, in de regel, slechts kan worden verondersteld, behoort het aan de Administratie te bewijzen dat de bestuurder wiens aansprakelijkheid in het gedrang komt, de fout in het beheer van de onderneming heeft begaan.

2. Evenwel, in het geval van herhaalde niet-betaling van een B.T.W.-schuld (belasting, interesten en bijkomende kosten) door de vennootschap of door de rechtspersoon, wordt door artikel 93undecies C, § 2, eerste lid, een weerlegbaar vermoeden ingevoerd dat de herhaalde niet-betaling voortvloeit uit een in het nummer 93undecies C/4, supra, bedoelde fout. Het is dan aan de betrokken bestuurder om te bewijzen dat hij geen fout heeft begaan.

3. Ingevolge artikel 93undecies C, § 2, tweede lid, wordt onder herhaalde overtredingen van de verplichting tot betaling van de B.T.W.-schuld verstaan:
- ofwel, voor een belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van trimestriële aangiften inzake B.T.W., het gebrek aan betaling van ten minste twee eisbare schulden binnen een periode van een jaar;
- ofwel, voor een belastingplichtige die gehouden is tot indienen van maandelijkse aangiften inzake B.T.W., het gebrek aan betaling van ten minste drie eisbare schulden binnen een periode van een jaar.

4. Krachtens artikel 93undecies C, § 3, is er geen vermoeden van fout in de zin van § 2, eerste lid (zie nr. 2, supra) indien de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijk akkoord, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding.

Uit het voorafgaande volgt dat geen beroep meer kan worden gedaan op het vermoeden van fout vanaf de opening van de voormelde procedures. De voorwaarden om op het vermoeden een beroep te doen, moeten dus vóór de opening van voormelde procedures vervuld zijn en de bij ter post aangetekende
kennisgeving (zie nr. 93undecies C/6, infra.) moet eveneens vóór die opening verzonden zijn.

6. Preventieve maatregel: de voorafgaande kennisgeving.

6. Preventieve maatregel: de voorafgaande kennisgeving

1. Het komt hoe dan ook aan de rechtbank toe om kennis te nemen van geschillen terzake van hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders. In het geval van bestuurders van handelsvennootschappen zal dat de rechtbank van koophandel zijn (art. 574, 1° Ger. W.). In de andere gevallen de rechtbank van eerste aanleg.

2. Om het strenge karakter van de hoofdelijke aansprakelijkheid te matigen ten aanzien van bestuurders te goeder trouw, is in een preventieve maatregel voorzien, op grond waarvan de Administratie verplicht is de bestuurder, of de bestuurders, ten wiens laste ze de aansprakelijkheid wil inroepen, te verwittigen alvorens een rechtsvordering wordt ingesteld.

3. De preventieve maatregel, die een verplichte voorafgaande voorwaarde is om de in artikel 93undecies C voorziene vordering tot aansprakelijkheidsstelling in te leiden, bestaat erin dat de B.T.W.-ontvanger naar de bestuurder(s) die hij hoofdelijk aansprakelijk wil stellen, een kennisgeving bij ter post aangetekende brief moet verzenden waarin de geadresseerde wordt verzocht de nodige maatregelen te nemen om de tekortkoming te verhelpen of aan te tonen dat deze niet het gevolg is van een door hem begane fout.

4. De maatregel heeft tot doel een voorafgaandelijk overleg in te stellen tussen de bestuurders waarvan de aansprakelijkheid kan worden ingeroepen en de bevoegde B.T.W.-ontvanger, om die bestuurders de mogelijkheid te verschaffen de omstandigheden van de vastgestelde tekortkoming te verduidelijken, ofwel om aan te tonen dat het niet betalen te wijten is aan andere omstandigheden en dat zij geen fout hebben begaan, ofwel om er over te waken dat de vennootschap of de rechtspersoon het achterwege blijven van de betaling oplost. Het is in dat kader dat, in voorkomende geval, een afbetalingsplan voor de B.T.W.-schuld kan worden overeengekomen.

5. Mede door het feit dat de preventieve maatregel een verplichte voorafgaande voorwaarde is om de rechtsvordering tot aansprakelijkheidsstelling tegen één of mmer bestuurders in te leiden, is krachtens artikel 93undecies C, § 5, eerste lid, die vordering slechts ontvankelijk inzoverre ze wordt ingeleid na het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf de verzending van de kennisgeving door de B.T.W.-ontvanger.

Uit het voorafgaande volgt, dat aangezien het niet noodzakelijk is alle bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon te verwittigen opdat de rechtsvordering die tegen sommigen van hen wordt ingeleid ontvankelijk zou zijn, kunnen enkel de bestuurders aan wie de kennisgeving is verzonden rechtsgeldig worden gedagvaard.

6. Dat een rechtsvordering pas kan worden ingeleid na het verstrijken van een maand na de kennisgeving van de B.T.W.-ontvanger, belet volgens artikel 93undecies C, § 5, tweede lid, niet dat binnen die termijn van één maand bewarende maatregelen worden gevorderd ten laste van het vermogen van de bestuurder of de bestuurders van de vennootschap of rechtspersoon aan wie een kennisgeving is toegezonden.

7. Toepassing van de bestuurdersaansprakelijkheid op handelingen uit het verleden.

1. In fine van haar circulaire nr. 14/2006, brengt de Administratie de regel in herinnering, dat een nieuwe wet niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (Cass., 21 februari 2003, arrest nr. F.01.0016. N).

2. Daar de hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling een nieuwe maatregel is, bedoeld om de invordering van de B.T.W. te verzekeren - en niet het belasten van een nieuwe categorie van verrichtingen, handelingen of feiten - belet niets dat deze van toepassing kan zijn op handelingen uit het verleden.

3. Zelfs als het belastbaar feit van bepaalde handelingen zich heeft voorgedaan vóór de inwerkingtreding van de nieuwe maatregel, is de Administratie van mening dat de toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid volledig kan worden gerechtvaardigd, bijvoorbeeld wanneer een groothandelaar aan zijn klant (kleinhandelaar) goederen heeft verkocht “in het zwart”, die nadien worden doorverkocht zonder B.T.W.



08-08-17 Régularisation fiscale: formulaires pour "montants non-scindés" publiés au moniteur belge (M.B. 31/07/2017)
Le 23 mai 2017, le Gouvernement fédéral et le Gouvernement flamand ont conclu un accord de coopération sur les « montants non-scindés » relatifs au capitaux fiscalement prescrit.....lire la suite
 
07-08-17 Oldtimer pas vanaf 30 jaar
Samen met de ‘vergroening’ van de verkeersbelasting voor lichte vrachtwagens heeft de Vlaamse regering ook het fiscale statuut van oldtimers aangepast.....lire la suite
 
06-08-17 Vier maanden extra voor fiscale bemiddeling
De fiscale bemiddelingsdienst biedt een extra mogelijkheid om een geschil met de fiscus in der minne te regelen.....lire la suite
 
01-08-17 Fiscale regularisatie: formulieren voor ‘onsplitsbare bedragen’ in Staatsblad verschenen (BS 31/7/2017)
Op 23 mei 2017 werd zoals wij al eerder meedeelden een samenwerkingsakkoord afgesloten tussen de Federale en de Vlaamse regering omtrent de zogenaamde ‘onsplitsbare bedragen’ m.b.t. verjaard oorsprongskapitaal. ....lire la suite
 
site web par webalive