nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Leidraad inning en invordering
 
Bericht aan de studenten van Prof. Leo DE BROECK. Hierna volgt het schema van de cursus Inning en Invordering. Dit schema vormt naast uw lesnota's een hulpmiddel om de leerstof voor het vak Inning en Vervolging in te studeren.

De belangrijkste “reflexen” worden in dit schema behandeld. De lesnota's blijven evenwel ook belangrijk. Zoals steeds in de lessen is benadrukt, komt het er in het bijzonder op neer logisch te redeneren eerder dan te memoriseren. Zo gaat het er immers ook in de praktijk aan toe. Alle wetboeken zijn toegelaten.

De belangrijkste “reflexen” worden in dit schema behandeld. De lesnota's blijven evenwel ook belangrijk. Zoals steeds in de lessen is benadrukt, komt het er in het bijzonder op neer logisch te redeneren eerder dan te memoriseren. Zo gaat het er immers ook in de praktijk aan toe. Alle wetboeken zijn toegelaten.

De afspraken die de laatste les werden gemaakt, blijven integraal behouden.

Alvast veel succes!

1. Inleidend hoofdstuk

Wettelijke basis:

Inkomstenbelastingen: WIB 1992, maar ook het KB tot uitvoering van het WIB

BTW: inz. WBTW (slechts een paar artikelen - de invorderingsmaterie wijkt immers minder af van het gemeen recht)

Successierechten, registratierechten: slechts een paar artikelen voorzien in de respectieve wetboeken (cf. BTW)

Douane en accijnzen: aparte regeling (ook na fiscale procedurewetten van maart 1999 - is erg repressieve materie, waar de ambtenaren verregaande bevoegdheden krijgen toegewezen - huiszoeking, fouilleren, ...)

Voor alle belastingtakken: Burgerlijk Wetboek (bijv. om na te gaan welk vermogen van een gehuwde belastingplichtige mag worden aangesproken, tenzij afwijking in een fiscale wet, zoals bijv. artikel 394 WIB 1992-- zie hierna), Gerechtelijk Wetboek (met o.m. beslagrecht), Bijzondere Wetgeving vervat in de wetgeving m.b.t. het Gerechtelijk Akkoord, het Faillissement en de Collectieve Schuldenregeling

Let op: fiscale Invordering wordt meer dan vroeger een 'levende' rechtstak, die soms verborgen zit in afzonderlijke wetten (los van vb. WIB en WBTW): bijvoorbeeld de (Programma)wet van van 27 december 2004 (artt. 334-338) inzake de fiscale schuldvergelijking sui generis

Belangrijkste “spelers” bij invordering:

Ontvanger: dualiteit ! is zowel “rekenplichtige” (verantwoording verschuldigd aan het Rekenhof - Ontvanger is persoonlijk aansprakelijk) als “ambtenaar” (onder het gezag van de Minister van Financiën)

Comptabiliteitsinspecteur en (adjunct-)Directeur: controleren de goede werking van de ontvangkantoren, maar kunnen Ontvanger niet bevelen om bijv. een afbetalingsplan toe te staan

Juridische cellen: adviseren Ontvangers

Belangrijkste taken van een Ontvanger:

Onderzoeksbevoegdheden (art. 319bis WIB 1992) - doelgebonden bevoegdheden (enkel met het oogmerk tot invordering over te gaan)

Vervolgingen instellen (betekening bevel tot betaling laten doen, beslag laten leggen, ...) - de rechtsleer is het er nog niet volkomen over eens welke rechtbank moet worden gevat (aangesproken) wanneer bepaalde invorderingsdaden worden gesteld waarmee de belastingplichtige niet akkoord kan gaan (de bijzondere fiscale rechtbanken of de beslagrechters), als er niet binnen de normale termijnen zou betaald worden

Uitstel of gemak van betaling: aangezien de Ontvanger persoonlijk aansprakelijk is voor het welslagen van de invordering, kan hij alleen beslissen of uitstel wordt verleend - sinds de procedurewetten van maart 1999 gaat de rechtsleer er van uit dat de belastingplichtige bij weigering van uitstel van betaling toch naar de fiscale rechtbank kan stappen

Bevoegdheid om waarborgen te nemen (hypothecaire inschrijving, aanvaarden persoonlijke borgstelling, ...)

Inzage Rijksregister, nationaal en regionaal repertorium

Etc.

Ook de fiscale Administratie (incl. de Ontvanger) moet zich houden aan de regels van behoorlijk bestuur (cf. Cassatie, 27 maart 1992, R.W., 1991-92, p. 1466). Bepaalde “beginselen” zijn ondertussen reeds wet geworden:

Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen : is op alle besturen van toepassing, dus ook op het fiscaal bestuur (geldt dus ook voor de Ontvangers); indien andere wetten in een strengere motivering voorzien (bijv. artikel 346 WIB 1992 - motivering bericht van wijziging), geldt deze strengere bepaling evenwel; hoewel de Wet Motivering Bestuurshandelingen niet in een concrete bestraffing voorziet, gaat de rechtspraak ervan uit dat een aanslag die werd gevestigd met miskenning van de Wet, nietig is

Wet 11 april 1994 inzake de openbaarheid van bestuur: hoewel de Raad van State eerst leek te twijfelen, gaat hij er thans van uit dat de Wet Openbaarheid Bestuur ook in fiscale materies van toepassing is; indien een andere wet evenwel in een bijzondere procedure voorziet, geldt deze laatste wet; voor bezwaarschriften t.e.m. aanslagjaar 1998 (dus “oude” procedure) voorzag de fiscale wet in de mogelijkheid van inzage te vragen in het administratief dossier; voor deze aanslagjaren is dus in een afwijkende regeling voorzien, die moet worden gevolgd; voor bezwaarschriften vanaf aanslagjaar 1999 is in de bezwaarprocedure niet langer voorzien dat inzage kan worden gevraagd in het administratief dossier; thans moet inzage worden gevraagd op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur; bij lectuur van de Wet Openbaarheid Bestuur zal het opvallen dat het bestuur (bijv. de fiscale administratie) een inzage kan weigeren indien andere elementen (bijv. 's lands veiligheid) belangrijker zouden zijn - bestudeer hieromtrent aandachtig artikel 6 van de Wet (§1: relatieve imperatieve uitzonderingen; §2: absoluut imperatieve uitzonderingen; §3: facultatieve uitzonderingen); ken ook de procedure die moet doorlopen worden

Wet 22 maart 1995: de federale ombudsmannen als “scheidsrechters” tussen de fiscale ambtenaar en de belastingplichtigen?

2. Inningstitel: kohier versus dwangbevel

Belastingen ontstaan krachtens de jaarlijkse Financiewet. Dit maakt de belastingschuld zeker.

Door de inkohiering (inkomstenbelastingen) of het uitvaardigen van een dwangbevel (BTW, Succ., Reg., ...) wordt de belastingschuld opeisbaar of verschuldigd. Dit maakt de belastingschuld vaststaand.

Een kohier is een lijst die de naam, voornaam, adres van de belastingschuldigen bevat, zowel als de aard en het bedrag van de door elk van hen te betalen belastingschulden. Het is een authentieke akte, die “titel” verschaft, en die door de directeur-generaal der belastingen (of een gedelegeerde) uitvoerbaar verklaard wordt. De wet legt haast geen vormvoorschriften op.

Bij inkohiering (ter kennisgegeven door het verzenden van een aanslagbiljet - zie punt 3 hierna) kan de belastingplichtige grosso modo op drie verschillende wijzen reageren:
ofwel betaalt hij (evt. gespreid in de tijd);
ofwel gaat hij in bezwaar (opletten: tijdig in bezwaar gaan!);
ofwel stapt hij naar de beslagrechter (minder gebruikelijk).

Niet-geldig ingekohierde aanslagen zijn nietig. Eventuele betalingen of inhoudingen moeten worden teruggeven. Midden de jaren '80 hebben heel wat belastingplichtigen hun “bedrijfsvoorheffing” teruggevraagd, omdat de bedrijfsvoorheffing toen niet werd ingekohierd en dus nooit tijdig “belastingen zijn geworden”. Enkel indien achteraf bleek dat te weinig bedrijfsvoorheffing werd ingehouden, of te weinig werd voorafbetaald, werd het saldo  effectief ingekohierd. Bij gebreke van inkohiering, kon de bedrijfsvoorheffing of voorafbetaling dus nooit belasting worden. De Administratie moest tot terugbetaling overgaan. Of moratoriuminteresten moeten worden betaald, wordt thans geregeld in het nieuwe artikel 419 WIB 1992.

De inningstitel inzake B.T.W., registratierechten, successierechten, enz. wordt dwangbevel genoemd en heeft net als het kohier een declaratieve en executoire werking. Het onderscheid met kohier bestaat erin dat de dwangbevelen tevens invorderingsmaatregelen zijn; enkel uitgevaardigd wanneer de ontvanger tot dwang moet overgaan en derhalve over een uitvoerbare titel moet beschikken. Een dwangbevel inzake BTW heeft dus een dubbele functie: een titel creëren zoals een kohier inzake directe belastingen enerzijds en een eerste daad van invordering anderzijds.

3. Aanslagbiljet en betaaltermijnen


Het aanslagbiljet is een uittreksel uit het artikel van het kohier waarin de belastingschuldige is opgenomen. Door het verzenden van het aanslagbiljet geeft de Administratie kennis van de belastingschuld en van de uiterste datum waarop de belasting moet worden betaald. Een fout in het aanslagbiljet heeft geen invloed op de vestiging zelve van de belastingen (Cassatie, 27 september 1960, Bull. Bel., nr. 372, p. 268).

Het aanslagbiljet wordt aan de belastingplichtige toegezonden van zodra het kohier is uitvoerbaar verklaard. Sinds een vijftiental jaren worden de aanslagbiljetten (om budgettaire redenen) bij gewone post verzonden. De Administratie moet de verzending van de aanslagbiljetten kunnen bewijzen. Dit kan zijn parten spelen bij het berekenen van de bezwaartermijn (“datum van verzending van het aanslagbiljet” of “van de kennisgeving van de belasting” - artikel 371 WIB 1992). De rechtspraak gaat zelfs soms zo ver te stellen dat de bezwaartermijn pas begint te lopen van zodra de Administratie kan bewijzen dat de belastingplichtige kennis heeft gekregen van de aanslag.

Opmerking: bij Wet van 13 december 2005 werd artikel 53bis in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd. Met de wetswijziging schaart de wetgever zich achter de door het Arbitragehof gehuldigde ontvangsttheorie. De termijn om een tijdig fiscaal verzoekschrift in te dienen, wordt daardoor verlengd. Hoewel deze wetswijziging geen rechtstreekse implicaties heeft voor voormelde bezwaartermijn, sluit bepaalde rechtsleer niet uit om deze regeling toch in te roepen (al was het maar met verwijzing naar een arrest van het Hof van beroep te Bergen dd. 30 juni 2005 - zie Fisc. Act., 2006/1-4).

De betalingstermijnen zijn voorzien in de artikelen 412 en 413 WIB 1992. Voor ingekohierde belastingen geldt als algemene regel een betaaltermijn van twee maanden na toezending van het aanslagbiljet. Wanneer evenwel de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, kan de Ontvanger de bedragen onmiddellijk opeisbaar stellen. Aangezien dit in een specifieke wetsbepaling is voorzien, moet de Ontvanger (overeenkomstig de Wet Motivering Bestuurshandelingen - zie punt 1 hiervoor) zijn beslissing motiveren.

In bepaalde gevallen kan de eisbaarheid van de belastingen worden opgeschort: zie bijv. de artikelen 410 en 411 WIB 1992.


4. Betaling en kwitanties


In de regel zal het de Ontvanger van directe belastingen zijn die inkomstenbelastingen int. Soms duidt de wet om praktische redenen andere personen aan om tot inning over te gaan (bijv. de ontvanger der registratie - artikel 177 KB tot uitvoering van het WIB).

Artikel 139 KB tot uitvoering van het WIB regelt op een limitatieve wijze hoe belastingschulden kunnen worden betaald. Een betaling in contanten aan de Ontvanger zelve is (om veiligheidsredenen) niet voorzien. In datzelfde artikel wordt voorzien hoe de betaling kan worden bewezen.

Artikel 166 KB tot uitvoering van het WIB voorziet ook nog in de mogelijkheid van de fiscale verrekening: wanneer de belastingplichtige belastingen “terugtrekt”, maar hij heeft een andere belastingschuld nog niet betaald, dan mag de Administratie de terugbetaling inhouden en het geld aanrekenen op die nog niet betaalde belastingschuld (zelfs al zou tegen die laatste belastingschuld een bezwaar hangende zijn). Wanneer achteraf zou blijken dat deze laatste belastingschuld terecht werd betwist in bezwaar, dan zal de belastingplichtige de som geld (terug)krijgen, verhoogd met moratoriuminteresten (zie punt 5 hierna).

In artikel 142 KB tot uitvoering van het WIB wordt bepaald wat de exacte betaaldatum is. Merk op dat deze afwijkt van de gemeenrechtelijke regeling.

5. Nalatigheidinteresten en moratoriuminteresten

5.1. Nalatigheidsinteresten.

Wanneer belastingschulden niet tijdig worden betaald, zijn nalatigheidinteresten verschuldigd t.b.v. (thans) 7 % per jaar. De artikelen 414 tot 417 WIB 1992 bepalen hoe deze interesten worden berekend. In grote lijnen komt het hierop neer dat de interesten worden berekend per kalendermaand, vertrekkend nadat twee maanden na toezending van het aanslagbiljet zijn verstreken: de vervalmaand wordt evenwel niet meegerekend, maar de maand van betaling (ook al is die nog maar net begonnen) wordt voor een volle maand geteld (in de praktijk moet U ervoor zorgen op het juiste moment te betalen; anders betaalt U misschien teveel nalatigheidinteresten).

Artikel 415 WIB 1992 voorziet in zogenaamde retroactieve nalatigheidinteresten: in dat geval worden in de regel nalatigheidinteresten berekend vanaf 1 juli van het jaar volgend op het aanslagjaar. Typevoorbeeld: in 2000 heeft een belastingplichtige gefraudeerd (zwarte inkomsten), maar de fiscus ontdekt de fraude (en de zwarte inkomstenstroom) en gaat nog binnen de aanslagtermijnen - in kalenderjaar 2005 - tot inkohiering over. Wanneer een belastingverhoging van minstens 50 % wordt opgelegd, zullen er vanaf 1 juli 2002 nalatigheidinteresten verschuldigd zijn (want inkomsten 2000 = aanslagjaar 2001, dus 1 juli van het jaar volgend op het aanslagjaar = 1 juli 2002). Ook artikel 416 WIB1992 wijkt inzake het belasten van (tijdelijke) vrijgestelde meerwaarden (cf. artikel 47 WIB 1992) af van de algemene regel betreffende de vaststelling van de vervaldag van de niet aan de bron verschuldigde belastingen.

In geval van bezwaar, lopen de interesten na verloop van tijd niet meer (= schorsing), tot dat de Directeur een beslissing heeft genomen of tot dat de zaak voor de rechtbanken wordt gebracht (artikel 414 WIB 1992). De belastingplichtige heeft immers geen echte greep op de duur van de behandeling van een bezwaarschrift: soms duurt het jaren voor een directoriale beslissing wordt getroffen [al valt dat de laatste jaren wel heel goed mee]. Aangezien dit dan niet (noodzakelijk) de fout van de belastingplichtige is, kan hij er ook niet voor worden bestraft door achteraf torenhoge interesten te moeten betalen indien hij in het ongelijk zou worden gesteld.

De Directeur (Invordering) kan vrijstelling verlenen van nalatigheidinteresten, of van een gedeelte ervan (artikel 417 WIB 1992).

5.2. Moratoriuminteresten.

In de artikelen 418 en 419 WIB 1992 wordt bepaald dat ook de Administratie interesten, moratoriuminteresten genoemd, moet betalen, wanneer de belastingplichtige zijn belastingen zou hebben betaald, maar achteraf zou gebleken zijn dat de belastingen niet verschuldigd waren. De berekeningswijze is identiek aan deze van de nalatigheidinteresten, maar de moratoriuminteresten lopen (vanzelfsprekend) door indien de belastingplichtige in bezwaar gaat. Let op voor het gewijzigde artikel 419 WIB 1992 (zie reeds de opmerking hiervoor in punt 2).

6. Aanrekening van de betalingen

Artikel 143 KB tot uitvoering van het WIB voorziet volgende regeling:

de belastingplichtige heeft het recht een keuze te maken welke belastingen hij eerst wenst terug te betalen; maakt hij die keuze niet, dan kan de Ontvanger zelf beslissen op wat de betaling zal worden aangerekend

regel van de absolute voorrang: er moet steeds op de kosten van alle aard (inningsrecht, kosten gemaakt door gerechtsdeurwaarders, ...) inbegrepen, ongeacht de aanslagjaren waarop zij betrekking hebben, worden toegerekend

regel van de relatieve voorrang: wanneer een bepaalde aanslag wordt gekozen, en er moeten voor de gekozen aanslag nalatigheidinteresten worden betaald, dan moet eerst op deze interesten worden aangerekend, en pas daarna op de eigenlijke belastingen zelf.

7. Verjaring van de belastingschuld

De begrippen verjaring, stuiting van de verjaring en schorsing van de verjaring zijn begrippen uit het gemeen recht.

Verjaring is een middel om een recht te verkrijgen of van een verbintenis te worden bevrijd, onder door de wet bepaalde voorwaarden en na verloop van een wettelijk vastgestelde tijd (2219 B.W.).

Inzake inkomstenbelastingen mocht de Koning tot voor kort de verjaringstermijn bepalen: vijf jaar vanaf hun eisbaarheid (vroeger artikel 145 KB tot uitvoering van het WIB - sinds 10 januari 2004: artikel 443bis en ter W.I.B. 1992).

Inzake BTW, registratierechten en successierechten worden in de respectieve wetboeken de verjaringstermijnen bepaald (weet die verjaringstermijnen te vinden in deze wetboeken).

De verjaringstermijn kan o.m. worden gestuit (d.w.z. dat een nieuwe termijn begint te lopen) door een dwangbevel, een bevel tot betaling of door het ondertekenen door de belastingplichtige van een verklaring tot afstand van de verlopen verjaring.

Let evenwel op: ondertekenen of spontaan betalen kan de Administratie beschouwen als een schulderkenning, zeker inzake indirecte belastingen. Tracht zoveel mogelijk clausules in te lassen in de zin van “onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige bekentenis”. Inkomstenbelastingen (bijv. PB) mag U evenwel zondermeer betalen, en daarna nog in bezwaar gaan. BTW spontaan betalen ligt heel wat moeilijker: bepaalde rechtspraak ziet hierin immers zoals gesteld een schulderkenning.

Sinds 10 januari 2004 gelden inzake inkomstenbelastingen volgende regels inzake schorsing en stuiting:

Artikel 443bis W.I.B.

§ 1. Directe belastingen zomede de onroerende voorheffing verjaren door verloop van vijf jaren vanaf de datum waarop ze dienen betaald te zijn krachtens artikel 413.
De roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing verjaren door verloop van vijf jaren vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier waarin ze zijn opgenomen krachtens artikel 304, § 1, tweede lid.

§ 2. De termijn bedoeld in § 1 kan worden gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek of door afstand te doen van de op de verjaring verlopen termijn. In geval van stuiting van de verjaring treedt een nieuwe verjaring in, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, door verloop van vijf jaren na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring is gestuit, indien geen geding voor het gerecht aanhangig is.

Artikel 443ter W.I.B. 1992

§ 1. Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belastingen en voorheffingen dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belastingen of voorheffingen of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.

Het bezwaar en de in artikel 376 bedoelde aanvraag tot ontheffing schorsen eveneens de verjaring.

§ 2. De schorsing vangt aan met de inleidende vordering en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Evenwel in geval van bezwaarschrift of aanvraag tot ambtshalve ontheffing bedoeld in artikel 376, vangt de schorsing aan met het verzoek waarbij het administratief beroep wordt ingeleid. Zij eindigt :

- wanneer de belastingplichtige een rechtsvordering heeft ingesteld, op de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan;
- in de andere gevallen, na verloop van de termijn die voor de belastingplichtige openstaat om een beroep in te stellen tegen de administratieve beslissing.

De artikels 443bis en ter W.I.B. 1992 zijn er gekomen na de Cassatiearresten van 10 november 2002 en Cass. 21 februari 2003 waarin ons Hoogste Gerechtshof formeel heeft bevestigd dat geen uitvoerende handelingen, zoals het betekenen van een dwangbevel, kunnen worden gesteld ingeval van een betwiste belastingschuld (Cass. 10 november 2002 en Cass. 21 februari 2003):

“Overwegende dat inzake belastingen een dwangbevel een middel van tenuitvoerlegging is dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt en een uitvoerende beslagmaatregel voorafgaat; dat geen middelen van tenuitvoerlegging kunnen worden aangewend om het met een bezwaar of beroep bestreden gedeelte van de ingekohierde belastingschuld in de vorderen.

Dat een belastingsbevel betekend voor aldus betwiste belastingschulden, niet geldig kan zijn en geen stuitende werking heeft.”

Het Hof van Cassatie, daarin ondertussen gevolgd in lagere rechtspraak (Rb. Brussel 17 november 2004, Fisc. nr. 961, p. 4; Rb. Brugge 1 februari 2005, Fisc. nr. 969, p. 1) is terzake duidelijk: er kunnen (vóór de invoering van de artikelen 443bis en ter W.I.B. 1992) geen uitvoerende daden worden gesteld tegen betwiste belastingschulden, die niet gesteund zijn op een uitvoerbare titel. Dwangbevelen, maar volgens bepaalde rechtspraak ook verjaringstuitende bevelen tot betaling (Rb. Brussel 17 november 2004, Fisc. nr. 961, p. 4; Rb. Brugge 1 februari 2005, Fisc. nr. 969, p. 1; Fisc. Act. 2005, nr. 6, p. 4 ev.) zijn dus uit den boze.

Praktisch heeft dit tot gevolg dat oude betwiste aanslagjaren voor goed verjaard kunnen zijn. De praktijkfiscalist moet er over waken dat geen verjaarde belastingschulden worden betaald (omdat men er in [cassatie]rechtspraak van uitgaat dat dergelijke betalingen niet kunnen worden teruggevorderd op basis van onverschuldigde betaling.

De zogenaamde “interpretatieve wet” vervat in artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004, volgens dewelke een dwangbevel inzake inkomstenbelastingen “ook moet geïnterpreteerd worden als een verjaringstuitende akte in de zin van art. 2244 B.W., zels indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft”, zou hieraan volgens de eerste voorhanden zijn rechtspraak niet kunnen verholpen worden, vermits de tekst van artikel 2244 B.W. duidelijk is en geen interpretatie behoeft (Rb. Brussel 17 november 2004, Fisc. 961,p. 4 ev.).

Het Arbitragehof is zijn arresten van 7 december 2005 (Fisc. Act. 2005, 43/1-4) en zeker in het arrest van 1 februari 2006 formeel: de programmawet van 9 juli 2004 zou wel degelijk terugwerkende kracht hebben. In zijn motivering zegt het Hof dat de programmawet op zich geen terugwerkende kracht verleent aan het welbewuste artikel 49, maar dat zowel uit het opschrift van hoofdstuk XII van die programmawet waarvan art. 49 het enige artikel vormt als uit de parlementaire voorbereidingen van de wet blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is geweest om aan deze bepaling terugwerkende kracht te verlenen zodat artikel 49 van toepassing moet worden geacht op feit die nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.

De rechtsleer is zich momenteel aan het beraden omtrent het standpunt dat in deze problematiek moet worden ingenomen. Daarbij wordt overigens ook de vraag gesteld of dezelfde redenering kan worden gemaakt voor betwiste belastingschulden die met een (verjaringstuitend) bevel tot betaling werden gestuit.

Er blijft dus nog onzekerheid bestaan omtrent de zogenaamde 'verjaarde' (betwiste) belastingschulden.

8. Belastingschuldige

Regel

De schuldenaar van de belasting is gewoonlijk de persoon in het kohier opgenomen of hij die door de wet wordt aangeduid om bijv. de voorheffing te storten, of nog, hij die in de plaats komt van de in het kohier opgenomen belastingschuldige of van de schuldenaar van voorheffingen. De schuldenaar kan zowel een natuurlijk persoon zijn (ook gehuwden) als een rechtspersoon (vennootschappen of verenigingen).

Problemen

1. Soms worden de invorderingsmogelijkheden verhinderd of beperkt. Zo zou een belastingplichtige zijn plichten kunnen trachten te ontlopen door naar het buitenland uit te wijken. Vaak een slechte keuze, want met heel wat landen heeft België “dubbelbelastingverdragen” gesloten, waarin is voorzien in (algemene of beperkte) invorderingsbijstand.

2. Overigens moet (ook als raadsman van een belastingplichtige) worden opgelet dat de belastingplichtige zich onvermogend maak. Niet alleen voorziet ons Burgerlijk Wetboek in de mogelijkheid om bepaalde handelingen te negeren (de Administratie kan bijv. doen alsof een verkoop van de wagen van een belastingplichtige niet is gebeurd, en deze wagen dus gedwongen verkopen al is die juridisch van iemand anders - cf. “de pauliaanse vordering” of de “zijdelingse vordering” van de artikelen 1166 en 1167 Burgerlijk Wetboek), maar bovendien wordt dit strafrechtelijk beteugeld (ook de mededaders en medeplichtigen, zoals raadslieden!?) op grond van artikel 490bis Strafwetboek.

3. Sinds 1 januari 2005 heeft de fiscale administratie een nieuw wapen op het vlak van invordering, de zogenaamde fiscale schuldvergelijking sui generis (zie art. 334-338 Programmawet 27 december 2004), op grond waarvan het mogelijk is openstaande belastingschulden te innen door wettelijke schuldvergelijking tussen teveel betaalde directe belastingen en BTW-schulden, en omgekeerd.

Tot voor 1 januari 2005 was dit enkel mogelijk tussen schuldvorderingen en fiscale schulden van dezelfde aard.

De wederzijdse aanwending mag enkel indien de aan te zuiveren schuld niet of niet meer wordt betwist. De schuld waarop het belastingkrediet of het terug te betalen bedrag wordt aangewend, moet derhalve het karakter hebben van een zekere, vaststaande en opeisbare schuld.

Een verdere toelichting kan worden gevonden in de circulaire van AINV/2005 dd. 24 maart 2005.

4. Bijzondere regelingen voor onvermogende belastingschuldenaars

Hierna volgt pro memorie (is dus geen examenstof, behalve d) enkel een summiere opsomming van bijzondere regelingen, waarnaar ook de ontvanger zich dient te richten

a. Fiscale schulden en gerechtelijk akkoord
b. Fiscale schulden en faillissement
c. Fiscale schulden en collectieve schuldenregeling (na wijzigingswet dd. 13 december 2005)
d. Fiscale schulden en onbeperkt uitstel van invordering van directe belastingen (artt. 413bis-octies WIB 1992 - zie ook circulaire AINV 5/2005 dd. 25 augustus 2005), van toepassing met ingang van 1 januari 2005

Artikel 413bis

§ 1. Op het verzoek van een belastingschuldige, natuurlijke persoon, of van zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan de directeur der belastingen het onbeperkt uitstel van de invordering van de ten laste van de belastingschuldige gevestigde inkomstenbelastingen in hoofdsom, de belastingverhogingen, de boeten en interesten, met uitsluiting van de voorheffingen verlenen.

De directeur der belastingen stelt de voorwaarden waaronder hij, geheel of gedeeltelijk, het onbeperkt uitstel van de invordering verleent van een of meerdere aanslagen. Hij verbindt zijn beslissing aan de voorwaarde dat de verzoeker onmiddellijk of gespreid een betaling doet van een som die bestemd is om te worden aangewend op de verschuldigde belastingen en waarvan het bedrag door hem wordt bepaald.

Het onbeperkt uitstel van de invordering van de directe belastingen zal slechts uitwerking hebben na de betaling van de in het tweede lid vermelde som.

§ 2. Het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering is enkel ontvankelijk voor zover :

1° de verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich in een toestand bevindt waarin hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen;

2° de belastingplichtige geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering heeft verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

§ 3. Het onbeperkt uitstel van de invordering kan eveneens ambtshalve worden verleend aan de belastingschuldige, onder de voorwaarden bedoeld in de §§ 1 en 2, op voorstel van de ambtenaar belast met de invordering.

§ 4. Onverminderd artikel 410, derde lid, kan de directeur der belastingen geen onbeperkt uitstel van de invordering verlenen voor betwiste belastingen of voor belastingen waarvoor nog een bezwaar of een vordering in rechte kan worden ingediend, noch voor belastingen of aanvullende belastingen gevestigd ten gevolge van de vaststelling van een fiscale fraude.

Artikel 413bis

§ 1. Op het verzoek van een belastingschuldige, natuurlijke persoon, of van zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan de directeur der belastingen het onbeperkt uitstel van de invordering van de ten laste van de belastingschuldige gevestigde inkomstenbelastingen in hoofdsom, de belastingverhogingen, de boeten en interesten, met uitsluiting van de voorheffingen verlenen.

De directeur der belastingen stelt de voorwaarden waaronder hij, geheel of gedeeltelijk, het onbeperkt uitstel van de invordering verleent van een of meerdere aanslagen. Hij verbindt zijn beslissing aan de voorwaarde dat de verzoeker onmiddellijk of gespreid een betaling doet van een som die bestemd is om te worden aangewend op de verschuldigde belastingen en waarvan het bedrag door hem wordt bepaald.

Het onbeperkt uitstel van de invordering van de directe belastingen zal slechts uitwerking hebben na de betaling van de in het tweede lid vermelde som.

§ 2. Het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering is enkel ontvankelijk voor zover :

1° de verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich in een toestand bevindt waarin hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen;

2° de belastingplichtige geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering heeft verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

§ 3. Het onbeperkt uitstel van de invordering kan eveneens ambtshalve worden verleend aan de belastingschuldige, onder de voorwaarden bedoeld in de §§ 1
en 2, op voorstel van de ambtenaar belast met de invordering.

§ 4. Onverminderd artikel 410, derde lid, kan de directeur der belastingen geen onbeperkt uitstel van de invordering verlenen voor betwiste belastingen of voor belastingen waarvoor nog een bezwaar of een vordering in rechte kan worden ingediend, noch voor belastingen of aanvullende belastingen gevestigd ten gevolge van de vaststelling van een fiscale fraude.

Artikel 413ter

§ 1. Het verzoek tot uitstel moet worden gemotiveerd en moet bewijskrachtige elementen bevatten met betrekking tot de toestand van de verzoeker.

§ 2. Het wordt bij ter post aangetekende brief ingediend bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd zijn woonplaats heeft.

§ 3. Er wordt een ontvangstbewijs van uitgereikt aan de verzoeker met vermelding van de datum van ontvangst van het verzoek.

Artikel 413quater

De behandeling van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering wordt toevertrouwd aan de ambtenaar belast met de invordering.

Teneinde de behandeling van het verzoek te verzekeren, beschikt deze ambtenaar over de onderzoeksbevoegdheden zoals bedoeld in artikel 319bis.

In het kader van deze behandeling, kan hij met name van de kredietinstellingen, die onderworpen zijn aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, alle hen gekende inlichtingen eisen die nuttig kunnen zijn teneinde de vermogenssituatie van de verzoeker te bepalen.

Artikel 413quinquies

§ 1. De directeur der belastingen doet uitspraak bij gemotiveerde beslissing binnen de zes maanden na de ontvangst van het verzoek.
Zijn beslissing wordt ter kennis gebracht van de verzoeker bij ter post aangetekende brief.

§ 2. Ze kan, binnen de maand van de kennisgeving, het voorwerp uitmaken van een beroep bij een commissie samengesteld uit ten minste twee en ten hoogste vier directeurs der belastingen aangewezen door de minister die de Financiën onder zijn bevoegdheden heeft, onder het voorzitterschap van de ambtenaar die de leiding heeft over de diensten belast met de invordering van de inkomstenbelastingen, of zijn afgevaardigde.

Er wordt een ontvangstbewijs van uitgereikt aan de eiser met vermelding van de datum van ontvangst van het beroep.

De commissie doet uitspraak bij gemotiveerde beslissing binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep.

De beslissing van de commissie is niet vatbaar voor beroep. Ze wordt ter kennis gebracht van de eiser per aangetekende brief.

Artikel 413sexies

De indiening van het verzoek of van het voorstel tot onbeperkt uitstel van de invordering schorst alle middelen van tenuitvoerlegging tot op de dag dat de beslissing van de directeur definitief is geworden of, in het geval van beroep, tot op de dag van de kennisgeving van de beslissing van de commissie bedoeld in artikel 413quater. De reeds gelegde beslagen behouden echter hun bewarende werking.

Het indienen van het verzoek of van het voorstel tot onbeperkt uitstel van de invordering doet echter geen afbreuk aan andere maatregelen welke ertoe strekken de invordering van de belastingen te waarborgen, noch aan de betekening van een dwangbevel teneinde de verjaring te stuiten.

Artikel 413septies

De belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd verliest het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering wanneer hetzij :

1° hij onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen;

2° hij de door de directeur der belastingen in zijn beslissing vastgestelde voorwaarden niet eerbiedigt;

3° hij onrechtmatig zijn passief heeft verhoogd of zijn actief heeft verminderd;

4° hij zijn onvermogen heeft bewerkt.

Artikel 413octies

De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden voor de artikelen 413bis tot 413sexies. Hij kan met name de objectieve voorwaarden bepalen voor het vaststellen van de som die moet worden betaald door de verzoeker, zoals bedoeld in artikel 413bis, § 1.


5. Bijzondere regelingen voor het invorderen van gehuwde belastingschuldenaars

Belastingen ingekohierd op naam van meerdere personen

Wanneer de belasting is ingekohierd op naam van meerdere personen, voorziet artikel 393 WIB 1992 in de invorderingsmogelijkheid van elk van hen volgens een evenredigheidregel. Datzelfde artikel voorziet evenwel in het tweede lid in mogelijkheden van tenuitvoerlegging hetzij krachtens de bepalingen van het gemeen recht (bijvoorbeeld het huwelijksvermogensrecht - zie de artikelen 1387 e.v. Burgerlijk Wetboek) hetzij krachtens het fiscaal recht (bijv. artikel 394 WIB 1992).

In het Burgerlijk Wetboek wordt een gehele “vermogensregeling” uitgewerkt voor gehuwden.


A. Echtgenoten gehuwd onder het wettelijk stelsel: gemeenrechtelijke regeling van hun vermogens


Indien gehuwden niets voorzien, is het zogenaamde wettelijk stelsel op hen van toepassing (artikelen 1398 tot 1450 Burgerlijk Wetboek). Het is opgezet als een scheiding van goederen, met een gemeenschap van aanwinsten. Alle goederen en inkomsten van vóór het huwelijk blijven eigen, evenals alle schenkingen en erfenissen (deze laatste ook ontvangen tijdens het huwelijk). In de “gemeenschap” (d.i. het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten) vallen de opbrengsten die tijdens het huwelijk verworven worden, hetzij van eigen goederen of arbeid, hetzij van gemeenschappelijke goederen, en ook de desbetreffende schulden. De artikelen 1399 tot 1404 Burgerlijk Wetboek bepalen wat zich allemaal in het eigen vermogen van elk der echtgenoten bevindt; artikel 1405 wat in de gemeenschap zit. De artikelen 1406 tot 1408 bepalen of het om een eigen schuld dan wel om een gemeenschappelijke schuld gaat. In artikel 1408 staat dat gemeenschappelijk is, de schuld door één der echtgenoten aangegaan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen. Hiertoe behoren ook de beroepsschulden (bijv. de man is zelfstandige bakker, en moet BTW betalen aan de Staat = een beroepsschuld). De artikelen 1409 tot 1414 regelen dan op welke vermogens de schuldeisers (van de eigen vermogens respectievelijk  het gemeenschappelijk vermogen)  aanspraak kunnen maken. De beroepsschulden (zoals de BTW van de bakker) zijn slechts verhaalbaar op het gemeenschappelijk vermogen en op het eigen vermogen van de “contracterende” echtgenoot. De BTW-schuld kan dus in de regel niet worden verhaald op het eigen vermogen van de vrouw van de bakker. In het BTW-wetboek is niet in een bijzondere afwijkende regeling voorzien, dus het gemeen recht geldt ten volle (d.i. niet het geval voor de inkomstenbelastingen - zie hierna artikel 394 WIB 1992).


B. Echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen of algehele gemeenschap: gemeenrechtelijke regeling van hun vermogens


Gehuwden kunnen van het wettelijk stelsel afwijken, en binnen bepaalde perken een eigen regeling voorzien (gehuwd zijn “met een contract”). De meest gekende zijn de zuivere scheiding van goederen (dan bestaat er geen gemeenschappelijk vermogen, en behoudt ieder echtgenoot zijn eigen vermogen) en de algehele gemeenschap (dan bestaan er nagenoeg geen eigen vermogens meer). De BTW-ontvanger zal zich voor de invordering moeten schikken naar de regels van verhaalbaarheid voor deze huwelijksvermogensstelsels (bij de zuivere scheiding van goederen is slechts het eigen vermogen van de “contracterende” echtgenoot aan te spreken; bij algehele gemeenschap is de volledige gemeenschap aan te spreken).


C. Invordering van inkomstenbelasting bij gehuwden

In het Wetboek Inkomstenbelastingen is voorzien in een van het gemeen recht afwijkende regeling.

In het bijzonder artikel 394 WIB 1992 is terzake relevant. Omwille van de toch wel verregaande gevolgen, werd artikel 394 in verschillende etappes wat gemilderd (aanslagjaren 1981-1999; aanslagjaren 2000-2001; aanslagjaren 2002-2004; aanslagjaren 2005 ev.). Er kunnen grosso modo een viertal periodes onderscheiden worden. De praktijkfiscalist zal hiermee rekening moeten houden. Al naargelang het geval zal een andere versie van artikel 394 WIB 1992 moeten toegepast worden, afhankelijk van het betrokken aanslagjaar waarop de invordering betrekking heeft.

In dit beknopte schema behandelen wij enkel de regeling vanaf aanslagjaar 2005. Voor oudere aanslagjaren zal de praktijkfiscalist en student de oudere wetgeving via (bijv.) fisconet.fgov.be raadplegen.

Met ingang van aanslagjaar 2005 bepaalt artikel 394 in § 1, in een eerste lid, dat de belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van een van de echtgenoten en de op zijn naam ingekohierde voorheffing, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel of ongeacht de notariële overeenkomst waarin de wettelijke samenwoning wordt geregeld, mogen worden verhaald op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten. Opmerking: wettelijk samenwonenden worden in artikel 2 WIB 1992 met echtgenoten gelijkgesteld.

Dit is al onmiddellijk een zeer verregaande maatregel, die sterk afwijkt van de gemeenrechtelijke regeling. Precies daarom wordt in een tweede lid van § 1 in een verzachting voorzien. Wanneer men kan bewijzen dat men over een vermogen beschikt dat zeker niet afkomstig is van de andere echtgenoot (de zogenaamde onverdachte goederen), dan kan men invordering op 'zijn' goederen alsnog verhinderen.

Luidens lid 2 van § 1 mogen die belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van één van de echtgenoten, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing ingekohierd op naam van één van hen, evenwel niet op de eigen goederen van de andere echtgenoot worden verhaald wanneer deze laatste aantoont :

- dat hij ze bezat vóór het huwelijk of vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning;

- of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot;

- of dat hij ze heeft verkregen door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;

- of dat het gaat om inkomsten die hem krachtens het burgerlijk recht eigen zijn of om goederen die hij met zulke inkomsten heeft verworven.

In § 2 wordt in een bijzondere regeling voorzien voor feitelijk gescheiden echtgenoten, die zoals geweten gehuwd blijven tot de echtscheiding is uitgesproken en overgeschreven in de register van de ambtenaar van de burgerlijke stand.
In geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten, kan de belasting op het vanaf het tweede kalenderjaar na de feitelijke scheiding verworven inkomen van één van de echtgenoten, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing die vanaf hetzelfde kalenderjaar op naam van één van hen wordt ingekohierd, niet meer worden ingevorderd op het inkomen van de andere echtgenoot of op de goederen die deze met dat inkomen heeft verworven.
De regels zoals hiervoor uiteengezet, blijven gelden ook na de ontbinding van het huwelijk of de beëindiging van de wettelijke samenwoning.


9. Derde als belastingschuldige

Soms kan een “derde” moeten instaan voor de belastingschuld van iemand anders. De meest typerende voorbeelden zijn de volgende (enkel het principe moet zijn gekend, de specifieke procedure staat uitgewerkt in de hierna aangehaalde wetsartikelen, die bij een examen mogen/moeten worden geconsulteerd):

Het vereenvoudigd derdenbeslag (art. 300 W.I.B. 1992 en art. 164 K.B. tot uitv. W.I.B. 1992, zoals recent nog gewijzigd bij KB van 3 december 2005)


Regeling tot 8 maart 2006: De schuldenaars van de belastingschuldige, de derde-houders, zijn verplicht de sommen of goederen die zij onder zich houden in handen van de ontvanger te betalen wanneer deze een ter post aangetekende notificatie zendt, geldend als verzet met aanmaning tot betalen (cf  art. 164 K.B. tot uitv. W.I.B. 1992).

Indien de derde-houder binnen een termijn van vijftien dagen na het neerleggen ter post van de notificatie niet kan voldoen, moet hij binnen die termijn, bij ter post aangetekende brief een verklaring van derde-beslagene doen, zoals bepaald in artikel 1452 Ger.W. De derde-houder moet die verklaring afleggen zelfs indien hij niets verschuldigd is.

Die verplichting legt hem niet op een betaling te doen voor de vervaldag, of afhoudingen te doen op niet voor beslag vatbare gedeelten.

De procedure verplicht de derde-houder wel om de belastingschuldige nopens het beslag in te lichten.

Volgens de (oude) regeling kon de derdehouder die niet heeft voldaan aan één van de verplichtingen die hem in deze procedure worden opgelegd, rechtstreeks worden vervolgd voor het geheel van genotificeerde som. Het Arbitragehof heeft echter geoordeeld dat artikel 164 § 5 K.B. tot uitv. W.I.B. 1992 strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, gewaarborgd  door de artikels 10 en 11 van de G.W. In afwachting van de wetswijziging maakt de administratie geen toepassing meer van deze sanctie, maar dit betekent niet dat de derde-houder niet aansprakelijk is, gezien artikel 1382 B.W., waarvoor dan echter een dagvaarding noodzakelijk is. Bovendien kan een eventuele betaling door de derdehouder aan de belastingschuldige gedaan ongeldig worden verklaard in toepassing van artikel 1242 B.W. Indien de derdehouder echter een verklaring heeft afgelegd, moet de ontvanger, om zijn rechten te behouden, binnen de maand overgaan tot een uitvoerend beslag onder derden. Doet de ontvanger dit niet, dan vervalt zijn recht tegen de derdehouder, zelfs wanneer die intussen aan de belastingschuldige heeft betaald.

Daar er voor de ontvangers nu geen zekerheid meer bestaat in verband met de aansprakelijkheid van de derdehouder, zullen zij zo snel mogelijk overgaan tot het uitvoerend beslag onder derden

Regeling vanaf 9 maart 2006: de ontvanger kan bij voortduur bij aangetekend schrijven uitvoerend beslag leggen onder derden; ook de belastingschuldige moet worden aangezegd, hetgeen bij de oude regeling niet het geval was

De belastingschuldige kan zich verzetten tegen dit derdenbeslag (concrete regeling zie § 1, lid 3 nieuw art. 164 KB tot uitv. WIB 1992).

Voor het vervolg van de procedure, wordt sinds 9 maart 2006 verwezen naar het gemene recht.

Tenslotte moet ook nog na 8 maart 2006 het vereenvoudigd derdenbeslag worden betekend door een gewoon uitvoerend beslag onder derden.

Inning ten laste van de nieuwe eigenaar van een onroerend goed (art. 395 W.I.B. 1992) Bij vervreemding van een onroerend goed wordt in de akte vaak een clausule ingelast waardoor de onroerende voorheffing van het lopend jaar geheel of gedeeltelijk ten laste van de nieuwe eigenaar wordt gelegd. Het (oude) kohier is echter niet uitvoerbaar tegen de nieuwe eigenaar. Het gaat immers niet om een belastingschuld, wel om een contractueel opgenomen last die drukt op het onroerend goed.

Artikel 395 W.I.B. 1992 bepaalt dat in dergelijk geval dat de vroegere eigenaar verantwoordelijk is voor de betaling van de onroerende voorheffing, tenzij hij bewijst dat de belastbare onroerende inkomsten op een andere eigenaar zijn overgedragen en hij de identiteit en het volledig adres van de nieuwe eigenaar bekend maakt.

Ingeval van overlegging van gevraagde bewijs, mag de invordering van de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van het onroerend goed dat van titularis is veranderd, krachtens hetzelfde kohier worden voortgezet ten laste van de werkelijke schuldenaar van de belasting. De belastingschuldige ontvangt een nieuw exemplaar van het aanslagbiljet met de vermelding dat het krachtens artikel 396 W.I.B. 1992 is uitgereikt.

Invordering ten laste van een nalatenschap: normaal gezien moeten erfgenamen die een nalatenschap aanvaarden, instaan voor alle schulden (ook belastingschulden) van deze nalatenschap, desnoods met hun eigen vermogen (als zij “niet genoeg” zouden geërfd hebben); wanneer het evenwel om ontdoken inkomstenbelastingen zou gaan, moeten zij evenwel enkel tot het bedrag van hun erfdeel instaan voor deze belastingschulden (artikel 398 WIB 1992)

Invordering ten laste van persoonlijke borgen: borgstelling ingevolge een wettelijke bepaling voor toekomstige belastingen (artikel 420 W.I.B.1992); borgstelling uit vrije wil voor reeds gevestigde belastingen.

Invordering ten laste van sommige burgerlijke vennootschappen of verenigingen (art. 398 W.I.B. 1992) De invordering van de belasting gevestigd ten name van de vennoten of leden van de burgerlijke vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, kan rechtstreeks ten laste van de burgerlijke vennootschap of vereniging worden vervolgd inzoverre die belasting proportioneel overeenstemt met het aandeel van de vennoten of leden in de niet-uitgekeerde winst of baten van die vennootschap of vereniging.

Invordering ten laste van personen die hebben gewerkt met zogenaamde koppelbazen (artikelen 400 ev. WIB 1992); personen die een beroep doen op een niet-geregistreerde aannemer of een koppelbaas voor het uitvoeren van bepaalde werken, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van deze aannemers of koppelbazen tot 35% van de totale prijs van het werk, excl. BTW. Procedure registratie (art. 401 WIB1992); Diegene die beroep doet op een niet-geregistreerde aannemer is verplicht bij iedere betaling die aan medecontractant doet 30% van het verschuldigde bedrag door te storten (15% aan Bijz. ontvangkantoor der belastingen; 15% RSZ); zoniet boeten (art. 402 WIB1992). In de aannemerswereld moet dus steeds worden nagegaan of de aannemer een juist registratienummer heeft; in dat geval is diegene die er beroep op doet, niet langer hoofdelijk aansprakelijk; de koppelbazenregeling is ook niet van toepassing voor een opdrachtgever-natuurlijke persoon in de mate hij opdracht voor loutere privé-doeleinden laat uitvoeren (in dat geval dus ook geen hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze laatste).


10. Plicht tot samenwerking van personen die de authenticiteit verlenen aan bepaalde akten.

Fiscale notificatie van een notaris (artikel 433 WIB 1992)

Het voornemen tot vervreemding (verkoop, schenking, ...) of de hypothecaire aanwending wordt de ontvanger medegedeeld in een ter post aangetekend bericht, hem toegezonden door de persoon die de akte moet verlijden (notaris, ...). Indien de belangen schatkist in gevaar zijn (lees: indien er niet-betaalde belastingen zouden zijn), moet de ontvanger dit binnen 12 dagen berichten aan de notaris (= beslag onder derden). Indien het niet mogelijk is de genotificeerde belastingschuld te voldoen, moet notaris de ontvanger inlichten. Binnen de 8 werkdagen kan de ontvanger de wettelijke hypotheek doen inschrijven op het goed dat het voorwerp is van de akte. Opgelet: de notaris is gehouden tot herstel van de ev. schade die de schatkist door zijn nalatigheid heeft geleden indien zij voormelde wettelijke verplichtingen over het hoofd zien (= hoofdelijke aansprakelijkheid van de notaris!).


11. Verplichtingen van sommige personen i.v.m. roerende goederen

Verkoop van een “handelszaak” (artikel 442bis WIB 1992 én artikel 93 unbdecies B WBTW, ingevoerd door de Wet van 10 augustus 2005, inwerkingtreding: 19 september 2005)

De overdracht van een “handelszaak” (dus niet de overdracht van aandelen in een vennootschap) is slechts tegenstelbaar aan de Staat of Administratie der directe belastingen na verloop van de maand  die volgt op die waarin een met het origineel eensluidend verklaard afschrift van de akte van overdracht aan de ontvanger werd overgemaakt (best: aangetekend, voorheen moest die akte zelfs geregistreerd worden bij de Ontvanger van registratie); de overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de openstaande fiscale schulden door de overlater nog te betalen bij het verstrijken van de termijn van niet-tegenstelbaarheid; fiscaal attest; artikel 442bis WIB/art. 93undeciesB WBTW 1992 hebben geen invloed op gerechtelijk akkoord noch faillissement.

Openbare verkopen van roerende goederen (art. 442 WIB 1992)


Openbare ambtenaren of ministeriële officieren die belast zijn met de openbare verkoop van roerende goederen waarvan de waarde minstens 250 euro. bedraagt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen die de eigenaar op het ogenblik van de verkoop verschuldigd is, indien zij niet ten minste acht werkdagen vooraf, bij ter post aangetekende brief, de ontvanger van de woonplaats of van de hoofdinrichting van de eigenaar van die goederen ervan verwittigen.

Degene die met de verkoop is belast, moet de genotificeerde belasting betalen tot beloop van de door de verkoop opgeleverde som.

Indien de met de verkoop belaste persoon de hiervoor vermelde verplichtingen niet naleeft, kan zij zijn gehouden tot herstel van de eventuele schade die de Schatkist heeft opgelopen (art.442 W.I.B. 1992).

Verplichtingen van sommige financiële instellingen (art. 443 WIB 1992)


Wanneer openbare of private kredietinstellingen of -inrichtingen kredieten, leningen of voorschotten toekennen waarvoor een voordeel is verleend in het kader van de wettelijke of reglementaire bepalingen inzake economische expansie of waarvoor een dergelijk voordeel is aangevraagd aan de bevoegde overheid, mogen zij de fondsen noch geheel noch gedeeltelijk vrijgeven, tenzij nadat de genieter of aanvrager hun een attest heeft overlegd dat is uitgereikt door de bevoegde ambtenaar en waaruit blijkt: ofwel dat geen belastingen in zijnen hoofde eisbaar zijn ofwel dat een bepaalde bedrag aan belastingen in zijnen hoofde eisbaar is, in welk geval de betaling van de verschuldigde bedragen, in de vorm en binnen de termijnen voorzien in het attest, het voorwerp moet uitmaken van een bijzonder beding in de beslissing tot toekenning van het voordeel.

De aanvraag van het attest moet in drie exemplaren worden toegezonden aan de betrokken ontvanger die over een termijn van 8 dagen beschikt om het attest uit te reiken (art. 221 K.B. tot uitv. W.I.B. 1992). Na het verstrijken van 6 maanden mogen de fondsen slechts worden vrijgegeven indien de beslissing van toekenning van het voordeel binnen die periode van 6 maanden is genomen. Is zulks niet het geval, dan moet er een nieuw attest worden gevraagd (art. 222 K.B; tot uitv. W.I.B. 1992).

De wet voorziet niet uitdrukkelijk in een sanctie. Bij niet-naleving van de formaliteiten kunnen betrokken wel worden gedagvaard in schadevergoeding bij toepassing van het gemeen recht.


 


 


 


 


 


 



20-01-17 Leegstandbelasting niet zomaar te billijken met verzachtende omstandigheden - arrest grondwettelijk hof 14 december 2016
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de leegstand van een gebouw bestemd voor huisvesting, een “administratieve overtreding”. ....lire la suite
 
03-01-17 Nieuwe rapporteringsverplichtingen over verrekenprijzen voor multinationals
Het wordt moeilijker voor multinationals om winsten te versluizen naar landen waar die niet of laag belast worden.....lire la suite
 
02-01-17 Voordeel gratis woning of herkwalificatie huurinkomen: berekenen van dag tot dag
Voor bedrijfsleiders die een gratis woonst ter beschikking gesteld krijgen van hun vennootschap, of die een eigen onroerend goed verhuren aan hun vennootschap, gelden specifieke fiscale regels.....lire la suite
 
01-01-17 Lagere BTW voor publieke fietsen in steden
De verhuur van publieke fietsen (“deelfietsen” van bijvoorbeeld Villo! in Brussel en Velo in Antwerpen) is vanaf 1 januari 2017 onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6%.....lire la suite
 
site web par webalive