nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Afschrijvingsduur in verhouding tot looptijd opstalovereenkomst.
 
Het Antwerpse hof bevestigt dat een vennootschap-opstalhouder het afschrijvingspercentage van de opstal moet afstemmen op de duurtijd van de opstalovereenkomst. Met "normale gebruiksduur" waarover het gebouw wordt afgeschreven, wordt niet bedoeld de abstracte, voor eenieder geldende gebruiksduur maar de resterende duur van het recht van opstal. Dat vloeit voort uit het boekhoudrecht. Daarmee bevestigt het Antwerpse hof de principes die de Commissie voor Boekhoudkundige Normen aanreikt (Antwerpen 6 december 2005).

Fiscus kijkt naar normale gebruiksduur gebouw

Op 23 december 1998 verleent een zaakvoerder met betrekking tot een perceel grond in Schilde aan zijn vennootschap een opstalrecht met een duurtijd van 21 jaar. De vennootschap trekt in de twee daaropvolgende jaren een gebouw op.

Na voltooiing van het gebouw wordt het kantoor deels door de vennootschap zelf gebruikt. Voor het woongedeelte rekent de vennootschap huur aan aan de zaakvoerder.

De fiscus verwerpt voor het aanslagjaar 1999 en 2000 een deel van de afschrijvingen op het gebouw omdat de vennootschap volgens haar moet afschrijven over een termijn van 33 jaar in plaats van over de resterende duurtijd van het opstalrecht.

De vraag is of de opstalhouder een gebouw in opstal kan afschrijven over de resterende duurtijd van het opstalrecht. Kan een opstalhouder de opgerichte gebouwen dus afschrijven over een kortere duur dan de normale afschrijvingsperiode die voor gelijkaardige gebouwen geldt?

Onderliggend rijst uiteraard de vraag naar de invloed van het boekhoudrecht op het fiscaal recht.

De fiscus verdedigt in essentie dat de opstalhouder een gebouw dat is opgericht in het kader van een opstalovereenkomst, moet afschrijven over de economische gebruiksduur van het gebouw (volgens haar 33 jaar in casu), en niet in verhouding tot de resterende duurtijd van het recht van opstal (20 of 21 jaar in casu) als die laatste korter is. De Administratie beroept zich o.m. op de tekst van artikel 61 van het WIB 1992. Dat artikel schrijft voor dat de afschrijvingen slechts als beroepskosten worden aangemerkt als ze "samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbaar tijdperk werkelijk heeft voorgedaan".

De administratieve voorschriften die bepalen dat nieuw opgerichte gebouwen in de regel aan 3% per jaar worden afgeschreven, zijn volgens de fiscus een getrouwe vertaling van die wetsbepaling.

De eerste rechter volgt dat standpunt (Rb. Antwerpen 5 mei 2004, Fisc. Koer. 2004/563).

Hof: afschrijven over duur opstalrecht en boekhoudregels volgen

Maar het Hof van Beroep te Antwerpen volgt dat standpunt niet.
Ongeacht of het opstalcontract al dan niet in een eventuele vergoeding voorziet bij het verstrijken van de in de overeenkomst bedongen termijn, moet de jaarlijkse afschrijving van het gebouw worden bepaald op basis van de "normale gebruiksduur", luidt het standpunt van de fiscus (Vr. nr. 1036, 20 april 1994, Volksv. Dupré, Bull. Bel. 1994, 2849). Maar met "normale gebruiksduur" van het gebouw wordt volgens het Antwerpse hof niet bedoeld de abstracte, voor eenieder geldende gebruiksduur, maar de resterende duur van het recht van opstal, omdat de opstalhouder het gebouw niet meer verder kan gebruiken na beëindiging van het recht.

Het Antwerpse hof zoekt steun voor zijn standpunt in het boekhoudrecht. Het fiscaal recht wijkt inzake afschrijvingen inderdaad op dat vlak geenszins af van het boekhoudrecht. En het staat niet ter discussie dat de principes van het boekhoudrecht het gemeen recht zijn voor het fiscaal recht, tenzij de fiscale wetgever daar uitdrukkelijk van afwijkt.

In het fiscaal recht bepaalt artikel 61 van het WIB 1992 dat afschrijvingen als beroepskosten aangemerkt worden in de mate dat ze gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde en voor zover ze noodzakelijk zijn en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbaar tijdperk heeft voorgedaan.

De algemene fiscale verplichting dat afschrijvingen aan een werkelijke waardevermindering moeten beantwoorden, is perfect in te schrijven in én equivalent met het boekhoudkundig voorschrift dat afschrijvingen moeten worden gespreid over de waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur van de betrokken activa en het boekhoudkundig beginsel dat afschrijvingen moeten worden geboekt volgens de principes van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw.

Bijgevolg zijn het fiscaal en het boekhoudrecht op dat vlak gelijklopend of equivalent. Het fiscaal recht wijkt dus geenszins af van het boekhoudrecht, zodat het boekhoudrecht zijn volle werking behoudt.

Standpunt terug te vinden in de rechtsleer ...

In een veel geciteerd artikel schrijven B. Peeters en P. Van Goethem dat een gebouw op het einde van het opstalcontract volledig afgeschreven is. Zij vinden dat dermate logisch dat zij daar zelfs geen verdere commentaar aan wijden (B. Peeters en P. Van Goethem, "Boekhoudkundige en fiscale gevolgen van het recht van opstal", AFT 1987.2, (35) 37 (2e kolom) en 41 (1e kolom)).

Van Crombrugge schrijft zijnerzijds, even duidelijk, dat de gebouwen die de opstalhouder opricht en waarvan hij eigenaar blijft tot de beëindiging van het recht van opstal, in zijn balans moeten worden opgenomen. Ze maken "in zijnen hoofde het voorwerp uit van afschrijvingen in verhouding tot hun gebruiksduur of, indien die korter is, in verhouding tot de overblijvende duur van het erfpacht- of opstalrecht" (S. Van Crombrugge, "De rechten van erfpacht en opstal in de inkomstenbelastingen", Notariële actualiteit, 1994, afl. 5, 61, nr. 15).

... en in de administratieve commentaar.

Overigens wordt ook in de administratieve commentaar gesteld dat voor wat afschrijvingen betreft, altijd rekening moet worden gehouden met de gebruikswaarde van de bestanddelen voor de onderneming. Het kan zijn dat een actiefbestanddeel vanuit een materieel standpunt niet versleten is, maar dat het vanuit economisch standpunt een werkelijke waardevermindering heeft ondergaan (Com. IB 1992 nr. 61/18). Dat is in de hier besproken casus ook het geval. Het gebouw zal materieel niet sneller verslijten doordat het recht van opstal slechts voor 21 jaar is verleend, maar voor de belastingplichtige verliest het wel sneller zijn waarde doordat die er slechts gedurende 21 jaar het genot van zal hebben. Daarom mag de vennootschap afschrijven over een termijn van 21 jaar.

De afschrijving in geval van een tijdelijk recht van opstal (dat op een kortere periode slaat dan de normale economische gebruiksduur) moet dan ook gebeuren in verhouding tot de resterende duurtijd van dat opstalrecht.

Oudere rechtspraak

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen kwam in een gelijkaardig dossier tot hetzelfde inzicht (Rb. Namen 26 juni 2002, Fisc. Koer. 2002/459).

Het ging toen ook om een natuurlijk persoon, bestuurder van de vennootschap die met de vennootschap een opstalovereenkomst sloot en waarbij de vennootschap zich ertoe verbond op die grond een bedrijfsgebouw op te richten. De opstalovereenkomst werd gesloten voor een duur van 16 jaar. Bij de beëindiging van de opstalovereenkomst werden de gebouwen zonder vergoeding eigendom van de opstalgever-bestuurder.

De belastingplichtige argumenteerde toen voor de Naamse rechtbank dat, aangezien artikel 61 van het WIB 1992 geen definitie bevat van het begrip "waardevermindering die zich werkelijk heeft voorgedaan", hij het recht had rekening te houden met de "economische waardevermindering" van de actiefbestanddelen die hij binnen zijn onderneming gebruikt, en dat de Administratie ten onrechte de fiscaal aanvaardbare afschrijvingen trachtte te beperken tot die die door materiële slijtage konden worden verantwoord.

De Rechtbank van Namen aanvaardde toen de stelling van de belastingplichtige en meende in de administratieve commentaar  voldoende aanknopingspunten terug te vinden om een afschrijving over de duurtijd van de opstalovereenkomst te kunnen rechtvaardigen.

Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen recent tot eenzelfde conclusie kwam in de situatie waarbij het gebouw ook voor gemengd (privé/beroeps) gebruik werd aangewend, net zoals in de hier besproken Antwerpse zaak. Dat het gebouw voor het grootste gedeelte privé wordt gebruikt, wijzigt volgens de rechtbank niets aan het feit dat het gebouw op het einde van de opstal het vermogen van de vennootschap verlaat (Rb. Namen 26 oktober 2005, 0525/1887).

Jo ROSELETH
advocaat De Broeck Van Laere Van Camp Coopman




08-08-17 Régularisation fiscale: formulaires pour "montants non-scindés" publiés au moniteur belge (M.B. 31/07/2017)
Le 23 mai 2017, le Gouvernement fédéral et le Gouvernement flamand ont conclu un accord de coopération sur les « montants non-scindés » relatifs au capitaux fiscalement prescrit.....lees meer
 
07-08-17 Oldtimer pas vanaf 30 jaar
Samen met de ‘vergroening’ van de verkeersbelasting voor lichte vrachtwagens heeft de Vlaamse regering ook het fiscale statuut van oldtimers aangepast.....lees meer
 
06-08-17 Vier maanden extra voor fiscale bemiddeling
De fiscale bemiddelingsdienst biedt een extra mogelijkheid om een geschil met de fiscus in der minne te regelen.....lees meer
 
01-08-17 Fiscale regularisatie: formulieren voor ‘onsplitsbare bedragen’ in Staatsblad verschenen (BS 31/7/2017)
Op 23 mei 2017 werd zoals wij al eerder meedeelden een samenwerkingsakkoord afgesloten tussen de Federale en de Vlaamse regering omtrent de zogenaamde ‘onsplitsbare bedragen’ m.b.t. verjaard oorsprongskapitaal. ....lees meer
 
website door webalive