nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Links   General conditions  
  VAT news - VAT invoicing and long term hire
 
DE WET VAN 22 JUNI 2005 : DE NOTIONELE INTERESTAFTREK & COMPENSERENDE MAATREGELEN
 

I. Inleiding
 

Reeds lang breekt de wetgever zich het hoofd over een elegante oplossing voor het probleem dat investeringen met vreemd vermogen of kredieten voor een onderneming dikwijls fiscaal gunstiger uitkomt dan investeringen met eigen middelen te bekostigen. Wanneer voor een investering een externe financiering wordt aangegaan, zijn de betaalde interesten immers een fiscaal aftrekbare kost voor de onderneming. Wordt de investering daarentegen met eigen middelen betaald, dan stond daar tot voor kort nagenoeg geen afdoende compensatie of stimulans tegenover. In navolging van de zgn. investeringsreserve, welke uitsluitend geldt voor KMO's, moet ook de kersverse belastingaftrek voor risicokapitaal daar nu verandering in brengen. Volgens premier Verhofstadt een wereldprimeur.

In vergelijking met andere ondernemingen hebben kleine KMO's moeilijker toegang tot kredieten en liggen de financieringskosten voor investeringen dikwijls hoger. Om zgn. autofinanciering (of investeren met eigen centen) in KMO's aan te moedigen, heeft de wetgever sinds aanslagjaar 2004 de investeringsreserve ingevoerd. De maatregel houdt in dat KMO's hun winsten gedeeltelijk kunnen vrijstellen door de aanleg van een investeringsreserve, die vervolgens op korte termijn moet aangewend worden om een effectieve investering te verwezenlijken.

In een notendop komt de investeringreserve er op neer dat KMO's de helft van hun (gecorrigeerde) gereserveerde winst belastingvrij kunnen houden met een plafond van 18.750 Euro. Dit klinkt eenvoudig, maar voor de correcte berekening van deze vrijstelling dient men minstens een aantal jaren hogere wiskunde te hebben gevolgd. De vennootschap moet vervolgens - binnen een termijn van drie jaar die  aanvangt op de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarvoor de investeringsreserve is aangelegd en ten laatste bij haar ontbinding - een bedrag gelijk aan de investeringsreserve investeren in bepaalde afschrijfbare materiële of immateriële vaste activa. Vergeet men dit te doen, dan wordt de investeringsreserve als belastbare winst beschouwd. Hetzelfde probleem doet zich voor bij de vervreemding van de investering binnen de drie jaar na de aankoop.

Wat velen niet weten bij de investeringsreserve, is dat de vrijstelling uiteindelijk slechts een 'uitstel' van belastingen is. De vrijstelling geldt slechts zolang de zogenaamde onaantastbaarheidsvoorwaarde wordt nageleefd: dit betekent dat de investeringsreserve op een afzonderlijke rekening van het passief moet geboekt worden en niet mag worden uitgekeerd. Welnu, ten laatste bij de vereffening van de vennootschap wordt het volledig vermogen uitgekeerd aan de aandeelhouders en dus ook het bedrag van de investeringsreserve, waardoor dit laatste belastbaar wordt en toegevoegd wordt aan het fiscaal resultaat van de vennootschap.

Terecht werd de complexiteit van deze investeringsreserve dikwijls gehekeld, die bovendien om één of andere obscure reden enkel geldt voor KMO's. De behoefte aan een algemene stimulans voor 'alle' vennootschappen om het eigen vermogen op te krikken en de eigen middelen aan te wenden voor investeringen bleef bestaan.

Deze stimulans is er gekomen : op 22 juni 2005 werd de Wet tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal door de Kamer goedgekeurd. De aftrek voor risicokapitaal is ook wel beter bekend als de notionele interestaftrek. De wet van 22 juni 2005 verscheen net voor het zomerreces in het Belgisch Staatsblad (B.S. 30 juni 2005). De aankondiging van de maatregel heeft tot heel wat opwinding gezorgd bij zowel in binnen- en buitenland. Om ons land in het buitenland te promoten, heeft premier Verhofstadt zelfs een ware “road show” op poten gezet. Premier Verhofstadt en Minister Reynders trekken in november 2005 naar Azië (Seoul, Tokio, Singapore en Hongkong) om de wereldprimeur van de interestaftrek te verkondigen.

Voorstanders van de maatregel zijn de mond vol van het vooruitstrevende karakter van de maatregel en het moet gezegd, veel tegenstanders zijn er niet. Als er dan toch dissonante geluiden te horen zijn, dan komen deze vanuit de kant van de practici die de regeling in de praktijk moeten omzetten - de wet zou nog te veel onduidelijkheden bevatten en de uiteindelijke berekening van de aftrek zou ingewikkeld zijn, oa. door hetgeen in artikel 205ter, §6 WIB 92 is bepaald.

De maatregel kwam er om het eigen vermogen van ondernemingen, en de aangroei ervan, niet langer te benadelen in vergelijking met het vreemd vermogen. Als men als vennootschap leent mag men de interest als beroepskost in mindering brengen en voor de aandeelhouder natuurlijke persoon worden de roerende inkomsten slechts belast aan 15%.

De vergoeding op het eigen vermogen bestaat uit dividenden. Een uitgekeerd dividend is voor de vennootschap een onderdeel van de belastbare basis, en als dusdanig onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Op diezelfde uitgekeerde dividenden is voor de aandeelhouder natuurlijke persoon een roerende voorheffing verschuldigd van 25% of in sommige gevallen van 15%. Bijkomend moet de aandeelhouder-belegger er rekening mee houden dat hij niet steeds zeker is van de uitkering van een dividend -afhankelijk van de omstandigheid dat er winsten werden behaald door de onderneming -  en op de koop toe is het geïnvesteerde geld onderworpen aan het ondernemingsrisico.

Deze “fiscale discriminatie”, zoals sommigen het noemen, zou er uiteindelijk kunnen toe leiden dat de onderneming ondergekapitaliseerd geraakt. De wetgever heeft de laatste jaren inspanningen geleverd om deze scheeftrekking te verzachten. We denken hierbij aan de mogelijkheid tot verlaagde roerende voorheffing op dividenden (van 25% tot 15%), de invoering van het belastingkrediet en, meer recent, de investeringsreserve.

Met de wet van 22 juni 2005 voert de wetgever een fictieve interestaftrek in die gelijk is aan het - gecorrigeerde - eigen vermogen, vermenigvuldigd met de gemiddelde rentevoet van het voorgaande jaar van het voorgaande jaar van de lineaire leningen op lange termijn van de Belgische Staat ( de 10-jarige OLO's).

Deze nieuwe aftrek zal de versterking van het eigen vermogen stimuleren. Kapitaalintensieve ondernemingen hebben een hoog peil van solvabiliteit, hetgeen hen beschermt tegen faillissementsrisico's. Dit voorstel zal ook een geloofwaardig en concurrerend alternatief zijn voor het behoud van de beslissingscentra van multinationale ondernemingen in België, in het bijzonder de coördinatiecentra waarvoor België al meer dan 20 jaar een degelijk imago heeft weten op te bouwen. Het huidige stelsel van de coördinatiecentra dient tegen 2010 te verdwijnen en de regering wil via het deze maatregel de rechtszekerheid van deze ondernemingen waarborgen (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/4, 3).

Het concept is gebaseerd op de financiële theorie dat een kapitaalverstrekker een vergoeding verwacht die minstens gelijk is aan de vergoeding van een risicovrije belegging, verhoogd met een risicopremie. Vandaar de idee om een fiscale aftrek toe te laten die gelijk is aan een bepaald percentage van het eigen vermogen.

De notionele interestaftrek is een maatregel sui generis die plaatsvindt na de aftrek van de definitief belaste inkomsten en voor de recuperatie van de vorige verliezen en de investeringsaftrek (nieuw artikel 77bis KB/WIB 92, zoals ingevoerd door het KB van 17 september 2005). Hierdoor kunnen de vennootschappen eerst de niet overdraagbare DBI-aftrekken uitvoeren om dan de tijdelijk overdraagbare notionele interestaftrek door te voeren.

Naast de invoering van de notionele interestaftrek bevat de wet ook nog andere maatregelen, zoals de schrapping van het registratierecht op de inbrengen in vennootschappen.

Het was de betrachting van de wetgever om de maatregel budgettair neutraal door te voeren. De Minister van Financiën wees erop dat zo de regering ook de sociale verplichting wenst na te komen, de begroting in evenwicht moest blijven. De budgettaire kostprijs van de notionele interestaftrek wordt geraamd op 560 miljoen €. Om de maatregel neutraal te houden voor de begroting moest dit bedrag ergens gevonden worden (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/4,9).

Te dien einde voorziet de wet in een aantal budgettaire compensatiemaatregelen:

- de wijziging van de definitie van het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde, vermeld in artikel 43, WIB 92.
- de afschaffing van de investeringsaftrek tegen het basispercentage voor de vennootschappen, vermeld in artikel 201, WIB 92.
- de afschaffing van het belastingskrediet vermeld in artikel 289 bis, § 2, WIB 92.
- de kleine en middelgrote ondernemingen zullen kunnen kiezen tussen ofwel een investeringsreserve, ofwel de nieuwe formule van de notionele interest.

De maatregel treedt in werking vanaf aanslagjaar 2007. De afschaffing van het inbrengrecht (bij oprichting of bij kapitaalverhoging) zal in werking treden voor de inbrengen gedaan vanaf in 1 januari 2006.

II. Notionele interestaftrek
 

II.1. Algemeen


De aftrek van het risicokapitaal is een fictieve interestaftrek die geldt voor alle Belgische rechtspersonen onderworpen aan de vennootschapsbelastingen en voor alle vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen en die gelijk is aan het totale eigen vermogen, vermenigvuldigd met de gemiddelde OLO-rentevoet op 10 jaar van het voorgaande jaar.

Het personeel toepassingsgebied van de wet van 22 juni 2005 is nagenoeg algemeen. Er zijn wel uitsluitingen voorzien in artikel 205 octies WIB 92. Het zijn vennootschappen die reeds kunnen genieten van gunstregimes (infra).

De grondslag van de regeling is het “eigen vermogen”. Dit is het bedrag van het eigen vermogen van de vennootschap, aan het eind van het voorgaande belastbare tijdperk, en dat overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van vennootschappen werd bepaald en voor het bedrag waarvoor die bestanddelen op de balans voorkomen (nieuw artikel 205 ter,§1 WIB 92). Er wordt in de wet uitgegaan van de netto-boekwaarde van het aldus vastgestelde eigen vermogen.

Op dit eigen vermogen worden een aantal correcties doorgevoerd.

Deze correcties zijn grosso modo in te delen in vier categoriën: een correctie op de activa die in België belastbare inkomsten genereren, activa die in het buitenland belastbare inkomsten genereren, anti-misbruikbepalingen, de herwaarderingsmeerwaarden en kapitaalsubsidies.

Om zo dicht mogelijk aan te leunen bij de boekhoudkundige realiteit en ten einde manoeuvres voorkomen die erin bestaan het eigen vermogen kunstmatig te variëren om tijdens de balansopening een hogere berekeningsbasis te hebben, moet de toestand van het eigen vermogen aangepast worden aan de wijzigingen tijdens het belastbaar tijdperk (Artikel 205ter, §6 WIB 92).

Eens deze - gecorrigeerde - berekeningsbasis is vastgesteld, dient deze te worden vermenigvuldigd met het tarief dat in het nieuwe artikel 205quater WIB 92 wordt vastgelegd.

De interestaftrek zelf vindt plaats na de aftrek van de definitief belaste inkomsten en vóór de recuperatie van de vorige verliezen en de investeringsaftrek (nieuw artikel 77bis KB/WIB 92, zoals ingevoerd door het KB van 17 september 2005).

De winst die door de toepassing van de notionele interestaftrek wordt vrijgesteld, dient geboekt te worden op een onbeschikbare rekening van het passief van de jaarrekening voor drie jaar, een onaantastbaarheidsvoorwaarde dus. Niet iedereen is hiermee even gelukkig. Een amendement om deze voorwaarde te schrappen werd verworpen. De Minister wilde van geen wijken weten (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/4,53).

Zo er niet voldoende winst is om de interestaftrek tegen af te zetten, kan deze gedurende een periode van zeven jaar worden overgedragen (artikel 205quinquies WIB 92).

Om van de maatregel te kunnen genieten moeten nagenoeg geen vormvoorwaarden worden voldaan, behoudens het bijvoegen van een bijlage bij de aangifte (artikel 205septies WIB 92).

De maatregel treedt in werking vanaf aanslagjaar 2007 (inkomstenjaar 2006). De zgn. “autofinanciering” van de ondernemingen zal hierdoor worden gestimuleerd. Als klap op de vuurpijl wordt de kapitaalinbreng ook nog eens aangemoedigd door het inbrengrecht vanaf 1 januari 2006 op nul te brengen (met uitzondering voor de inbreng van onroerende goederen welke worden aangewend voor bewoning). Dit betekent dat elke inbreng in het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap zal genieten van een vrijstelling van inbrengrecht (dat voorheen 0,5% bedroeg - Artikel 20 van de wet van 22 juni 2005.). Dit duidt erop dat het de Belgische regering menens is om (opnieuw) investeringen in Belgische bedrijven aan te trekken. Men heeft op het eerste gezicht dan ook geen excuus meer om de investeringen niet uit eigen portemonnee te betalen : over de verhoging van het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap is vooreerst geen inbrengrecht meer verschuldigd en vervolgens wordt de fiscale winst ten belope van een bepaald percentage van het (gecorrigeerd) eigen vermogen vrijgesteld. Mooier kan het niet, ware het niet dat er een waslijst uitzonderingen voorzien zijn (infra). Elke wijziging die vanaf 29 april 2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is evenwel zonder uitwerking op de toepassing van de artikelen 2 tot en met 19 van de wet van 22 juni 2005 (Artikel 21 van de wet van 22 juni 2005). Een boekjaar inkorten of verlengen om sneller van de nieuwe gunstmaatregel te kunnen genieten haalt dus niets uit.

II.2. Berekeningsbasis

II.2.1. Uitgangspunt (artikel 205, bis, ter en quater WIB 92)

Bij de bepaling van het belastbaar inkomen wordt de belastbare basis verminderd met het overeenkomstig het nieuwe artikel 205quater WIB 92 vastgesteld bedrag. Deze vermindering wordt "aftrek voor risicokapitaal" genoemd".

Het nieuwe artikel 205quater luidt als volgt: “De aftrek voor risico-kapitaal is gelijk aan het overeenkomstig artikel 205ter WIB 92 bepaalde risicokapitaal vermenigvuldigd met een tarief dat in de volgende paragrafen wordt bepaald.”

Het nieuwe artikel 205ter bepaalt dat het in aanmerking te nemen risicokapitaal overeenstemt met het bedrag van het eigen vermogen van de vennootschap, aan het eind van het voorgaande belastbare tijdperk, en dat overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van vennootschappen werd bepaald en voor het bedrag waarvoor die bestanddelen op de balans voorkomen.

De Wet bepaalt niet uitdrukkelijk wat moet verstaan worden onder de 'wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van vennootschappen”.

In de voorbereidende werkzaamheden bij de wet van 22 januari 2005 wordt verduidelijkt dat men principe de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen in acht dient te nemen (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/1, 11). De vraag stelt zich echter wat te doen met vennootschappen die hun jaarrekening niet opstellen overeenkomstig het KB tot uitvoering van het Wetboek Vennootschappen, zoals bv. kredietinstellingen. Kredietinstellingen dienen hun jaarrekening op te stellen overeenkomstig het Koninklijk besluit van 23 september 1992 (B.S. 6 oktober 1992). Zouden deze om de notionele interestaftrek te verkrijgen een aparte boekhouding moeten voeren overeenkomstig het voornoemde KB tot uitvoering van het Wetboek Vennootschappen? Vermoedelijk niet, maar strikt genomen zou de wet hieraan moeten aangepast worden om dit met zekerheid te kunnen stellen. Interpretaties naar analogie zijn immers verboden in fiscalibus.

Vennootschappen die de mogelijkheid hebben om krachtens artikel 5 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen geen jaarrekening te moeten opmaken, zullen evenwel van deze mogelijkheid moeten afzien indien zij de aftrek voor risicokapitaal wensen te genieten (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/1, 11).

In het nieuwe artikel 205 ter, § 8, WIB 92 wordt verder bepaald dat voor de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn (i.p.v. de rechtspersonenbelastingen) en op wie de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van toepassing is (de zgn. oneigenlijke VZW's en stichtingen), onder “eigen vermogen”, het eigen vermogen wordt verstaan zoals blijkt uit de balans die door deze belastingplichtigen is opgemaakt.

Het eigen vermogen zoals bedoeld in de wet is het eigen vermogen van de vennootschap, aan het eind van het voorgaande belastbare tijdperk. Er stelt zich echter wel een probleem voor wat betreft nieuw opgerichte vennootschappen. Nieuw opgerichte vennootschappen hebben immers geen “voorgaand belastbaar tijdperk”.

In § 7 van voormeld artikel 205quater, WIB 92, is voorzien dat de Koning bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de regels bepaalt voor de berekening van de aftrek voor risicokapitaal voor het eerste belastbare tijdperk van een vennootschap.

Met de inlassing van het nieuwe artikel 73/4sexties , § 1, KB/WIB 92 door het KB. van 17 september 2005 (B.S., 3 oktober 2005) wordt voor het eerste belastbare tijdperk van een vennootschap het in aanmerking te nemen risicokapitaal als beginwaarde van dit belastbare tijdperk bepaald met inachtneming van alle bestanddelen vermeld in artikel 205ter,§§ 1 tot 5, WIB 92 bij de oprichting van deze vennootschap. Als alternatief voor de waarde van het eigen vermogen aan het einde van het voorgaande belastbare tijdperk, geldt dus de waarde van de inbrengen in kapitaal. Schommelingen die vervolgens optreden zijn onderworpen aan de gewone regels van artikel 205ter, §6 WIB 92.

II.2.2.Vermindering van de berekeningsbasis

Op het onder II.2.1. vastgestelde eigen vermogen dient men vervolgens een aantal correcties door te voeren, alvorens het effectief percentage van de interestaftrek erop los te laten. De wetgever heeft daarnaast ook nog drie anti-misbruikbepalingen ingeschreven in de wet van 22 juni 2005.

Samengevat dient men, om de aftrek voor risicokapitaal te bepalen, het in aanmerking te nemen risicokapitaal te verminderen met:

- De fiscale netto waarde van de eigen aandelen en de aandelen die geboekt zijn als financiële vaste activa (II.2.2.A).

- De netto-investering in vaste inrichtingen die een vennootschap heeft in het buitenland, waarvan de inkomsten in België vrijgesteld zijn krachtens overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting (II.2.2.B).

-  Het netto-actief van in het buitenland gelegen onroerende goederen of rechten daarop waarvan de inkomsten in België vrijgesteld zijn krachtens een dubbelbelastingverdrag (II.2.2.B).

-  Herwaarderingsmeerwaarden (II.2.2.D).

-  Kapitaalsubsidies (II.2.2.D).

- De netto boekwaarde van ieder actief in zover het op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreft (II.2.2.C).

- De boekwaarde van bestanddelen die als belegging worden gehouden en die door hun aard niet bestemd zijn om een belastbaar periodiek inkomen voort te brengen (II.2.2.C).

- Onroerende goederen of andere zakelijke rechten die een zaakvoerder, bestuurder of vereffenaar in de vennootschap (of hun echtgeno(o)t of kind(eren)) gebruikt (II.2.2.C).

II.2.2.A. Correctie op de activa die in België belastbare inkomsten genereren

Om te vermijden dat eenzelfde vermogen aanleiding kan geven tot een cascade-aftrek, moet het eigen vermogen verminderd worden met de fiscale netto waarde van de eigen aandelen en van de financiële vaste activa die uit deelnemingen en andere aandelen bestaan (nieuw artikel 205ter,§1, tweede lid a).

Een tweede correctie is de vermindering van het eigen vermogen met de fiscale netto waarde aan het einde van het voorgaande belastbare tijdperk van de aandelen van beleggingsvennootschappen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203 van de winst te worden afgetrokken (nieuw artikel 205ter,§1, tweede lid b).

Wat betreft de invulling van het begrip “financiële vaste activa die uit deelnemingen en andere aandelen bestaan”, kan verwezen worden naar artikel 95,§1 IV KB/W.Venn.

Bedoeld zijn de deelnemingen in verbonden ondernemingen, deelnemingen in andere ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat en andere financiële vaste activa (een duurzame en specifieke band met die ondernemingen de eigen bedrijfsuitoefening).

Voor kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen bedoelt men met “financiële vaste activa die uit deelnemingen en andere aandelen bestaan”, de in artikel 202, § 2, tweede lid W.I.B. 1992 vermelde aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben (Art. 73/4ter KB WIB 1992 : Voor de toepassing van artikel 202, § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 wordt onder aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben, verstaan : 1° ten name van de in artikel 56, § 1 , van hetzelfde Wetboek bedoelde kredietinstellingen, de in post VII "Financiële vaste activa" te boeken aandelen, zoals die balanspost wordt omschreven in het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen; 2° ten name van de in artikel 56, § 2, 2°, h, van hetzelfde Wetboek bedoelde verzekeringsondernemingen, de in post C.II. "Beleggingen in verbonden ondernemingen en deelnemingen" van de balans te boeken aandelen en deelbewijzen, zoals die balanspost wordt omschreven in het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen; 3° ten name van de in artikel 47 van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs bedoelde beursvennootschappen, de aandelen te boeken in post IV "Financiële vaste activa", zoals die balanspost wordt omschreven in het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen).

Merk op dat in tegenstelling tot de bepaling van “het eigen vermogen”, bij deze correctie de fiscale netto waarde moeten genomen worden en dus niet met de boekwaarde van de bestanddelen. Er wordt bij de correctie m.a.w. gehandeld alsof boekhouding van de vennootschap overeen zou stemmen met de fiscale toestand van de vennootschap ter zake.

Voor aandelen stemt de fiscale nettowaarde in beginsel overeen met de aanschaffingswaarde verminderd met de voorheen geboekte en met een werkelijke ontwaarding overeenstemmende waardeverminderingen - zowel de voorheen als beroepskosten aanvaarde waardeverminderingen, als de waardeverminderingen die op grond van art. 198, 7°, WIB 92, als verworpen uitgave werden belast - en verhoogd met de reeds belaste meerwaarden (Com.I.B. nr. 211/37).

Wat de waardeverminderingen betreft mogen de bepalingen van art. 198, eerste lid, 7°, WIB 92, in principe enkel worden toegepast ingeval van werkelijke ontwaarding van de aandelen, terwijl, in het tegenovergestelde geval, de waardeverminderingen als reserve moeten worden belast (Com. I.B. nr. 195/64).

Met andere woorden moet voor de berekening van de fiscale nettowaarde van de te corrigeren bestanddelen rekening gehouden worden met de werkelijke waardeverminderingen die werden geboekt op de aandelen overeenkomstig artikel 198, eerste lid 7° WIB 92.

De waardeverminderingen die niet overeenstemmen met een werkelijke ontwaarding en die als een onzichtbare reserve worden belast, zullen daarentegen de fiscale nettowaarde van de bedoelde aandelen niet beïnvloeden.

Holdingvennootschappen kunnen overwegen om hun (buitenlandse) dochtervennootschappen gedeeltelijk om te zetten in vorderingen alvorens de maatregel van de notionele interestaftrek (dus vóór aanslagjaar 2007) in werking treedt. Dit kan door de dochtervennootschap(pen) een kapitaalvermindering en/of een dividenduitkering te laten uitvoeren, waarbij er geen liquiditeiten verschoven worden maar waarbij de holding een vordering boekt op de dochtervennootschap en de boekwaarde van haar financieel vast actief correlatief aanpast. Zodoende verkleint de fiscale netto waarde van het financieel vast actief dat in mindering moet worden gebracht van het eigen vermogen van de holdingvennootschap.

II.2.2.B. Activa die in het buitenland belastbare inkomsten genereren

Wanneer een vennootschap over een inrichting beschikt in een land waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, zijn de inkomsten die door deze inrichting zijn gegenereerd in principe van belasting in België vrijgesteld.

De vrijstelling heeft betrekking op het bruto-inkomen dat kan worden toegerekend aan de vaste inrichting, verminderd met alle toegestane aftrekken die aan de verkrijging van dit inkomen verbonden zijn.

Artikel 205 ter, § 2, WIB 92 past dit beginsel toe, wat de aftrek voor risicokapitaal betreft, door te maken dat deze aftrek niet toepasselijk is op het eigen vermogen van zo'n inrichting.

Het nieuwe artikel 205ter, § 2 WIB 92 luidt: “Wanneer de vennootschap over één of meer inrichtingen in het buitenland beschikt waarvan de inkomsten vrijgesteld zijn krachtens overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting, wordt het overeenkomstig § 1 bepaalde risicokapitaal verminderd met het positieve verschil tussen enerzijds de netto boekwaarde van de activabestanddelen van de buitenlandse inrichtingen, met uitzondering van de aandelen bedoeld in artikel 205ter, § 1, tweede lid, en anderzijds het totaal van de passivabestanddelen die niet behoren tot het eigen vermogen van de vennootschap en die op deze inrichtingen aanrekenbaar zijn”

De aandelen die krachtens artikel 205 ter, § 1, tweede lid, WIB 92 van de basis voor de berekening van de aftrek voor risicokapitaal reeds zijn afgetrokken, hoeven geen tweede maal krachtens artikel 205 ter, § 2 WIB 92 te worden afgetrokken wanneer zij aan een buitenlandse inrichting zijn toegewezen. Er wordt dus geen rekening mee gehouden.

Daar vennootschappen bij het voeren van hun boekhouding geen onderscheid moet worden gemaakt tussen het eigen vermogen dat aan de buitenlandse inrichting is toegewezen en het overige eigen vermogen van de vennootschap, diende de wettekst te verwijzen naar de netto-boekwaarde van de activa die aan de buitenlandse inrichting zijn toegewezen, verminderd met de schulden en voorzieningen die met de inrichting verband houden, om de correctie door te voeren.

Om uit te maken of een actief aan de buitenlandse inrichting is toegewezen dan wel of een schuld of voorziening erop betrekking heeft, zullen dezelfde principes moeten worden toegepast bij de bepaling van de aan de VI toe te rekenen - vrijgestelde - winst in het kader van de verdragen tot het vermijden van dubbele belasting.

Artikel 205 ter, § 3, WIB 92 bepaalt dat wanneer in het buitenland gelegen onroerende goederen of rechten met betrekking tot dergelijke onroerende goederen tot de bestanddelen van de activa van de vennootschap behoren en niet behoren tot een buitenlandse inrichting, en wanneer de inkomsten uit deze activa vrijgesteld zijn krachtens overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting, het overeenkomstig de §§ 1 en 2, bepaalde risicokapitaal verminderd met het positieve verschil tussen de netto boekwaarde van deze activabestanddelen en het totaal van de passivabestanddelen die niet behoren tot het eigen vermogen van de vennootschap en die op deze onroerende goederen of rechten aanrekenbaar zijn.

Het artikel beoogt de situatie van een vennootschap die, zonder een inrichting in het buitenland te hebben, daar beschikt over een of meer onroerende goederen, zakelijke rechten op onroerende goederen of persoonlijke rechten die onrechtstreeks betrekking hebben op onroerende goederen, waarvan de eventuele inkomsten krachtens een dubbelbelastingverdrag van belasting in België zijn vrijgesteld.

Net als wanneer de vennootschap over een buitenlandse inrichting beschikt, moet men de netto boekwaarde van het onroerend goed, verminderd met de schulden en voorzieningen met betrekking tot dit onroerend goed, van de aftrekbasis uitsluiten.

II.2.2.C. Anti-misbruikbepalingen

Van een aantal activa vond de wetgever dat ze zeker niet in aanmerking mochten worden genomen voor de berekening van de notionele interestaftrek.

Artikel 205 ter, § 4, WIB 92 bevat een anti-misbruikbepaling ten einde manoeuvres te voorkomen die erin bestaan activa kunstmatig in een vennootschap onder te brengen om de basis voor de berekening van de aftrek voor risicokapitaal op te trekken. Volgens de memorie van toelichting valt het bewijs dat een bepaald actiefbestanddeel moet worden uitgesloten “ten laste van de administratie” (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/1, 15).

Er worden drie gevallen in overweging genomen:

- De boekwaarde van ieder actief in zover het op onredelijke wijze de beroepsbehoeften
  overtreft.

- Bestanddelen die als belegging worden gehouden en die door hun aard niet bestemd zijn om een belastbaar periodiek inkomen voort te brengen.

- Onroerende goederen of andere zakelijke rechten die een zaakvoerder, bestuurder of vereffenaar in de vennootschap (of hun echtgeno(o)t of kind(eren)) gebruikt.

- De boekwaarde van ieder actief in zover het op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreft.

In de eerste plaats moet het “eigen vermogen” worden verminderd met het bedrag van de boekwaarde van de materiële vast activa of gedeelten ervan in zover de erop betrekking hebbende kosten de beroepsbehoeften overtreffen.

De tekst in het nieuwe artikel 205 ter WIB, verwijst met de passus “zover de erop betrekking hebbende kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen”, naar artikel 53, 10° WIB 92. De fiscus zal, in de lijn van de rechtspraak van met betrekking tot dit artikel, dus zeker geen opportuniteitsoordeel mogen vellen over het al dan niet onredelijk zijn van de kosten. De vraag is of deze bepaling het beoogde effect zal hebben. Ons lijkt het dat de interpretatieproblemen hieromtrent niet gering zullen zijn.

Als klassiekers vallen hieronder de Rolls Royce of het pleziervaartuig van de bedrijfsleider. Deze kosten mogen fiscaal niet in aftrek worden genomen en worden thans ook geweerd uit de berekeningsbasis van het eigen vermogen waarop de notionele interestaftrek wordt geweerd. Een dubbele sanctie dus...

- Bestanddelen die als belegging worden gehouden en die door hun aard niet bestemd zijn om een belastbaar periodiek inkomen voort te brengen.

Het bedrag van het eigen vermogen moet ook verminderd worden met het bedrag van de boekwaarden van de activa die als belegging worden gehouden en die door hun aard niet bestemd zijn om een belastbaar periodiek inkomen voort te brengen. Het gaat doorgaans om activa die eerder hun plaats in een privé-vermogen hebben.

Deze activa toch mee in aanmerking nemen voor de berekening van de notionele interestaftrek, zou ertoe leiden dat de belastbare winst die is gegenereerd door de professionele activiteiten van de vennootschap (zgn. “core business”), wordt weggewerkt of verminderd door het aanhouden van activa bestanddelen die met deze activiteit uiteindelijk niets te zien hebben (vb. een drukkerij die goudbeleggingen doet). Artikel 205ter,§4 WIB 92 sluit deze activa uit van de basis voor de berekening van de aftrek voor risicokapitaal.

Er wordt in de wet natuurlijk geen definitie gegeven van wat moet verstaan worden onder “bestanddelen die als belegging gehouden worden en die door de aard ervan niet bestemd zijn om een belastbaar inkomen voort te brengen”. Vage begripsomschrijvingen leiden tot rechtsonzekerheid bij de belastingplichtigen en worden o.i. beter vermeden. Het leidt alleen tot meer betwistingen voor de rechtbanken, die dan ongewild verantwoordelijk worden voor de invulling ervan.

Luidens de voorbereidende werkzaamheden moeten de bestanddelen, om onder deze bepaling te ressorteren, aan twee voorwaarden voldoen (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/1, 14).

Het moet vooreerst om een actief gaan dat door zijn aard normaliter niet bestemd is om een periodiek belastbaar inkomen voort te brengen. Hiermee worden onder meer juwelen, edele metalen en kunstwerken bedoeld, maar bijvoorbeeld niet gebouwde onroerende goederen (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/1, 14). 

De tweede voorwaarde is concreet: het betrokken actief moet, in de specifieke omstandigheden van het geval, als belegging worden aangehouden. Het dient te gaan om activa die men passief bezit, zonder dat zij rechtstreeks of onrechtstreeks dienen voor het uitoefenen van een economische activiteit die door de vennootschap effectief wordt verricht, zoals een handels-, industriële of landbouwactiviteit of de uitoefening van een vrij beroep.

De bepaling in kwestie geldt bijvoorbeeld niet voor de gronden van vastgoedhandelaars of van vennootschappen die een landbouwactiviteit uitoefenen of voor juwelen en kunstwerken die tot de verhandelbare voorraad behoren van vennootschappen die daar als activiteit daadwerkelijk handel in drijven (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/1, 14).

- Onroerende goederen of andere zakelijke rechten die een zaakvoerder, bestuurder of vereffenaar in de vennootschap (of hun echtgeno(o)t of kind(eren)) gebruikt.

Het bedrag van het eigen vermogen moet ook verminderd worden met de boekwaarde van de onroerende goederen of andere zakelijke rechten met betrekking tot dergelijke goederen waarvan een bedrijfsleider natuurlijke persoon van de eerste categorie - bezoldigd of niet -, zijn echtgenoot of hun kinderen wanneer ze het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, het gebruik hebben, uit te sluiten.

Wat is een bedrijfsleider van de eerste categorie (D. VAN LAERE, “De invoering van de nieuwe categorie van bedrijfsleiders en haar fiscale implicaties” in Fiscaal Praktijkboek - Directe Belastingen 1997-98, Ced.Samsom, Diegem, 1997, 39 e.v.) ?

De eerste categorie van bedrijfsleiders betreft een ogenschijnlijke samenvoeging van de vroegere categorieën van de bestuurders en werkende vennoten, maar is in werkelijkheid gepaard gegaan met een verruiming van haar toepassingsgebied naar de personenvennootschappen toe (Het onderscheid tussen kapitaal- en personenvennootschappen vertoont thans geen belang meer, tenzij voor de toepassing van de dubbelbelastingverdragen). Immers, thans is het noodzakelijk, doch voldoende dat een belastingplichtige de hoedanigheid heeft van zaakvoerder, opdat hij fiscaal als bedrijfsleider zou worden aangemerkt.

Het begrip “zaakvoerder” kwam tot aanslagjaar 1998 niet voor in het W.I.B. 1992. Gezien zaakvoerders geen afzonderlijke categorie binnen het W.I.B. 1992 vormden, werden hun vergoedingen - voor zover ze geen vennoot waren - naargelang het geval belast als werknemersbezoldigingen of als baten uit winstgevende werkzaamheden. Gezien ze thans expliciet vermeld worden in het artikel 32 WI.B. 1992, verdient hun omschrijving enige aandacht.

Het begrip “zaakvoerders” omvat alle personen die in een personenvennootschap gelijkaardige bevoegdheden als die van bestuurders in kapitaalvennootschappen, d.w.z. personen die in het kader van hun statutair of door de vennoten bepaald mandaat instaan voor het beheer van een vennootschap en er in die bevoegdheid alle handelingen stellen zoals wordt bepaald in de statuten of, bij ontstentenis van statutaire bepalingen, in artikel 130 van de Wet op handelsvennootschappen (F. BALTHAZART, “Bezoldigingen van bedrijfsleiders” in Fiscale dossiers Vandewinckele, 22 mei 1997, nr. 97.8, p. 13). Zoals bestuurders zijn zaakvoerders eveneens een orgaan van de vennootschap (het zgn. organiek criterium).

In tegenstelling tot vroeger is niet langer vereist dat de zaakvoerder ook vennoot is, of wordt met andere woorden niet langer vereist dat de zaakvoerder participeert in het kapitaal van de personenvennootschap. De kwalificatie als zaakvoerder staat niet langer in functie van het aandeelhouderschap. Dit betekent dat personen die vroeger, omdat zij niet participeerden in het kapitaal, nu toch als bedrijfsleider worden belast, voor zover ze het mandaat van zaakvoerder waarnemen.

Gelet op de bewoording van artikel 32 W.I.B. 1992 zijn bovendien ook de personen die, hoewel ze formeel niet bekleed zijn met een mandaat van zaakvoerder, toch een gelijksoortige functie uitoefenen, eveneens als bedrijfsleider belastbaar. Voormelde wettekst betekent bijgevolg dat de administratieve tolerantie, volgens dewelke een vennoot die aanvankelijk tewerkgesteld was als werknemer en naderhand slechts een beperkt aantal aandelen verwierf, maar geen leidinggevende functie in de vennootschap vervulde, als werknemer belastbaar bleef (Com.IB./64, nr. 100/11), voortaan enkel nog kan worden toegepast, indien de vennoot formeel niet tot zaakvoerder wordt benoemd en evenmin geacht kan worden een gelijksoortige functie uit te oefenen (I. BEHAEGHE, W. DEFOOR, D. GAZAGNES, S. SABLON, J. THILMANY, R. VAN DEN EECKHAUT, L. VANHEESWIJCK, S. VERTOMMEN, Fiscaal Jaaroverzicht 1996, De Fiscale Koerier, 1997, nr. 1-2-3, p. 35).

Voor wat de omschrijving van het begrip bestuurders betreft, geldt nog steeds het organiek criterium, nl. het lid zijn van een Raad van Bestuur van een aandelenvennootschap of een daarmee gelijkgestelde vennootschap, hetgeen vertegenwoordigingsbevoegdheid impliceert.

Vereffenaars van vennootschappen worden voortaan expliciet als bedrijfsleider aangemerkt, zodat de vergoedingen die zij ontvangen uit hoofde van voormelde hoedanigheid als bedrijfsleidersbezoldigingen zullen worden belast. Vereffenaars worden benoemd door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de te vereffenen vennootschap en hebben tot taak de activa ten gelde te maken, het passief aan te zuiveren en het eventuele overschot tussen de vennoten te verdelen.

Het artikel 32, eerste lid, 1° W.I.B. 1992 viseert tenslotte de personen die functies uitoefenen die gelijkaardig zijn aan die van bestuurders, zaakvoerders en vereffenaars. Om aangemerkt te worden als feitelijk bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar, moet men positieve daden van bestuur - die verband houden met de ondernemingstrategie op lange termijn - in alle onafhankelijkheid kunnen stellen en vertegenwoordigingsbevoegdheid bezitten ten aanzien derden (Zie overvloedige rechtspraak in dit verband : Cass., 17 november 1956, Pas., 1957, I, p. 284; Cass., 17 september 1968, Pas., 1969, I, p. 61; Gent, 23 maart 1984, F.J.F., nr. 84/149; Luik, 15 juni 1988, F.J.F., 1988, p. 343, nr. 88/182; Brussel, 4 mei 1995, De Fiscale Koerier, 1995, p. 95/380).

In tegenstelling tot de tweede categorie van bedrijfsleiders, heeft het bestaan van een arbeidsovereenkomst geen belang voor de fiscale behandeling van de bezoldigingen van bestuurders, zaakvoerders en vereffenaars.

Wanneer één van bovenvermelde natuurlijke personen het gebruik heeft van een onroerend goed of van een onroerend zakelijk recht, dan dient deze boekwaarde van het eigen vermogen te worden afgetrokken. Deze uitsluiting geldt van zodra een bedrijfsleider een onroerend goed in gebruik neemt, ongeacht of hij al dan niet een normale huur betaalt (Handelingen Kamer 2004-2005, afl. 144, 13).

Volgens een letterlijke lezing van de wet is het voldoende dat de geviseerde personen het goed in “gebruik” nemen.

Het “gebruik” waarnaar wordt verwezen wordt niet verder toegelicht. Aangenomen moet worden dat naast het bewonen van het goed, ook een ander “gebruik” in aanmerking zal worden genomen. Hetzelfde kan gelden voor een eventueel gedeeltelijk beroepsmatig gebruik. Dit kan oi. niet verhinderen dat het eigen vermogen moet worden verminderd met de volledige boekwaarde van het onroerend goed dat gebruikt wordt door de geviseerde personen.

Het ware logischer geweest indien de wetgever had voorzien dat de boekwaarde van het beroepsmatig aangewend gedeelte van het onroerend goed (of van het onroerend zakelijk recht) niet hoefde afgetrokken te worden van het eigen vermogen. Praktisch probleem is dan wel dat er bij elke vennootschap die een onroerend goed of zakelijk recht bezit (en dat zijn er heel wat in België), moet worden vastgesteld of het al dan niet (en voor welk gedeelte) het wordt aangewend voor de eigenlijke activiteit van de vennootschap (vb. in welke ruimte(s) worden er in de doktersvilla effectief patiënten ontvangen). Dit kan enkel worden vastgesteld bij een fiscale controle ter plaatse.  Uit het bedrag van de geboekte afschrijvingen kan men immers geen beroepsmatig gedeelte destilleren, want in de regel wordt het volledig onroerend goed (met uitzondering van het grondgedeelte) of het volledige onroerend zakelijk recht afgeschreven in de boekhouding van de vennootschap.

II.2.2. D. Kapitaalsubsidies en herwaarderingsmeerwaarden

Ten slotte verhindert artikel 205 ter, § 5, WIB 92 dat het risicokapitaal waarop de aftrek wordt berekend de kapitaalsubsidies en de in artikel 44, § 1, 1°, WIB 92, bedoelde uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden zou omvatten.

De uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden die betrekking hebben op actiefbestanddelen zoals bedoeld in het nieuwe artikel 205ter §§ 2 tot 4 WIB 92, worden niet bedoeld. Deze uitsluiting is er om een dubbele uitsluiting te vermijden, vermits die actiefbestanddelen reeds voor hun boekwaarde, d.i. met inbegrip van de uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden, in mindering werden gebracht van het eigen vermogen waarop de aftrek wordt berekend.

II.2.3 Wijzigingen in de loop van het boekjaar

Het uitgangspunt voor de waardering is in de regel het einde van het voorgaand belastbaar tijdperk. Wanneer het eigen vermogen en de bestanddelen van de correcties tijdens het belastbare tijdperk zelf nog wijzigingen zouden ondergaan, worden deze wijzigingen vooralsnog in aanmerking genomen voor de berekening van de notionele interestaftrek.

Volgens de voorbereidende werkzaamheden is deze regel ingeschreven in het nieuwe artikel 205ter, §6 WIB 92 om zo dicht mogelijk aan te leunen bij de boekhoudkundige realiteit komen de boekhoudkundige bewegingen.

Het in aanmerking te nemen risicokapitaal wordt berekend als gewogen gemiddelde, waarbij de wijzigingen - in meer of in min - geacht worden te hebben plaatsgevonden op de eerste dag van de maand volgend op die waarin ze zich hebben voorgedaan. Elke wijziging wordt vermenigvuldigd met het aantal maanden dat nog blijft lopen en gedeeld door het aantal maanden van het belastbare tijdperk om de gewogen gemiddelde wijzigingen in min of meer te bekomen.

Tijdens de bespreking in de Kamer hadden toch wel wat volksvertegenwoordigers vragen bij deze maand-per-maand benadering. Men stelde zich de vraag of de berekening ook nodig was voor de reserves en het overgedragen resultaat en of bijgevolg de vennootschap elke maand zijn boekhouding diende af te sluiten.

De Minister van Financiën antwoordde dat het niet de bedoeling is dat elke vennootschap maandelijks een balans opstelt om rekening te kunnen houden met het dagelijkse resultaat van de vennootschap. De pro-rata regel zou hoofdzakelijk bedoeld zijn voor de aan- en verkoop van aandelen, en dus niet in het dagelijks resultaat van de onderneming.

Wijzigingen in het eigen vermogen moeten in aanmerking worden genomen voor de bepaling van het risicokapitaal. Sommigen stellen zich de vraag of reserves en het overgedragen resultaat door het resultaat behaald in het boekjaar (de lopende winsten) “tijdens het belastbaar tijdperk” zélf muteren. Gezien over de resultaatverwerking pas in het daarop volgend boekjaar tijdens de klassieke jaarvergadering wordt beslist maar wel boekhoudkundig verwerkt wordt op de laatste dag van het belastbaar tijdperk, kan worden getwijfeld of dit wel een wijziging is “tijdens het belastbaar tijdperk” die in acht moet worden genomen (J.VERHOEYE, “Notionele intrest goedgekeurd in de Kamer-commissie”, De Tijd van 2 juni 2005). Een duidelijk standpunt van de Minister van Financiën dringt zich op.

Voor wijzigingen aan de buitenlandse onroerende goederen en de activa van buitenlandse vaste inrichtingen waarvan de inkomsten bij verdrag zijn vrijgesteld, zal luidens artikel 205ter WIB 92 per KB een regeling worden uitgewerkt. Deze regeling is er gekomen bij KB van 17 september 2005.

Met de inlassing van het nieuwe artikel 73/4quinquies, KB/WIB 92, wordt het risicokapitaal van bestanddelen die op buitenlandse inrichtingen aanrekenbaar zijn naar gelang van het geval vermeerderd of verminderd met het bedrag van deze wijzigingen tijdens het belastbaar tijdperk, berekend als gewogen gemiddelde en waarbij de wijzigingen geacht worden te hebben plaatsgevonden de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin ze zich hebben voorgedaan. Deze regeling ligt volledig in de lijn van hetgeen eerder werd bepaald in het nieuwe artikel 205ter,§6 WIB 92.

II.3. Tarief van de aftrek (artikel 205 quater WIB 92)

Het bedrag van de aftrek wordt berekend door het bedrag van het risicokapitaal te vermenigvuldigen met het tarief van de aftrek.

In artikel 205 quater, WIB 92 wordt bepaald dat de aftrek voor risicokapitaal gelijk is aan het overeenkomstig artikel 205 ter, WIB 92, bepaalde risicokapitaal vermenigvuldigd met een tarief dat voor elk belastbaar tijdperk als volgt wordt bepaald.

Dit tarief zal voor aanslagjaar 2007 het gemiddelde zijn van de door het Rentenfonds maandelijks bekendgemaakte referte-indexen J (lineaire obligatie 10 jaren), zoals bedoeld in artikel 9, § 1, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, voor het jaar 2005. Voor het eerste aanslagjaar d.i. aanslagjaar 2007 is het toe te passen tarief gelijk met andere woorden gelijk aan het gemiddelde tarief van de door de Belgische Staat uitgegeven lineaire obligatie op 10 jaren zoals die noteert tijdens het jaar 2005.

Voor de volgende aanslagjaren wordt het toe te passen tarief bepaald met inachtneming van het gemiddelde van de in vermelde referte-indexen J voor het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. Het aldus bepaalde tarief mag wel maar één percentpunt afwijken van het tarief dat voor het vorige aanslagjaar werd toegepast.

Bovendien kan de Koning, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, beslissen de begrenzing van een percentpunt niet toe te passen en een ander tarief vastleggen om het bedrag van de aftrek voor risicokapitaal te bepalen. Het aldus vastgelegde tarief is wel steeds beperkt tot het gemiddelde van de referte-indexen van het voorlaatste jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

Verder is bepaald dat het overeenkomstig de bovenvermelde regels vastgestelde tarief niet meer mag dan 6,5 pct. bedragen maar dat de Koning, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, van dit maximale basistarief kan afwijken.

Ten name van de KMO-vennootschappen, wordt het basistarief verhoogd met een half procentpunt. Voor KMO's is het maximumtarief bijgevolg 7%

Volgens artikel 7, §4 van de Wet betreft het de in artikel 15,§1 van het W. Venn. bedoelde kleine vennootschappen. Kleine vennootschappen zijn deze vennootschappen met rechtspersoonlijkheid die voor het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één der volgende criteria overschrijden :

- jaargemiddelde van het personeelsbestand : 50;
- jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde : 7.300.000 EUR;
- balanstotaal : 3.650.000 EUR; tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand  
  meer dan 100 bedraagt.

Net zoals voor het afschrijvingsregime moet de KMO-definitie van artikel 15 van het W.Venn. geconsolideerd bekeken worden. De regering voelt zich in die interpretatie gesterkt door het feit dat de Raad van State geen opmerkingen heeft gemaakt ter zake. Een dochtervennootschap die voldoet aan de KMO-definitie oprichten om die dochtervennootschap dan apart gebruik te laten maken van de verhoogde interestaftrek, haalt dus niets uit.

In de wet (nieuw artikel artikel 205quater, § 7, WIB 92) wordt bepaald dat de Koning de regels voor de berekening van de aftrek voor risicokapitaal wanneer het belastbare tijdperk langer of korter is dan twaalf maanden nog moet vastleggen.

De wet wil immers zo dicht mogelijk aansluiten bij de realiteit. Vennootschappen die niet per kalenderjaar boekhouden, kunnen geen gebruik maken van een gemiddelde percentage per jaar. Met artikel 1 van het Koninklijk van 17 september 2005 tot wijziging van het KB/WIB 92 tot uitvoering van de wet van 22 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal (B.S. 3 oktober 2005), worden deze regels vastgelegd. Het KB voert een nieuw artikel 73/4sexties, § 2, KB/WIB 92 in.

In geval een boekjaar meer of minder dan twaalf maanden duurt, wordt het percentage van het tarief zoals bedoeld in artikel 205quater, §§ 1 tot 6, WIB 92, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het totaal aantal dagen van het belastbare tijdperk en de noemer gelijk is aan driehonderd vijfenzestig (artikel 73/4 sexies KB/ WIB 92 zoals ingevoerd door artikel 1 van het KB van 19 september 2005). Indien het belastbaar tijdperk langer is dan 365 dagen verhoogt de notionele interestaftrek proportioneel, indien het korter is, verlaagt het proportioneel.

De criteria moeten worden beoordeeld in het jaar waarvoor de aftrek voor risicokapitaal wordt genoten.

II.4. Overdracht van de aftrek (artikel 205 quinquies WIB 92)

Door artikel 8 van de wet van 22 juni 2005 wordt in het WIB 92 een nieuw artikel 205quinquies ingevoerd. Het nieuwe artikel luidt als volgt:

“Indien er voor een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst is om de aftrek voor risicokapitaal te kunnen in mindering brengen, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de zeven volgende jaren.”

Ingevolge artikel 205 quinquies, WIB 92 wordt, indien de aftrek voor risicokapitaal niet wordt verrekend gedurende het belastbaar tijdperk, de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende aftrek achtereenvolgens overgedragen op de winst van de 7 volgende jaren.

De “jaren” waarnaar wordt verwezen zijn wel degelijk kalenderjaren. Een amendement om de tekst te wijzigen in belastbare tijdperken werd verworpen. Bij de bespreking van de tekst van de Wet in de Commissie Financiën bevestigde de Minister dat het wel degelijk gaat om kalenderjaren (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/4, 50).

Voorlopig is er nog geen antwoord op de vraag wat er gebeurt met de overgedragen interestaftrek bij een belastingneutrale herstructurering. Gaat hij definitief verloren of volstaat het een nieuwe onbeschikbare reserve te creëren bij de nieuwe of overnemende vennootschap. De wettekst zegt er alleszins over. Logischerwijze zou het bedrag van de overdraagbare interestaftrek moeten overgaan op de nieuwe entiteit, alsof de fusie of de splitsing niet heeft plaatsgevonden.

In geval van verwerving of wijziging van de controle van een vennootschap die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, is de overgedragen niet-verleende aftrek voor risicokapitaal van de voorafgaande tijdperken niet aftrekbaar van de winst van het tijdperk of van een later tijdperk (artikel 207,2de lid WIB 92). Op dit vlak is de overdraagbare interestaftrek hetzelfde lot beschoren als de overdraagbare verliezen. Met de verdwijning van de aandelen aan toonder zal de controle hierop sterk vereenvoudigd worden.
Minister Didier Reynders (Financiën) en Minister Laurette Onkelinx (Justitie) hebben eind april 2005 aan de Ministerraad een voorontwerp van Wet voorgelegd, dat als doel heeft “het Belgisch recht inzake effecten te moderniseren, door de uitgifte en het gebruik van effecten aan toonder die gelden als roerende waarden af te schaffen”. Waarin het aspect van modernisering schuilt, is ons niet geheel duidelijk maar over hun opzet kan niet getwijfeld worden : alle effecten moeten nominatief worden!
De afschaffing van de anonimiteit van de effecten aan toonder zou geschieden door de omzetting ervan in zgn. “gedematerialiseerde” effecten (die noodzakelijkerwijze op een effectenrekening op naam gedeponeerd worden) of in effecten op naam (die worden geregistreerd in een effectenregister). Alle effecten aan toonder zijn geviseerd : het voorontwerp spreekt van “alle roerende waarden die in België zijn uitgegeven aan toonder, uitgegeven door privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen die recht kunnen geven op een aandeel in de winst of in het vermogen van de uitgever of die recht verlenen deel te nemen aan de werking van de uitgever”.
Elke vennootschap die aandelen aan toonder heeft uitgegeven zou evenwel over een royale tijdspanne beschikken om zich te regulariseren. Nadien komen er even royale boetes. De omzettingsperiode zou tot 2014 lopen voor de effecten aan toonder die uitgegeven zijn vóór de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad. Men hoeft geen groot visionair te zijn om nu reeds te voorspellen dat de meeste omzettingen van bestaande toonderstukken dan ook zullen gebeuren in de tweede jaarhelft van 2013. Nochtans zal de sluwe belegger zijn toonderstukken tussen nu en 2014 gradueel afbouwen, in plaats van in één keer de volledige inhoud van zijn kluis zichtbaar te maken eind 2013. De ongelukkige spaarder zou dan wel eens indiciaire vragen over de herkomst van zijn toonderstukken kunnen krijgen, met alle gevolgen vandien.
Voor nieuwe emissies is men strenger : vanaf 1 januari 2008 zouden geen nieuwe effecten aan toonder meer kunnen uitgegeven worden. Vanaf die datum zouden de effecten aan toonder niet meer materieel afgeleverd worden. Bij financiële instrumenten is het nu reeds zo dat vele effecten gewoonweg niet meer materieel leverbaar zijn.

II.5. Onaantastbaarheidvoorwaarde (artikel 205 sexies WIB 92)

Het nieuwe artikel 205 sexies, WIB 92 bepaalt dat de aftrek voor risicokapitaal slechts wordt toegestaan op voorwaarde dat een bedrag gelijk aan de voor het belastbaar tijdperk verleende aftrek voor het risicokapitaal, op een afzonderlijke onbeschikbare rekening van het passief wordt geboekt en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning, gedurende het belastbaar tijdperk en de drie daarop volgende jaren.

Deze voorwaarde moet vermijden dat de vennootschap het stuk van de winst dat door de notionele interestaftrek wordt vrijgesteld, onmiddellijk wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders. De vrijgestelde winst moet met andere woorden een tijdje binnen de vennootschap blijven, terwijl het concept gebaseerd is op de financiële theorie dat een kapitaalverstrekker een vergoeding verwacht die minstens gelijk is aan de vergoeding van een risicovrije belegging, verhoogd met een risicopremie. De wetgever is er blijkbaar van uitgegaan dat de kapitaalverstrekker maar een beetje geduld moet uitoefenen om zijn vergoeding op te strijken.

Volgens waarnemers zal deze blokkeringsperiode buitenlandse investeerders afstoten. In september 2005 pleitte Minister van Financiën Didier Reynders er nog voor die maatregel af te schaffen via een artikel in de programmawet voor eind 2005. In het kader van de begrotingsbesprekingen legde de MR-topman de kwestie op tafel. In ruil voor de heffing op de obligatiefondsen en de belasting van levensverzekeringsproducten, stelde Minister Reynders voor om de blokkeringsperiode te laten varen. De socialisten vonden echter dat de MR al genoeg had gekregen met de fiscale regularisatie.

Het spook van de onaantastbaarheidsvoorwaarde blijft echter door de Wetstraat waren. De premier heeft tijdens zijn rondrijs door Azie ter promotie van de maatregel aangekondig dat de federale regering zal onderzoeken of de onaantastbaarheidsvoorwaarde niet kan worden afgeschaft. Men vreest dat deze voorwaarde investeerders zou kunnen afschrikken daar men in wezen raakt aan de dividendpolitiek van een onderneming, iets wat nogal gevoelig ligt in de bedrijfswereld. Naar aanleiding van de onderhandelingen over verfijningen aan het Generatiepact, werd binnen de regering uiteindelijk toch een akkoord bereikt (Ministerraad 18 november 2005) over de afschaffing van deze voorwaarde. Een amendement bij de Generatiepactwet zal daartoe binnenkort in het parlement worden ingediend. Afgezien van de nakende afschaffing van de onbeschikbaarheidsvoorwaarde, zullen we hierna toch nog dieper ingaan op deze voorwaarde

De wet stelt dat een bedrag gelijk aan de aftrek geboekt moet worden op een onbeschikbare rekening van het passief. Er wordt echter niet verduidelijkt op welke rubriek dit dient te gebeuren. Boekhoudkundig lijkt de meest aangewezen rubriek de belastingvrije reserves. Fiscaal is vereist dat geboekt wordt op een “afzonderlijke onbeschikbare rekening van het passief”.

Er is wat onduidelijkheid omtrent het juiste bedrag dat moet worden gereserveerd. Stel een vennootschap heeft niet genoeg winsten om heel de bekomen notionele interestaftrek af te zetten. Een deel ervan zal dus kunnen worden overgedragen. Zal de vennootschap ook ten belope van dit bedrag een reserve moeten aanleggen? Vermoedelijk wel.

Uit de lezing van de wettekst blijkt immers dat zo deze voorwaarde niet wordt nageleefd, het reeds effectief verleende gedeelte ervan belast als winst van het belastbare tijdperk waarin het niet naleven van die verplichting zich voordoet zal belast worden. Bijkomend vervalt het recht op overdraagbaarheid als bedoeld in artikel 205 quinquies, WIB 92 voor het nog niet effectief verleende overschot. Ook het bedrag van de niet effectief toegepaste aftrek zou met andere woorden op een onbeschikbare reserve dienen te staan.

Toch zou men het ook anders kunnen lezen. Volgens artikel 8 van het wet van 22 juni 2005 is de bij gebrek aan voldoende winst voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling overdraagbaar naar de volgende jaren. Volgens artikel 9 van de wet van 22 juni 2005 (dat artikel 205 sexies WIB 92 invoert in het WIB 92) moet de voor dat belastbaar tijdperk verleende aftrek op een onbeschikbare reserve komen. Dat zou volgens sommigen suggereren dat alleen het gedeelte van de aftrek dat effectief toegepast is, onder de onbeschikbaarheidsvereiste valt, en niet het gedeelte dat bij gebrek aan voldoende winst overgedragen wordt naar de volgende jaren.

De Minister heeft in de Kamercommissie opgemerkt dat de CBN moet bepalen hoe een en ander boekhouderechtelijk dient te gebeuren (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/4, 53). De hete aardappel wordt dus doorgeschoven.

Na verloop van een termijn van drie jaren is de bekomen aftrek definitief verworven en is ze vatbaar voor uitkering aan de aandeelhouder. De regeling is nadeliger dan men op het eerste gezicht zou denken. Stel dat een vennootschap voor de eerste maal de notionele interestaftrek geniet in het boekjaar 2006. Het bedrag van de interestaftrek moet geblokkeerd blijven op een onbeschikbare rekening van het passief tot 31 december 2009 (oftwel drie jaren). Pas in 2010 kan men het bedrag van de interestaftrek gaan uitkeren. Als men dit doet op jaarvergadering die beslist over de resultaatverwerking van boekjaar 2009, heeft dit tot gevolg dat de uitkering wordt geboekt op 31 december 2009, m.a.w. dus op de laatste dag van de blokkeringsperiode. In principe moet men dan ook wachten tot de algemene vergadering in 2011 die beslist over de resultaatverwerking van boekjaar 2010 of moet men werken met tussentijdse dividenden tijdens het boekjaar 2010 om de wettelijke blokkeringsperiode niet te schenden (Men kan dan ook stellen dat men in de praktijk tot het vijfde jaar zal moeten wachten om het bedrag van de notionele interestaftrek te kunnen uitkeren, hetgeen uiteindelijk veel meer is dan de driejarige blokkering waarover iedereen het heeft).

Onder het begrip “tussentijds dividend” wordt verstaan een dividend dat niet door de jaarvergadering wordt goedgekeurd maar door een bijzondere algemene vergadering op een datum die niet samenvalt met de statutair voorziene datum voor de goedkeuring van de jaarrekening.

De beslissing inzake winstbestemming hangt naar Belgisch recht nauw samen met de goedkeuring van de jaarrekening. Lange tijd was het niet geheel zeker of de vennootschap buiten de regeling van het interimdividend om ook nog eens tussentijds kon overgaan tot de toekenning van dividenden aan haar aandeelhouder(s) en zodoende kon afwijken van een goedgekeurde jaarrekening en de daarin opgenomen winstbestemming.

Het Hof van Cassatie heeft deze discussie beslecht in een arrest van 23 januari 2003 door te stellen dat een bijzondere algemene vergadering op elk ogenblik van het boekjaar kan beslissen om aan de aandeelhouders een dividend uit te keren dat aan de beschikbare reserves wordt onttrokken, zonder daarbij de spelregels van het interimdividend te moeten volgen (Cass. 23 januari 2003, T.R.V., 03/6, p. 541).

De winst die overgedragen of gereserveerd wordt door de jaarvergadering kan op een later tijdstip het voorwerp uitmaken van een tussentijdse dividendenuitkering in de mate dat deze winst niet door overgedragen verliezen wordt teniet gedaan, noch wettelijk of statutair onuitkeerbaar zou zijn. De bijzondere algemene vergadering kan nooit overgaan tot de uitkering van winsten van het lopende boekjaar. Dit is enkel mogelijk via de toekenning van interimdividenden.

De verplichting om deze reserve drie jaar binnen de vennootschap te houden, oogstte veel kritiek. In de schoot van Forum 187, de belangengroep van de Belgische Coördinatiecentra, werd deze kritiek gebundeld.

Door de maatregel zal de Belgische winst van een dochtervennootschap, in de mate dat ze werd vrijgesteld door de notionele interestaftrek, niet onmiddellijk kunnen worden uitgekeerd aan de (buitenlandse) moedervennootschap. In de voorbereidende werkzaamheden is hierop kritiek gekomen. Men vreest terecht dat de onaantastbaarheidvoorwaarde afbreuk zou doen aan de effectiviteit van de maatregel (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/4,53). De wetgever wou echter van geen wijken weten.

De sanctie voor het niet naleven van de onaantastbaarheidvoorwaarde is zoals gezegd het verlies van de aftrek, of eventueel het belastbaar worden van de reeds opgenomen bedragen. Er zijn geen nalatigheidsinteresten verschuldigd.

II.6. Vormvoorwaarden (artikel 205 septies WIB 92)

Het nieuwe artikel 205septies WIB 92 bepaalt dat de belastingplichtige vennootschap die van de notionele interestaftrek gebruik wil maken, bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting, een opgave voegen (dus voor de eerste maal in 2007). Het model van deze bijlage zal door de Minister van Financiën worden vastgesteld.

Dit is tot op heden niet gebeurd.

De wet schrijft uitdrukkelijk voor dat de bijlage bij de aangifte moet worden bijgevoegd. Men gaat er evenwel vanuit dat de administratie dezelfde tolerantie aan de dag zal leggen als voor de degressieve afschrijvingen en de aanleg van belastingvrije voorzieningen : het kan worden ingediend in elke stand van de procedure worden ingediend en desnoods mag de belastingplichtige de opgave in het stadium van het bezwaar nog opleggen.

II.7. Uitsluitingen (artikel 205 octies WIB 92)

Het toepassingsgebied van de wet is zeer ruim. Men zou kunnen zeggen dat dit bewust zo gedaan.

Één van de doelstellingen van de maatregel is een alternatief bieden voor de coördinatiecentra die tegen 2010 moeten verdwijnen. Deze vennootschappen zijn onderworpen aan een gunstig fiscaal regime. Hun statuut is geregeld in het Koninklijk Besluit nr.187 van 30 december 1982.

De Europese commissie had bezwaren geuit tegen dit gunstregime omdat het in feite zou  neerkomen op verboden staatssteun. De regering voerde daarop enkele wijzigingen door aan het Koninklijk Besluit nr. 187 van 30 december 1982 ten einde de Commissie gunstiger te stemmen. De geleverde inspanningen konden echter niet vermijden dat het gunstregime uiteindelijk toch dient te verdwijnen. Vanaf 2004 mogen geen nieuwe vergunningen meer worden uitgereikt en tegen 2010 is het helemaal over. Op die datum zullen alle bestaande erkenningen verlopen zijn.

Om een volwaardig alternatief te kunnen uitwerken, mocht de maatregel in geen geval als staatssteun aanzien worden.

De maatregel is van toepassing op alle vennootschappen en andere rechtspersonen die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn.

De vennootschappen die van de notionele interestaftrek gebruik wensen te maken, zijn wel verplicht om een boekhouding te voeren. Deze verplichting staat als dusdanig niet expliciet ingeschreven in de wet zelf maar uit de lezing van het nieuwe artikel 205,ter WIB 92, kan men niet anders besluiten. De voorbereidende werkzaamheden duiden erop dat ondernemingen die de mogelijkheid hebben om geen boekhouding dienen te voeren, moeten van deze mogelijkheid afzien (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/1, 11).

Voor het overige zijn er geen bijkomende voorwaarden opgelegd. Er geen investeringsvereiste noch een tewerkstellingsvereiste. Er was nog wel even sprake van de invoering van een tewerkstellingsvereiste maar het ingediende amendement werd verworpen (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1778/4, 53).

Ook zijn er geen beperkingen in het toepassingsgebied van de wet ingeschreven die betrekking zouden hebben op de activiteiten van de vennootschap die voor de aftrek in aanmerking komen. Ook kredietinstellingen en verzekeringsinstellingen komen in aanmerking voor de notionele interestaftrek.

Ook buitenlandse vennootschappen die een vaste inrichting in België hebben kunnen van de aftrek genieten (Artikel 14 van de wet van 22 juni 2005, B.S. 30 juni 2005). Artikel 236 WIB 92 daartoe als volgt wordt gewijzigd:  De artikelen 205bis tot 205novies zijn van toepassing op de in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtigen voor het risicokapitaal dat bestemd is voor hun Belgische inrichtingen en voor hun in België gelegen onroerende goederen en rechten met betrekking tot dergelijke goederen, volgens de voorwaarden en regels die de Koning bepaalt bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit.

Deze regels met betrekking tot de buitenlandse inrichtingen worden vastgelegd in het Koninklijk besluit van 17 september 2005 (B.S. 3 oktober 2005).

Het KB bepaalt, onder andere, de voorwaarden waaronder buitenlandse rechtspersonen die in België aan belasting onderworpen zijn, ook de aftrek voor risicokapitaal kunnen genieten voor het risicokapitaal dat bestemd is voor hun Belgische inrichtingen en voor hun in België gelegen onroerende goederen.

Met de inlassing van het nieuwe artikel 73/4septies KB/WIB 92, kunnen de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, WIB 92, de aftrek voor risicokapitaal genieten ofwel indien zij een jaarrekening opmaken en een boekhouding voeren conform de verplichting voorzien bij de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van vennootschappen ofwel als zij vrijwillig een boekhouding voeren die in overeenstemming is met de regels die door deze wetgeving zijn vastgesteld voor de bijkantoren van de buitenlandse vennootschappen bedoeld in artikel 92, § 2 van het Wetboek van vennootschappen, die geen aanspraak kunnen maken op de vrijstelling waarin deze bepaling voorziet.

Het nieuwe artikel 205 octies WIB 92 voorziet wel in een aantal uitsluitingen. De “uitsluitingen” hebben allen met elkaar gemeen dat ze reeds van een of ander gunstregime kunnen genieten.

Zo kunnen de volgende vennootschappen niet van de aftrek van het risicokapitaal genieten:

1° de erkende coördinatiecentra die van de bepalingen voorzien in het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, blijven genieten

2° de vestigingen in een reconversiezone, in toepassing van de herstelwet van 31 juli 1984, zolang ze, voor het betreffend belastbaar tijdperk, nog van de bepalingen van artikel 59 van de voornoemde wet genieten;

3° de beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEK), met vast kapitaal (BEVAK) of in schuldvorderingen (VBS) respectievelijk bedoeld in de artikelen 14, 19 en 24 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

4° de coöperatieve participatievennootschappen, in toepassing van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen;

5° de zeescheepvaartvennootschappen die aan belasting worden onderworpen met inachtneming van de artikelen 115 tot 121 of van artikel 124 van de programmawet van 2 augustus 2002 (de zgn. tonnage-taks).

Ten slotte moet nog vermeld worden dat vennootschappen die een vrijgestelde investeringsreserve hebben aangelegd, de belastingaftrek voor risicokapitaal niet kunnen toepassen voor dat belastbare tijdperk en de twee daarop volgende belastbare tijdperken. De periode waarin de niet effectief benutte interestaftrek kan worden overgedragen, wordt dan verlengd met de daarop volgende belastbare tijdperken waarin geen interestaftrek kon worden toegepast (artikel 205, novies WIB 92; artikel 12 van de wet van 22 juni 2005).

Wanneer een KMO opteert voor de investeringsreserve, dan geldt deze keuze meteen voor de volgende twee boekjaren en kan ze gedurende deze periode niet genieten van de notionele interestaftrek. Beide systemen zullen dus niet cumuleerbaar zijn. Deze regels (dus ook de gevolgen van de keuze voor de investeringsreserve) treden evenwel maar in werking vanaf aanslagjaar 2007, dus voor de aanslagjaren 2005 en 2006 kan de vennootschap nog ongestoord een vrijgestelde investeringsreserve aanleggen.

Wellicht zullen de meeste KMO's nadien voor de notionele interestaftrek verkiezen, vermits een investeringsreserve later ooit belast zal worden, terwijl de notionele interestaftrek een permanente, jaarlijkse besparing betekent. Bovendien genieten KMO's van een extra renteaftrek van 0,5% bovenop de gebruikelijke aftrek. Tenslotte geldt er bij de investeringsreserve een investeringsverplichting, terwijl deze finaliteit niet bestaat bij de notionele interestaftrek. Wie kiest voor de investeringsreserve, verliest voor het jaar zelf en voor de twee volgende belastbare tijdperken het recht om de notionele interestaftrek toe te passen.

Ingeval van keuze voor de investeringsreserve wordt de overdracht van de notionele interestaftrek verlengd met de periode waarvoor men kiest voor de investeringsreserve. De termijn van zeven jaar wordt zolang geschorst.

III. Compenserende maatregelen
 
De federale regering schat de budgettaire impact van de maatregel 'notionele interestaftrek' op 560 miljoen Euro. Naar goede gewoonte dienen er bij invoering van nieuwe fiscale steunmaatregelen dikwijls voorheen gedane concessies opnieuw te worden prijsgegeven. Deze keer is het niet anders. De invoering van de belastingaftrek betekent meteen het einde van de gewone investeringsaftrek en van het belastingkrediet. Initieel was er in het voorontwerp zelfs sprake van de opdoeking van de investeringsreserve, maar dit blijft vooralsnog overeind met dien verstande dat er wel geen cumulatie mogelijk is.

Het terugverdien-effect ingevolge de compenserende maatregelen wordt door regering slechts op 57 miljoen Euro geschat. Wat lijkt op een budgettaire catastrofe, moet evenwel op macro-economisch vlak de investeringen doen aanzwengelen en dient ons imago op te poetsen bij buitenlandse investeerders na de aangekondigde afschaffing van de coördinatiecentra.

III.1. Meerwaarden (artikel 2 van de Wet van 22 juni 2005)

Sinds de invoering van de vrijstelling van meerwaarden op aandelen in artikel 192 van het WIB 1992 (Wet van 23 oktober 1991, BS 15 november 1991) is het in de rechtsleer en de rechtspraak nooit echt stil geweest rond dat onderwerp. Een van de hete hangijzers was de omvang van de vrij te stellen meerwaarde.

Meerwaarden op aandelen zijn vrijgesteld voorzover het gaat om aandelen waarvan de dividenden in principe in aanmerking komen voor DBI-aftrek.

De verkoop van aandelen gaat uiteraard gepaard met bijkomende kosten.

Daarbij kan volgens de Administratie worden gedacht aan makelaarskosten, commissielonen, belastingen, advieskosten, bankkosten, beurstaksen (Vr. nr. 1089 van 12 januari 2001, Bull. Bel. 2001, 2682 - de lijst is overigens niet limitatief). De vraag is dan of de kosten die een vennootschap maakt om de aandelen te kunnen verkopen,in rekening moeten worden gebracht om de vrij te stellen meerwaarde te bepalen.

Volgens de Administratie en de minister moet de vrij te stellen meerwaarde worden berekend met als uitgangspunt de verkoopprijs van de aandelen verminderd met de kosten (Com. IB 1992 nr. 44/58; Mond. Vr. van 21 maart 2000, Kamercommissie Financiën, Fisc. Act. 2000, 22/3; Vr. nr. 470, 5 oktober 2000, Bull. Bell. 2001, 1611; Fisc. Act. 2004, 16/4). Maar dat standpunt wordt tegengesproken in een groot deel van de rechtsleer en de rechtspraak.

Maar er zijn ook verdedigers van het standpunt van de fiscus. Voorstanders van een netto-vrijstelling, zoals blijkt nu gevolgd door het Hof van Beroep te Antwerpen, grijpen terug naar het realiteitsbeginsel.

Zij gaan ervan uit dat uit het geheel van de bepalingen van het WIB blijkt dat de inkomstenbelastingen in beginsel alleen de werkelijke winst treffen (S. Van Crombrugge, "Het fiscaal winstbegrip", in Vennootschap en Belastingen, Ced.Samsom/Kluwer, Deel III, 3-660 e.v). Alleen de werkelijke waarden, zowel in positieve als in negatieve zin, komen in aanmerking om bij te dragen tot de winstvorming (Cass. 28 oktober 1982, RW 1982-83, 2336).

Bijgevolg is alleen de aandelenmeerwaarde die werkelijk wordt gerealiseerd, vrijgesteld. Wie méér wil vrijstellen, stelt vrij wat er niet is. Het fiscale realiteitsbeginsel laat dat niet toe. De verkoopkosten zijn al opgenomen in de aftrekbare beroepskosten en hebben het belastbaar inkomen dus al verminderd. De kost die men draagt om de meerwaarde te verwezenlijken, moet bijgevolg mee verrekend worden in de gerealiseerde meerwaarde.

Ook de rechtspraak is niet steeds eensgezind. Maar tot nu toe leek het erop dat de belastingplichtige het laken naar zich toe zou trekken. Talrijk waren de vonnissen die zich uitspraken vóór de vrijstelling van het bruto-bedrag van de meerwaarde op aandelen (Rb. Antwerpen 6 januari 2003, AFT 2004.2, 68, FJF 2003, 669 en 24 december 2004, 04582764; Rb. Bergen 11 september 2002, FJF 2004, 754 en 2 februari 2005, 055240108; Rb. Brussel 26 mei 2004, FJF 2005, 272; Rb. Gent 3 juni 2004, Fisc. Act. 2004, 36/1; Rb. Hasselt 8 september 2004, Fisc. Act. 2005, 7/14 en 13 oktober 2004, FJF 2005, 268; - contra: Rb. Antwerpen 27 februari 2004, AFT 2004.8-9, 33; Rb. Bergen 28 november 2002, FJF 2003, 893; Rb. Leuven 10 januari 2003, TFR 2003, 966; zie ook Fisc. Act. 2003, 8/4 en 2004, 26/6 voor een overzicht).

Eerder dit jaar bleek het eerste arrest van een hof van beroep alvast positief: het hof te Bergen stelde de bruto-meerwaarde vrij (Bergen 6 april 2005, Fisc. Act. 2005, 14/3).

Ondertussen heeft ook het Hof van Beroep te Antwerpen over de kwestie geoordeeld. Maar deze geeft dan weer de administratie gelijk.

De wetgever heeft ondertussen voor de toekomst aan de controverse een einde gemaakt. Net vóór het zomerreces werd een wijziging doorgevoerd aan artikel 43 van het WIB 1992.

De Wet van 22 juni 2005 voert bepaalt als budgettaire compensatie voor de notionele interestaftrek dat vanaf aanslagjaar 2007, voor de berekening van meerwaarden, bepaalde kosten die worden gemaakt naar aanleiding van de realisatie van meerwaarden, weliswaar fiscaal aftrekbaar blijven, maar niet meegeteld mogen worden voor de berekening van de meerwaarde (Zie Fisc. Act. 2005, 17/7 en 23/4).

Fiscaal is een verwezenlijkte meerwaarde voortaan gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed verminderd met de kosten van vervreemding en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen (nieuw artikel 43 WIB 92).
 
De memorie van toelichting bij de wet laat er geen twijfel over bestaan dat de maatregel wordt ingevoerd om een einde te maken aan de hierboven uiteengezette discussie. Het was de regering een doorn in het oog dat de belastingplichtige met de bruto-vrijstelling niet alleen de gedragen kosten in mindering kon brengen als beroepskosten maar dat het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde die wordt vrijgesteld ook nog eens hoger is. Hier is dus een dubbel effect van de kosten waaraan dient te worden verholpen (Gedr. St. Kamer 2004-05, nr. 1778/1, 9).

Merk op dat de wijziging niet is aangebracht aan artikel 192 van het WIB 1992 maar in artikel 43 van het WIB 1992 dat in het algemeen zegt hoe de omvang van verwezenlijkte meerwaarden op beroepsmatig aangewende activa te berekenen is.

De principes ingeschreven gelden niet alleen voor de meerwaarden op aandelen voor alle meerwaarden zodat ook andere meerwaarden zullen worden beïnvloed door de maatregel. Zo werd bv. artikel 47 WIB 92. tot nu toe aanvaard dat de bruto-meerwaarden gespreid belast werden, ook al waren de kosten al eens afgetrokken. Daaraan komt nu een einde.

Een ander gevolg is dat bij de berekening van de stopzettingsmeerwaarden die in het kader van de personenbelasting belastbaar zijn tegen verlaagd tarief, voortaan ook eerst de kosten van vervreemding moeten worden afgetrokken waardoor de tegen het verlaagd tarief belastbare meerwaarde kleiner wordt.

III.2. Investeringsaftrek (artikel 3 en 18 van de Wet van 22 juni 2005)

De gewone en de gespreide investeringsaftrek voor KMO's worden op nul gezet.

Om overlappingen met de investeringsreserve en de interestaftrek te vermijden, wordt voor investeringen vanaf aanslagjaar 2007 de gewone investeringsaftrek voor vennootschappen afgeschaft. Binnenlandse vennootschappen die onderworpen zijn aan het verlaagd opklimmend tarief in de vennootschapsbelasting kunnen uit hoofde van een hele reeks nieuwe investeringen een extra aftrek krijgen van 3% op de aanschaffingswaarde. De investeringsaftrek wordt zelfs toegestaan wanneer voor de investering een krediet wordt aangegaan, die nog eens fiscaal aftrekbare interesten oplevert. Dit behoort weldra tot het verleden voor de vennootschappen. Ook de gespreide investeringsaftrek verdwijnt. Indien de vennootschap op de eerste dag van het belastbaar tijdperk van de investering minder dan 20 werknemers in dienst heeft, dan krijgt ze voor haar investeringen 10,5% extra aftrek. De investeringsaftrek wordt dan wel gespreid a rato van de afschrijvingen die elk boekjaar werden geboekt. De verhoogde investeringsaftrek (voor octrooien, onderzoek & ontwikkeling, rationeler energieverbruik en beveiliging) blijft evenwel bestaan, maar had sowieso al een veel beperkter toepassingsgebied.

Het voordeel van de gespreide investeringsaftrek wordt evenwel behouden voor de investeringsaftrekken die werden verleend voor een aanslagjaar dat aan het aanslagjaar 2007 voorafgaat (nieuw artikel 528 WIB/92).

III.3. Belastingkrediet (artikel 15, 16 en 19 van de Wet van 22 juni 2005)

Het belastingkrediet dat KMO-vennootschappen kunnen genieten, wordt afgeschaft (Artikel 15 en 16 van de Wet van 22 juni 2005). Het belastingkrediet bestond nog maar sinds 1999. Een KMO kan bij een kapitaalverhoging met contant geld een belastingkrediet krijgen. Die extra aftrek bedraagt 7,5% van het in geld gestort kapitaal, met een maximum van 19.850 Euro. Die aftrek verdwijnt met ingang van het aanslagjaar 2007. Dat is logisch, anders zou men voor hetzelfde kapitaal (als bestanddeel van het eigen vermogen) tweemaal een aftrek kunnen genieten. Deze stimulans blijft nog tot aanslagjaar 2007 onverkort bestaan. Een verstandig bedrijfsleider zal dan ook overwegen om nog dit jaar een kapitaalverhoging door te voeren, welke recht zal geven op een belastingkrediet en die vanaf aanslagjaar 2007 bovendien in aanmerking zal worden genomen voor de berekening van de notionele interestaftrek. De enige (relatief beperkte) keerzijde aan de medaille is dat het inbrengrecht van 0,5% dit jaar nog niet op nul wordt gezet, zodat dit bij een eventuele kapitaalverhoging tijdens 2005 verschuldigd blijft. Vennootschappen met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar kunnen zich niet veroorloven om met de kapitaalverhoging te wachten tot na 1 januari 2006 (i.e. datum waarop het inbrengrecht op nul wordt gezet), vermits ze zich dan in aanslagjaar 2007 bevinden. En vanaf dat ogenblik kan het belastingkrediet niet meer worden toegepast. Het zou zonde zijn om een belastingkrediet van 7,5% te mislopen om een minimale besparing van 0,5% inbrengrecht te realiseren.

De mogelijkheid om het voorheen verworven belastingkrediet over te dragen naar de volgende drie aanslagjaren evenals de andere regels vervat in artikel 292bis WIB blijft bestaan (nieuw artikel 529 WIB/92).

III.4. Registratierechten (artikel 20 van de Wet van 22 juni 2005).

Naast de invoering van de notionele interestaftrek voorziet de wet in de schrapping van het registratierecht op de inbrengen in een vennootschap: het evenredige registratierecht wordt verlaagd van 0,5% tot 0%.

De vermindering werd ingegeven door - zoals de regering het zelf noemt - twee recente gebeurtenissen :

In de eerste plaats gaat het om de invoering van Europese vennootschap door reglement 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001. Deze nieuwe vennootschapsvorm zou vooral de herstructurering van ondernemingen en grensoverschrijdende fusies moeten vereenvoudigen. Bij die gelegenheid zullen de inbrengen in vennootschappen belangrijk zijn en het huidig evenredig recht kan een afschrikkend effect hebben om deze inbrengen uit te voeren (Gedr. St. Kamer 2004-05, nr. 1778/1, 7). Vervolgens zou het huidige tarief de concurrentiepositie van de Belgische ondernemingen ten aanzien van bepaalde Lidstaten waarin de belastingheffing via inbrengrecht geringer is of onbestaande, verzwakken, vooral dan na de toetreding van de nieuwe lidstaten (Gedr. St. Kamer 2004-05, nr. 1778/1, 6).

De registratie van de akte die de inbreng vaststelt, zal echter wel nog steeds onderworpen zijn aan het algemeen vast recht van 25 € (artikel 167 W.Reg.).  Een kleine prijs, lijkt ons...

Maarten VAN DAELE en Didier VAN LAERE, advocaten bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN



12-06-17 Heffing op tankkaarten noopt tot heel wat rekenwerk
Vennootschappen die ook de brandstofkosten voor het privégebruik van een bedrijfswagen ten laste nemen, moeten nu 40% i.p.v. 17% van het voordeel van alle aard opnemen in verworpen uitgaven.....read more
 
07-06-17 UN NOUVEAU DÉVELOPPEMENT POUR LES SCI FRANÇAISES
Dans un arrêt du 29 septembre 2016, la Cour de Cassation belge est revenue sur sa décision de 2004 concernant la fiscalité des SCI translucides.....read more
 
24-05-17 Fiscale regularisatie: samenwerkingsakkoord op regeringsniveau over ‘onsplitsbare bedragen’
Op 23 mei 2017 is er – uiteindelijk en gelukkig maar - een samenwerkingsakkoord afgesloten tussen de Federale en de Vlaamse regering omtrent de zogenaamde ‘onsplitsbare bedragen’ m.b.t. verjaard oorsprongskapitaal. ....read more
 
23-05-17 Fiscus kan nog gemakkelijker rekeningen controleren
Het Centraal Aanspreekpunt (CAP) bij de Nationale Bank houdt de gegevens bij van alle bankrekeningen in het land.....read more
 
website by webalive