nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
 Schema "Inleiding tot het belastingrecht"
 

Beste Student,

Hierna volgt - in telegramstijl - een beperkt schema van de cursus “Inleiding tot het belastingrecht”.

Het is de bedoeling de grote lijnen van de cursus in herinnering te brengen.

Zoals U weet worden er drie vragen gesteld, zoals meegedeeld de laatste les.

Tracht deze cursus door te nemen met de bedoeling dat grote principes U in uw verder fiscaal leven bij blijven. Dat is het belangrijkste doel van deze cursus.

Bij het examen mogen wetboeken worden gebruikt.

Veel succes.

Leo DE BROECK

1. Belasting: begripsomschrijving
 

Er is geen wettelijke definitie (ook niet in Grondwet) van 'belasting(en)' voor handen.

Aan de hand van een aantal cassatiearresten komt men in de rechtsleer tot de volgende juridische omschrijving: “De belasting is een bijdrage, opgelegd door de openbare instellingen, voor de noodwendigheden van hun diensten van algemeen nut, aan de personen of groepen die gevestigd zijn op het grondgebied van die instellingen of die er belangen hebben en voor zover die bijdrage bij wet of decreet als belasting wordt erkend” (TIBERGHIEN, Inleiding, 1986).

Analyse van deze omschrijving:

De klemtoon ligt op het dwingende karakter van de heffing enerzijds en haar financieel doel anderzijds. Traditioneel hadden belastingen enkel tot doel de overheidsuitgaven te dekken (financiële functie), maar met de tijd kwam daar ook een regulerende functie bij (cf. herverdelingsbeleid). Of met de woorden van W.J. Ganshof van der Meersch (“L'impôt et la loi”, in: En hommage à Victor Gothot, Faculté de droit de Liège, 1962, 275): “De hedendaagse belasting heeft haar exclusieve budgettaire bestemming verloren. Zij is essentieel een regeermiddel en een instrument tot herverdeling van rijkdommen en de bestaansmiddelen”.

Laat ons voormelde definitie verder analyseren.

Bijdrage: veelal in geld, maar kan ook op andere wijze geschieden (vb. successierechten betalen met kunstwerken - art. 83/3 W.Succ.)

Opgelegd: eigenmachtig optreden van de overheid (normatief en dwingend karakter)

Openbare instellingen: Staat, Gewesten, Gemeenschappen, provincies, gemeente (zie art. 170 GW), Polders en Wateringen... alsook alle openbare instellingen (zie art. 173 GW).

In de Bijzondere Wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten dd. 16 januari 1989 kan (o.m.) worden teruggevonden wie voor welke belasting bevoegd is, en in welke mate (aanslagvoet, heffingsgrondslag, vrijstellingen, ...). Deze wet werd reeds verschillende keren ingrijpend aangepast, een laatste keer ten gevolge van de vijfde staatshervorming (Bijzondere Meerderheidswetten van 13 juli 2001).

Om de Financieringswet historisch te kaderen, wordt hierna passus weergegeven uit de “Mijlpalen” zoals verwoord op de website van het Vlaams Parlement (geen verplichte examenstof):

“De omvorming van België tot een federale staat kwam er omdat de twee grote bevolkingsgroepen van het land, Vlamingen en Walen, herhaaldelijk met elkaar in conflict kwamen. In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam de taalstrijd op gang. De Vlaamse Beweging ijverde voor de erkenning van het Nederlands als volwaardige taal naast het Frans, dat sinds de onafhankelijkheid in 1830 de enige officiële taal van België was. Met de goedkeuring van verscheidene taalwetten boekte de Vlaamse Beweging belangrijke successen. De eerste taalwet was de wet-Coremans van 1873 waarbij het gerecht verplicht werd in Vlaanderen recht te spreken in het Nederlands in alle zaken waarin de beschuldigde het Frans niet machtig was. In 1898 bepaalde de Gelijkheidswet dat de Nederlandse tekst van wetten en koninklijke besluiten voortaan dezelfde juridische waarde zou hebben als de Franse.

1959 : Het Nederlands wordt een volwaardige rechtstaal

In 1958 stelde Gaston Eyskens het laatste naoorlogse homogene christen-democratische kabinet samen. Onder druk van de Vlaamse Beweging maakte het kabinet de komende jaren werk van de vernederlandsing van het staatsapparaat en de belangrijkste wetteksten. Hiermede werd het oudste strijdpunt van de Vlaamse Beweging, de erkenning van het Nederlands als officiële taal, eindelijk gerealiseerd.

Op 4 juni 1959 werd de Nederlandstalige grondwet van België goedgekeurd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het belangrijke artikel 104 bepaalt dat beide taalversies van de Grondwet vanaf dan rechtsgeldig zijn.

In december 1961 werd het Burgerlijk Wetboek in het Nederlands rechtsgeldig, in augustus 1963 gevolgd door het Strafwetboek.

In 1960 werd een eerste concrete stap gezet naar de culturele autonomie van de gemeenschappen. De wet van 18 mei 1960 voerde de splitsing in van het unitaire omroepinstituut in een Nederlandstalige, de BRT, en Franstalige omroep, de RTB.

In 1962 werd de ministerportefeuille voor Cultuur gesplitst. In 1968 volgde die van Nationale Opvoeding. Renaat Van Elslande (CVP) werd in 1962 de eerste minister van Nederlandse Cultuur, Pierre Vermeylen (BSP) in 1968 de eerste minister van Nationale Opvoeding, bevoegd voor het Vlaamse landsgedeelte.

1960 : De taalstrijd barst los

In de jaren vijftig waren er al taalincidenten geweest. De tienjarige talentelling die op 1 januari 1960 moest plaatsvinden, zorgde voor een hevige opflakkering van de taalstrijd. Van Vlaamse zijde wou men de talentelling afschaffen omdat zij de verfransing, vooral van de Brusselse randgemeenten, in de hand zou werken. De uitslag van de vorige talentelling, in 1947, werd daarom jarenlang betwist.

In 1961 namen alle grote Vlaamse cultuurverenigingen en honderden Vlaamse gemeenten stelling tegen een nieuwe talentelling en drongen aan op een definitieve afbakening van het eentalig Vlaamse grondgebied. Onder grote Vlaamse druk zag de regering-Eyskens zich genoodzaakt de talentelling te schrappen.

1962 : De wetten-Gilson leggen de taalgebieden vast

De eerste wet-Gilson van 8 november 1962 legde de taalgrens definitief vast. De grenzen van bepaalde provincies, arrondissementen en gemeenten werden gewijzigd. Hierdoor werden Komen en Moeskroen van West-Vlaanderen naar Henegouwen overgeheveld. De Voerstreek werd na lange strubbelingen niet langer Luiks, maar Limburgs grondgebied. In 25 taalgrensgemeenten werden faciliteiten voor anderstaligen ingevoerd.

Op 2 augustus 1963 werd de tweede wet-Gilson van kracht. België werd in vier taalgebieden ingedeeld: het Nederlandstalige, het Franstalige, het tweetalige Brussel en het Duitstalige. De grote betekenis van deze wet was dat de taalgebieden werden vastgelegd: het zogeheten 'territorialiteitsbeginsel' werd hierdoor versterkt. De taalgrens kon niet langer door een talentelling verschuiven. De expansie van het Frans werd hiermee tegengehouden.

De derde wet-Gilson van 30 juli 1963 verfijnde de wetgeving op het gebruik van de talen in het onderwijs. Een nieuwe Vaste Commissie van Taaltoezicht (VCT) moest waken over de toepassing van de taalwetgeving. Ze werd op 4 juni 1964 geïnstalleerd. Een speciale regeringscommissaris, de vice-gouverneur van Brabant, moest toezicht houden op de toepassing van de taalwetten in bestuurszaken en onderwijs in de Brusselse gemeenten en de 6 Brusselse randgemeenten. Er werd een nieuwe regeling voor de 'taalkaders' uitgevaardigd.

1968 : Leuven Vlaams

De goedkeuring van de wetten-Gilson betekende niet dat alle communautaire moeilijkheden achter de rug waren. In 1968 explodeerde een al jaren smeulend probleem, de splitsing van de Leuvense universiteit. De strijd om de vernederlandsing van de Leuvense universiteit groeide uit tot hét symbool van de gespannen verhoudingen tussen de twee bevolkingsgroepen. Het zorgde voor de val van de regering-Vanden Boeynants/De Clercq en leidde tot de verhuis van de Waalse studenten naar Louvain-la-Neuve. Het conflict bracht de al in 1962 aangekondigde grondwetsherziening in een stroomversnelling.

1970 : de eerste staatshervorming

Over de krachtlijnen van de staatshervorming bestond bij het aantreden van de regering Eyskens-Merlot in 1968 nog weinig betwisting. De Vlaamse partijen waren vragende partij voor 'culturele autonomie', de Waalse partijen vroegen 'economische decentralisatie'. Bovendien wensten zowel Vlamingen als Walen dat procedures voor de bescherming van de minderheden in beide gemeenschappen in de Grondwet en de wet opgenomen zouden worden.

Toch zou de praktische uitvoering ervan nog een hele krachttoer worden. Tussen de indiening van de voorstellen in juni 1968 en de definitieve goedkeuring ervan in Kamer en Senaat in december 1970, verliepen meer dan twee jaar, met moeizame onderhandelingen tussen de betrokken partijen.

De staatshervorming van 1970 voerde de culturele autonomie in en voorzag de oprichting van drie gewesten. Het zou nog bijna tien jaar vragen om de gewestvorming een concrete inhoud te geven. De politieke partijen konden het niet eens worden over de grenzen van het gewest Brussel.

De culturele autonomie

Eind 1970 erkende de Grondwet het bestaan van drie cultuurgemeenschappen: de Nederlandse, de Franse en de Duitse cultuurgemeenschap.
De Nederlandse en de Franse cultuurgemeenschap kregen elk een 'cultuurparlement', respectievelijk de 'Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap' en de 'Conseil culturel de la Communauté Française'. Langs Vlaamse zijde sprak men meestal over de 'Nederlandse Cultuurraad'. De cultuurparlementen waren bevoegd voor persoonsgebonden materies, met andere woorden alles wat taal en cultuur aanging. Grote uitzondering hierop was de onderwijsbevoegdheid die in feite grotendeels nationaal bleef.

Uit de samenstelling van het cultuurparlement bleek dat het geen volwaardig parlement was. Het werd niet rechtstreeks verkozen, maar samengesteld uit de Nederlandstalige leden van Kamer en Senaat. De leden verdeelden hun tijd tussen het nationale en het Vlaamse parlement wat tot organisatorische problemen leidde. Het later zo verfoeide 'dubbelmandaat' was geboren. Alhoewel deze grondwetsherziening definitief het 'wetgevend monopolie' van het nationale parlement doorbrak, behield de Belgische staat na 1970 nog een sterk unitair karakter. De cultuurparlementen hadden beperkte bevoegdheden en een beperkt budget, en bovendien stond tegenover de wetgevende autonomie geen autonomie op uitvoerend vlak.
 
De Cultuurraad van de Nederlandse Cultuurgemeenschap

Op 7 december 1971 werd de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, het eerste parlement van de Vlamingen, geïnstalleerd in het halfrond van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers.

VU-senator Leo Elaut mocht als oudste lid de eerste vergadering van de Nederlandse Cultuurraad openen. Hij bracht hulde aan de Vlaamse Beweging en voorspelde dat de culturele autonomie maar een eerste stap was in het federaliseringsproces. Vervolgens ging de vergadering over tot de verkiezing van de eerste voorzitter van de Cultuurraad, Robert Vandekerckhove. Hij sloot de vergadering al af om 14u25, amper 17 minuten na de opening. De vergadering kreeg een onverwacht einde toen de VU-fractie en een deel van de CVP-fractie opstonden en 'De Vlaamse Leeuw' zongen. De BSP- en PVV-fracties verlieten prompt het halfrond.

Na Robert Vandekerckhove werden achtereenvolgens Jan Bascour (PVV, 1974-1977), Maurits Coppieters (VU, 1977-1979) en Rik Boel (SP, 1979-1980) voorzitter van de Nederlandse Cultuurraad.

De Nederlandse Cultuurraad was weliswaar een parlementaire vergadering, maar zeker geen volwaardig parlement. Het was een parlement omdat het decreten met kracht van wet kon aannemen. Die decreten of Vlaamse wetten golden enkel voor de leden van de Nederlandse Cultuurgemeenschap. De wetten van het Belgische parlement konden die decreten niet wijzigen of opheffen.

Een eerste beperking van de reële macht van de Nederlandse Cultuurraad was dat hij maar voor een bepaald aantal bevoegdheidsdomeinen decreten kon aannemen. Het ging in hoofdzaak om culturele en taalaangelegenheden. Bovendien kreeg de Nederlandse Cultuurraad geen eigen ministers om de decreten uit te voeren. Het waren de ministers van de nationale regering die met de uitvoering van de decreten belast werden. Zij waren alleen tegenover het nationale parlement politieke verantwoording verschuldigd. Spoedig bleek dat dit gebrek aan uitvoerende macht het zwakke punt van het systeem van de culturele autonomie was.

Ondanks zijn zwakke institutionele basis kon de Nederlandse Cultuurraad toch een niet onaardige balans voorleggen. Tussen 1971 en 1980 werden in totaal 49 decreten goedgekeurd. De belangrijkste daarvan had betrekking op het gebruik van de talen.

De vestigingsplaats van de Nederlandse Cultuurraad

Voor de installatievergadering van 7 december 1971 en voor de eerste werkvergadering van 10 februari 1972 had de Nederlandse Cultuurraad gebruik kunnen maken van het halfrond van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de Cultuurraad al tijdens de vergadering van 10 februari 1972 een beslissing zou nemen over zijn vestigingsplaats. Op dat moment was die vestigingsplaats al de inzet geworden van een politieke strijd. Bepaalde partijen wilden de Nederlandse Cultuurraad binnen Brussel houden, anderen waren daar resoluut tegen. De kwestie werd er niet eenvoudiger op toen verscheidene Vlaamse steden, zoals Mechelen, de Cultuurraad onderdak wilden bieden.

Uiteindelijk koos de Nederlandse Cultuurraad op 7 maart 1972 het Paleis der Natie tot zijn vestigingsplaats. Deze keuze voor het nationale parlementsgebouw betekende concreet dat de plenaire vergaderingen van de Cultuurraad plaatsvonden in het halfrond van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, dat de Cultuurraad voor zijn commissievergaderingen de commissiezalen en de nodige infrastructuur van de Kamer kon gebruiken, en dat het personeel voorlopig gehuisvest werd in kantoren die de Kamer ter beschikking stelde.

1971-1980 : De taaldecreten

De Nederlandse Cultuurraad keurde tussen 1971 en 1980 in totaal zes taaldecreten goed. Alle taaldecreten ontstonden op initiatief van de leden van de Cultuurraad. De regering nam op dat gebied geen enkel initiatief en werd er door de Cultuurraad meermaals van beticht de inwerkingtreding of de naleving ervan te saboteren. Over de partijgrenzen heen bestond er geen of weinig betwisting over de inhoud van die voorstellen van decreet, zodat ze zonder uitzondering snel en unaniem goedgekeurd werden.

De eerste taaldecreten die de Nederlandse Cultuurraad goedkeurde, hadden betrekking op het taalgebruik in bestuurszaken, gevolgd door onderwijs.

Het Septemberdecreet

Op 19 juni 1973 keurde de Nederlandse Cultuurraad unaniem het voorstel van decreet goed dat als het belangrijkste van de Cultuurraad beschouwd wordt.
Het decreet-Vandezande regelde de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeelsleden. Het bepaalde dat voor de mondelinge en schriftelijke sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers in het Nederlands taalgebied, uitsluitend het Nederlands mag worden gebruikt. Dat decreet werd bekend onder de naam 'Septemberdecreet' omdat de Franstaligen de draagwijdte ervan pas in september 1973 inzagen en de Franstalige pers gedurende de hele maand september een hevige lastercampagne tegen het decreet voerde.

Na de grondwetsherziening van 1970 namen de ministers van Nederlandse Cultuur het voortouw om een eigen Vlaams cultuurbeleid gestalte te geven op basis van de verworven autonomie. Het beleid van de opeenvolgende ministers van Cultuur beantwoordde aan de principes van het 'cultuurpact', dat in samenhang met de staatshervorming van 1970 tot stand was gekomen en dat elke discriminatie op levensbeschouwelijk vlak zou uitschakelen. Het was een dwingende richtlijn waaraan de decreetgever zich moest houden. Het was van toepassing op alle overheidsmaatregelen inzake culturele aangelegenheden en op de organisatie van de internationale culturele samenwerking. Dit Cultuurpact werd bij decreet bekrachtigd op 25 januari 1974.

Het cultureel beleid van de opeenvolgende ministers van Cultuur stond in het teken van de 'democratisering van de cultuur' in Vlaanderen. Het bibliotheekdecreet uit 1978 en de decreten tot subsidiëring van het sociaal-culturele werk en de vrijetijdsbesteding die tussen 1974 en 1980 tot stand kwamen, zijn goede voorbeelden van democratiseringsdecreten.

De voorlopige gewestvorming

De grondwetsherziening van 1970 voorzag ook de vorming van gewesten. Pas op 1 augustus 1974 werd de wet op de 'voorlopige' gewestvorming goedgekeurd. Discussies over de samenstelling van de gewestraden, hun bevoegdheden en vooral de afbakening van het gewest Brussel waren de oorzaak van die vertraging.

De wet-Perin/Vandekerckhove van 1 augustus 1974 richtte drie voorlopige gewestraden op: een Vlaamse, een Waalse en een Brusselse. De gewestraden werden samengesteld uit de leden van de Senaat. Hierdoor hadden de leden dus geen dubbel-, maar een 'drievoudig' mandaat: lid van de Senaat, van de Nederlandse of de Franse Cultuurraad en van de Vlaamse, de Waalse of de Brusselse Gewestraad.

De bevoegdheden van die voorlopige gewestraden waren, in tegenstelling tot die van de cultuurraden, 'louter adviserend' en hadden betrekking op de volgende domeinen: het beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw; het beleid inzake hygiëne en volksgezondheid; het opvangbeleid; het waterbeleid; de visvangst, de jacht en de bossen; het industriële en energiebeleid en de gemeentelijke organisatie. De belangrijkste opdracht van de gewestraden bestond erin adviezen uit te brengen over wetsontwerpen en koninklijke besluiten binnen die domeinen. Daarnaast konden de gewestraden op eigen initiatief advies uitbrengen over alle domeinen.

De Vlaamse Gewestraad koos voor Mechelen als vestigingsplaats en vergaderde onder voorzitterschap van senator Raf Hulpiau.

Het experiment van drie jaar Vlaamse Gewestraad is zeker geen onverdeeld succes geworden. In de eerste plaats heeft de Gewestraad maar een beperkt gedeelte van zijn bevoegdheden echt benut. Verder hield de regering maar in beperkte mate rekening met de adviezen die de Gewestraad uitbracht. Ten slotte nam de oppositie van BSP en VU niet deel aan de vergaderingen van de Gewestraad, wat zijn geloofwaardigheid en prestige aantastte.

1980 : De tweede staatshervorming

In de jaren zeventig bleek dat de culturele autonomie de relatie tussen Franstaligen en Nederlandstaligen niet afdoend had verbeterd. En de in de grondwet van 1970 voorziene gewestvorming wachtte nog steeds op uitvoering. De wet op de voorlopige gewestvorming van 1 augustus 1974 vormde de eerste aanzet tot de staatshervorming van 1980. Een verdere omvorming van een unitaire naar een federale staat leek aangewezen.

Met de grondwetsherziening van 1980 zette de regering Martens een beslissende stap in de richting van een federale staat. Naast de centrale Belgische staat ontstonden binnen België politiek autonome deelstaten, 'de gemeenschappen en gewesten', die een verregaande vorm van zelfbestuur kregen.

De gemeenschappen namen enerzijds de bevoegdheden over van de cultuurgemeenschappen, aangevuld met onder andere gezondheidsbeleid, de gehandicaptenzorg en het jeugdbeleid. Er bestaan vanaf 1980 dus drie 'gemeenschappen': de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige. De Vlaamse en de Franse Gemeenschap kregen elk een eigen wetgevend orgaan (parlement) en een uitvoerend orgaan (regering, aanvankelijk executieve genoemd).

In 1980 werd ook de gewestvorming uitgevoerd. Op dat moment waren door de voorlopige gewestvorming al twee gewesten opgericht: het Vlaamse en het Waalse. Brussel moest tot 1988 wachten om een gewest te worden. De staatshervorming van 1980 had een vergroting van de regionale bevoegdheden tot gevolg. De gewesten werden bevoegd voor onderdelen van het economisch beleid, maar bijvoorbeeld ook voor ruimtelijke ordening, leefmilieu en energiebeleid. Ze kregen, net zoals de gemeenschappen, een eigen parlement of raad en een regering.

In Vlaanderen werden in 1980 onmiddellijk gewest en gemeenschap samengevoegd. Er bestaat dus maar één Vlaams Parlement en maar één Vlaamse Regering.

1980 : De Vlaamse Raad

Op 1 oktober 1980 vond de installatievergadering plaats van de Vlaamse Raad, het parlement van de Vlamingen. Vermits de Vlamingen kozen voor één parlement had de Vlaamse Raad zowel de gemeenschaps- als gewestbevoegdheden.

Wat de gemeenschapsbevoegdheden betreft, nam de Vlaamse Raad in de eerste plaats de bevoegdheden van de Nederlandse Cultuurraad over. Hij was met andere woorden bevoegd voor het gebruik van de talen, bepaalde culturele aangelegenheden en bepaalde internationale aangelegenheden en voor een kleine fractie van het onderwijs. Daarnaast kreeg de nieuwe Vlaamse Raad er twee belangrijke bevoegdheidspakketten bij. De bestaande lijst met culturele bevoegdheden werd uitgebreid en de Vlaamse Gemeenschap werd ook bevoegd voor persoonsgebonden aangelegenheden. Hieronder vallen onder meer de gezondheids-, gehandicapten- en jeugdzorg. Samenvattend zijn de gemeenschappen bevoegd voor het gebruik van de talen en persoonsgebonden zaken.

Op gewestelijk vlak kreeg de Vlaamse Raad bevoegdheden voor de volgende domeinen: ruimtelijke ordening, leefmilieu, landinrichting en natuurbehoud, huisvesting, waterbeleid, economisch beleid, energiebeleid, ondergeschikte besturen, werkgelegenheidsbeleid en toegepast wetenschappelijk onderzoek in aangelegenheden waarvoor de gewestraden uitsluitend bevoegd zijn. Samenvattend zijn de gewesten bevoegd voor plaatsgebonden materies.

Qua samenstelling bleef de Vlaamse Raad in de periode van 1980 tot 1995 een onrechtstreeks verkozen parlement. Hij was samengesteld uit de rechtstreeks verkozen leden van de Nederlandse taalgroep van de Kamer en de Senaat, en uit de rechtstreeks verkozen volksvertegenwoordigers en senatoren van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad in zoverre die hun eed eerst in het Nederlands hadden afgelegd. Het systeem van het 'dubbelmandaat', dat al in de periode van de Nederlandse Cultuurraad bestond, werd hierdoor bevestigd.

De Vlaamse Raad vergaderde voor de eerste maal op 21 oktober 1980. Tijdens de vergadering van 4 november 1980 werd Rik Boel, die sinds 24 april 1979 voorzitter van de Nederlandse Cultuurraad was, in zijn ambt van voorzitter bevestigd. Nadien werd de Vlaamse Raad achtereenvolgens voorgezeten door Jean Pede (PVV, 1981-1985), Frans Grootjans (PVV, 1985- februari 1988), Jean Pede (PVV, februari 1988-oktober 1988), Louis Vanvelthoven (SP, oktober 1988-1994), Eddy Baldewijns (SP, 1994-1995) en Norbert De Batselier (1995).

De eerste Vlaamse Regering

Tot de staatshervorming van 1980 beschikte de toenmalige Cultuurraad van de Nederlandse Cultuurgemeenschap nauwelijks over de instrumenten om op de uitvoering van het beleid te wegen. Het was immers nog steeds de Belgische regering die de decreten van de cultuurraad moest uitvoeren, en over haar samenstelling had de raad geen enkel zeggenschap. De raad kon de ministers wel controleren en vragen stellen, maar had geen enkel pressiemiddel voorhanden om zijn eisen ook hard te maken.

In 1980 kreeg de Vlaamse Raad wel de zogenaamde government-making power: het recht om zelf een eigen Vlaamse Regering te installeren. Sindsdien benoemt het Vlaams Parlement een Vlaamse Regering, die volledig bevoegd is voor de uitvoering van alle Vlaamse decreten en terzake ook exclusief verantwoording is verschuldigd aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement het vertrouwen in de regering verliest, kan het deze zelf vervangen door een andere.

De historische eerste Vlaamse Regering (die tot 1993 officieel Vlaamse Executieve zou heten) was proportioneel samengesteld: alle grote partijen waren er met andere woorden in vertegenwoordigd, afhankelijk van hun aantal zetels in de Vlaamse Raad. Op 22 december 1981 legde deze regering de eed af in de handen van Vlaamse raadsvoorzitter Jean Pede. De eerste Vlaamse Regering werd geleid door Gaston Geens en bestond uit elf leden: 4 CVP-, 2 SP-, 2 PVV- en 1 VU-minister(s).

1988 : De derde staatshervorming

Met de staatshervorming van 1988 werden de krijtlijnen van de nieuwe Belgische staatsstructuur uitgetekend. Gemeenschappen en gewesten hadden België een federaal uitzicht gegeven, en die deelgebieden hadden belangrijke bevoegdheden en een eigen financieringsstelsel gekregen. Niettemin maakte de dagelijkse praktijk al spoedig duidelijk dat het federaal uiterlijk nog veel tekorten verborg. In de eerste plaats was er het probleem Brussel, dat bij de staatshervorming van 1980 in de koelkast was gestopt. Daarnaast waren er de onvolmaaktheden in de bevoegdheidsverdeling en het ontbreken van belangrijke bevoegdheden zoals bijvoorbeeld onderwijs. De ineenstorting van de Waalse staalindustrie en besparingsplannen van de nationale overheid in het onderwijs zorgden voor nieuwe communautaire twisten. Een verdere federalisering bleek onvermijdbaar.

De regering-Martens VIII stelde een staatshervorming van drie stappen in het vooruitzicht, waarvan ze zelf echter alleen de eerste twee kon realiseren. De derde stap kwam er pas onder de regering-Dehaene en werd bekend als de vierde staatshervorming van 1993.

De verschillende fases van de derde staatshervorming

De eerste fase van de staatshervorming van 1988 stond in het teken van de uitbreiding van de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten. Hierbij werden alle onderwijsbevoegdheden naar de gemeenschappen overgeheveld, terwijl de bevoegdheidspakketten van de andere overgedragen materies gehomogeniseerd en uitgebreid werden. Ook de mogelijkheden tot overleg en samenwerking tussen het nationale niveau en de deelstaten werden uitgebreid.

De tweede fase bestond uit drie grote onderdelen:

•  De herziening van het financieringsstelsel van gemeenschappen en gewesten.
•  De oprichting van de bestuursorganen voor het Hoofdstedelijk Gewest Brussel.
•  De hervorming van het Arbitragehof.

De herziening van de financiering van gemeenschappen en gewesten kwam er vooral op aandringen van de Vlamingen die de geldstroom van Vlaanderen naar Wallonië wilden indijken. De verdeling van de belastingen over de gemeenschappen en gewesten gebeurt voortaan in verhouding tot de opbrengst ervan in elk gewest, maar die 'juste retour' trad pas in werking vanaf het jaar 2000. Voor de periode 1989-1999 gold als overgang een correctiemechanisme.

In 1988 werd ook het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest opgericht. Zoals de Vlamingen altijd geëist hadden, bleef het beperkt tot de 19 gemeenten. Het Hoofdstedelijke Gewest kreeg, in navolging van het Vlaamse en het Waalse Gewest, een eigen parlement dat 'ordonnanties' kan goedkeuren en een eigen regering, naast aparte Nederlandse en Franse instellingen met reglementerende bevoegdheid voor gemeenschapsmateries.

De derde fase van de staatshervorming van de regering-Martens IX moest het sluitstuk van de nieuwe Belgische federale staatsstructuur vormen. Ze voorzag onder meer in de afschaffing van het dubbelmandaat, de omvorming van de Senaat tot een senaat van de gemeenschappen, de regeling van het verdragsrecht voor de gewesten en gemeenschappen en de overdracht van de residuaire bevoegdheden (bevoegdheden die niet expliciet zijn toegewezen aan de federatie en de deelstaten) van de federale staat naar de gemeenschappen en gewesten.

De val van de regering Martens IX in oktober 1991, die mede te wijten was aan het uitblijven van de derde fase, resulteerde in de verkiezingen van 24 november 1991, die de derde fase nogmaals op de lange baan schoven. Uiteindelijk zou die 'derde fase' gerealiseerd worden door de regering-Dehaene in 1993 en als de vierde staatshervorming de geschiedenis ingaan.

1993 : de vierde staatshervorming

Jean-Luc Dehaene (CVP), de medearchitect van de staatshervormingen van 1980 en 1988, nam begin maart 1992 na een uitzonderlijk lange formatieperiode het roer over van Wilfried Martens. Hij bracht de zogeheten 'derde fase' van de vorige staatshervorming, op basis van het zogenaamde Sint-Michielsakkoord van 29 september 1992, in 1993 tot een goed einde. Het werd de vierde staatshervorming sedert 1970.

De staatshervorming van 1993 was de meest ingrijpende die België ooit gekend heeft:

•  ze breidde de bevoegdheden van de deelstaten nogmaals uit, verhoogde hun middelen en gaf hun meer fiscale bevoegdheid;
•  ze realiseerde de rechtstreekse verkiezing van de deelstaatparlementen, bracht een grondige wijziging aan in de werking van het tweekamerstelsel van het federale parlement en hervormde de verhoudingen tussen het federale parlement en de federale regering;
•  ze splitste de provincie Brabant in Vlaams- en Waals-Brabant, terwijl het administratieve arrondissement Brussel-Hoofdstad buiten de indeling van de provincies terechtkwam;
•  ze creëerde aan Waalse kant de mogelijkheid om de Franse Gemeenschap te laten opgaan in het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van Brussel.

Het gevolg van die nieuwe ingrepen was dat België in niets meer leek op de unitaire staat van 1830, maar in zowat alle opzichten een federale staat was geworden. Dat gegeven werd door het parlement geformaliseerd toen het in artikel 1 van de Grondwet inschreef: 'België is een federale Staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.'

De grote verdienste van de staatshervorming van 1993 is dat die het dubbelmandaat heeft afgeschaft, en dat de Vlaamse Raad vanaf de wetgevende verkiezingen van 21 mei 1995 een 'rechtstreeks verkozen' parlement werd. Die verworvenheid vormt als het ware de parel aan de kroon voor de regionale parlementen.

Het Vlaams Parlement telt vanaf dat moment 118 in het Vlaams Gewest rechtstreeks verkozen leden, waaraan 6 'Brusselse Vlamingen', met name de zes eerstverkozen leden van de Nederlandse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, worden toegevoegd. Het nieuwe halfrond telt dus in totaal 124 zitjes, of 64 minder dan de Vlaamse Raad.

In theorie betekende de rechtstreekse verkiezing ook het einde van het dubbelmandaat, maar feitelijk is dat niet helemaal het geval. Het Vlaams Parlement vaardigt immers tien leden af naar de Senaat, de 'gemeenschapssenatoren', die samen met de gemeenschapssenatoren van de overige regionale parlementen de band tussen de federale staat en de deelstaten moeten garanderen. Bovendien moet men rekening houden met de zes 'Brusselse Vlamingen' die eveneens in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad zitting hebben.

Het Vlaams Parlement is sindsdien een 'legislatuurparlement', wat betekent dat vervroegde verkiezingen ervoor uitschrijven onmogelijk is. De Vlaamse Regering kan door het Vlaams Parlement maar ontslagen worden wanneer een meerderheid in dat parlement tegelijk een nieuwe regering installeert. Het Vlaams Parlement wordt verkozen voor vijf jaar.

Het eerste rechtstreeks verkozen Vlaams Parlement werd op 13 juni 1995 geïnstalleerd. Het koos SP-raadslid Norbert De Batselier tot nieuwe voorzitter. Ter afsluiting van die vergadering nam de Vlaamse Raad eenparig een resolutie aan waardoor de naam van de Vlaamse Raad gewijzigd werd in 'Vlaams Parlement' en waardoor de leden van dat parlement voortaan 'Vlaamse volksvertegenwoordigers' genoemd worden. De evolutie naar een volwaardig parlement werd ook duidelijk in de huisvesting : sinds 1996 beschikt het Vlaams Parlement ver een eigen parlementsgebouw en hoeft het geen beroep meer te doen op de accommodatie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Tijdens het weekend van 16 en 17 maart 1996 werd het Vlaams Parlementsgebouw plechtig geopend.

2001: De vijfde staatshervorming

De Lambermont-akkoorden

Op 29 juni 2001 keurde het federale parlement het Lambermont-akkoord goed, dat ook wel de vijfde staatshervorming wordt genoemd.

Deze vijfde staatshervorming kan worden gezien als een synthese van de uiteenlopende wensen van de Vlamingen en de Franstaligen. De Vlamingen wensten vooral meer bevoegdheden voor de deelstaten, de Franstaligen vroegen daarentegen in de eerste plaats ruimere financiële middelen. Het Franstalige standpunt was vooral ingegeven door de financiële ademnood van het Franstalig onderwijs. De Vlamingen waren van hun kant al langer vragende partij voor een ruimere invulling van de deelstaatbevoegdheid, en hadden die eisen reeds in 1999 in een unaniem goedgekeurde resolutie van het Vlaams Parlement geuit. Door het Lambermont-akkoord krijgen de verschillende deelstaten nu zowel meer financiële middelen als meer bevoegdheden. Hieronder volgt het lijstje van de belangrijkste nieuwe deelstaatbevoegdheden.

Voor het eerst is er echt sprake van fiscale autonomie. De gewesten krijgen de nagenoeg volledige bevoegdheid over twaalf gewestelijke belastingen, waaronder het kijk- en luistergeld, de verkeersbelasting en de registratie- en successierechten. Onder federaal toezicht en binnen een bepaald budget mag een gewest voortaan ook aparte belastingverminderingen en -vermeerderingen doorvoeren in materies waarvoor het bevoegd is.

Ten tweede worden bevoegdheden over landbouw, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking naar de deelstaten overgeheveld.

Verder verwerven de gewesten door de overheveling van de Gemeente- en Provinciewet de bevoegdheid en het toezicht over de ondergeschikte besturen binnen hun territorium. Voortaan beslist de Vlaamse overheid bijvoorbeeld zelf wanneer in Vlaanderen gemeente- en provincieraadsverkiezingen worden gehouden. En ten slotte werd ook uitvoerig aan de Brusselse overheidsstructuur gesleuteld, met onder meer een gegarandeerde vertegenwoordiging van de Vlamingen in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad als resultaat. (Tot hier het deel dat geen verplichte examenstof bevat)

Diensten van algemeen nut: belastingen worden geheven en aangewend ter financiering van diensten van openbaar nut.

Wanneer een heffing bestemd is om een door de openbare instelling verstrekte dienst rechtstreeks te laten vergoeden door diegene die de dienst genoten heeft, gaat het niet om een belasting, maar wel om een retributie. De rechtstreekse tegenprestatie van de openbare instelling én de vrijwillige benutting van de dienst door de betaler van de heffing, zijn substantiële kenmerken van een retributie (vb. marktkramers die staangeld moeten betalen; vb. parkeergeld op een openbare parking, waar men vrijwillig stationeert; vb. vergoeding voor inschrijving van wagens). Het verschil tussen belasting en retributie is niet altijd zo evident (zie hieromtrent de analyse gemaakt door Ch. REDANT in TFR 2003, p. 95-107).

Retributies zijn niet te verwarren met verhaalbelastingen. Deze worden als eigenlijke belastingen beschouwd. De grondslag van een verhaalbelasting is dat bepaalde uitgaven die door de belastingheffende overheid in het algemeen worden verricht en bijgevolg aan allen ten goede kunnen komen, toch van bepaalde personen worden teruggevorderd op grond van het onweerlegbare vermoeden dat zij er het meeste voordeel uit halen (vb. verhaalbelasting voor rioleringswerken).

Personen of groepen: alle personen, groeperingen, ... zijn belastingplichtigen, indien en in de mate er een zekere band is met het grondgebied (= territorialiteitsprincipe).

Als belasting erkend: inhoudelijk lijken sociale bijdragen sterk op belastingen, maar worden formeel niet als belastingen erkend (men spreekt wel eens van para-fiscaliteit). In heel wat andere landen worden sociale bijdragen juridisch wel als belastingen behandeld.

2. Fiscaal recht als autonome rechtstak
 

In tegenstelling tot bepaalde (van onze buur)landen, kent België geen algemeen fiscaal wetboek.

Het fiscaal recht vormt binnen het publiek recht een aparte rechtsdiscipline, met eigen regels, die in principe beheerst wordt door het gemeen recht, tenzij het fiscaal ervan afwijkt.

3. Grondwettelijke basis van het fiscaal recht
 

Artikel 170 GW (het grondwettelijk legaliteitsbeginsel)


§1. Geen belasting ten behoeve van de staat kan worden ingevoerd dan door een wet.

§2. Geen belasting ten behoeve van de gemeenschap of het gewest kan worden ingevoerd dan door een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel.
De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.

§3. Geen last of belasting kan door de provincie worden ingevoerd dan door een beslissing van haar raad.

De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.

De wet kan de in het eerste lid bedoelde belastingen geheel of gedeeltelijk afschaffen.

§4. Geen last of belasting kan door de agglomeratie, de federatie van gemeenten en de gemeente worden ingevoerd dan door een beslissing van hun raad.

De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.


Gevolg 1 van grondwettelijk legaliteitsbeginsel: de principiële belastingvrijdom

Geen belasting dan ingevoerd DOOR een wet” = monopolie ten gunste van wetgevende macht. In Nederland is men minder bevreesd, en spreekt men van 'krachtens een wet'.  Een koninklijk besluit kan in België derhalve geen belastingen invoeren, maar kan enkel de belastingwet (binnen de toegemeten bevoegdheden) uitvoeren.

Er zijn wel wettelijke en feitelijke uitzonderingen:

- volmachtenwetten,

- verregaande (haast wetgevende) KB's; zo verleent bijv. art. 37 BTW-Wetboek aan de Koning de bevoegdheid om bij in Ministerraad overlegd KB de BTW-tarieven te bepalen en de indeling vast te leggen van de goederen en diensten bij die tarieven.

Controle van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel door Arbitragehof:

Evenmin als voor de andere wetten, zijn de rechtbanken en hoven van de rechterlijke macht bevoegd om de grondwettelijkheid van een fiscale wet te beoordelen. Wel oordelen zij of een fiscaal besluit wettelijk is of niet, zodat zij de toepassing ervan kunnen weigeren (art. 159 GW).

Het Arbitragehof werd opgericht om in rechte uitspraak te doen over de eventuele bevoegdheidsoverschrijdingen van de verschillende wetgevers (zie reeds de uiteenzetting excursus hiervoor in kleiner lettertype), evenals voor de toetsing aan een aantal artikelen uit de Grondwet. In die zin is het Arbitragehof een grondwettelijk hof.

Sinds de Bijzondere Wet van 9 maart 2003 (tot wijziging van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof) doet het Arbitragehof, bij wege van arrest, uitspraak op de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel wegens schending van:

- de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten

- de artikelen van titel II " De Belgen en hun rechten ", en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet.

Vóór de Bijzondere Wet van 2003 kon het Arbitragehof enkel de conformiteit met artikel 10 (gelijkheid), artikel 11 (non-discriminatie) en artikel 24 (vrijheid van onderwijs) nagaan. Sinds 2003 kunnen meer artikelen worden getoetst (zie tweede gedachtestreepje hiervoor).

Een zaak kan bij het Arbitragehof aanhangig gemaakt worden bij wijze van een vernietigingsberoep of bij wegen van het stellen van een prejudiciële vraag.

De belastingwetgeving is dermate gedetailleerd dat de principiële belastingvrijdom in realiteit eerder een illusie is.

Keuzevrijheid van de belastingplichtige : geen belasting zonder wet, impliceert dat de belastingplichtige de keuzevrijheid heeft tussen de belaste optie A en de onbelaste optie B. Indien de gekozen optie niet of minder belastbaar is dan mogelijke alternatieven, zal op grond van artikel 170 GW alleen de op de gekozen optie toepasselijke belastingswet de fiscale druk bepalen.

Het is wel evident dat de gekozen optie in al haar consequenties moet gevolgd worden, anders riskeert men te 'simuleren' of 'veinzen':

"Il n'y a ni simulation prohibée à 'égard du fisc, ni partant fraude fiscale lorsque, en vue de bénéficier d'un régime fiscal plus favorable, les parties, usant de la liberté des conventions, sans toutefois violer aucune obligation légale, établissent des actes dont elles acceptent toutes les conséquences, même si la forme qu'elles leur donnent n'est pas la plus normale" (Cass. 6 juni 1961, Brepols).

Let op : belastingontwijking mag niet worden verward met belastingontduiking. In het laatste geval begeeft men zich in de frauduleuze sfeer.

Hij die zich in de voorwaarden bevindt waarin een bepaalde belasting verschuldigd is, en die door een of ander middel aan de belasting tracht te ontsnappen, pleegt belastingontduiking.

Voorbeeld: valse aangifte, verkoop zonder factuur, onderschatting van voorraad, niet-boeken van contante verkopen.

Hij die zich niet in de voorwaarden begeeft waarin een bepaalde belasting verschuldigd is, of die een bona fide juridische constructie opzet die minder wordt belast dan de situatie waarin hij zich bevindt, pleegt een belastingontduiking, maar doet enkel aan belastingvermijding.

Voorbeeld: zich onthouden van zwaar belaste verbruiksgoederen, omvorming van een eenmanszaak tot een handelsvennootschap om de druk op de progressieve tarieven in de PB op de noodzakelijke werkmiddelen te verlichten.

Sinds de invoering van de anti-rechtsmisbruikregel bij Wet van 22 juli 1993 wordt een belangrijke nuancering aangebracht aan voormelde principiële keuzevrijheid. Art. 344 § 1 W.I.B. 1992 luidt terzake als volgt:

Aan de administratie der directe belastingen kan niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt.”

Met de Wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen (B.S. 30 december 2005 - in werking vanaf 2 januari 2006) wordt eenzelfde anti-rechtsmisbruikregel ingevoerd inzake BTW. Artikel 59 § 3 BTW-Wetboek luidt als volgt:

“§ 3. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in § 1 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt”.

Wil de fiscus artikel 344 § 1 (of art. 59 § 3 BTW-Wetboek) inroepen, dan moet niet worden aangetoond dat partijen niet alle gevolgen van hun handelingen zouden hebben aanvaard. Integendeel, de toepassing van artikel 344 § 1 (of art. 59 § 3 BTW-Wetboek)vooronderstelt dat de door partijen gegeven kwalificatie juist is.

De fiscus moet bewijzen dat de verrichting(en) een belastingontwijkend opzet heeft(hebben).

Is dat mogelijk, dan kan de fiscus de door partijen gegeven juridische kwalificatie door een andere juridische kwalificatie vervangen. Daardoor wil men de door partijen gegeven juridische kwalificatie inefficiënt maken. De fiscus kan niet eender welke andere kwalificatie aannemen. Meer bepaald is herkwalificatie enkel mogelijk indien de juridische gevolgen van de door partijen gestelde handelingen worden geëerbiedigd. M.a.w., de in de plaats gestelde akte of rechtshandeling moet dezelfde rechtsgevolgen opleveren als diegene die werden beoogd met de door partijen initieel gestelde akte of rechtshandeling (zie in dit verband: Cass. 4 november 2005, F.0400.56.F, besproken in Fisc. Act. 2005, nr. 39, 1-3).

Het Hof van Beroep te Gent oordeelde in deze context dat het niet mogelijk is om vruchtgebruik te herkwalificeren in huur (Gent 13 september 2005, Fisc. Act. 2005, nr. 33, 1-3).

Tenslotte kan de belastingplichtige een taxatie op grond van artikel 344 § 1 (of art. 59 § 3 BTW-Wetboek) nog afwenden door aan te tonen dat er rechtmatige financiële of economische behoeften voor handen waren.

Wil men voorafgaand aan het stellen van een handeling, zekerheid bekomen, dan kan men steeds overwegen een voorafgaande beslissing aan te vragen bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken (Wetstraat 62 - 1040 BRUSSEL; dvbsda@minfin.fed.be).

Gevolg 2 van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel : de gebonden bevoegdheid van de fiscale administratie.

Het grondwettelijk legaliteitsbeginsel bindt tevens de Administratie bij de vestiging van de belasting; het gaat om een invorderingsplicht (i.p.v. een invorderingsrecht).

De fiscus moet de wet toepassen zoals zij is, zonder beschouwingen van morele of andere aard. De 'buit' van een dief is dan ook een belastbaar inkomen, want past perfect onder de categorie 'baten'.

De Minister van Financiën heeft wel de macht om louter fiscale boeten en belastingverhogingen geheel of ten dele kwijt te schelden (artikel 9 Regentsbesluit 8 maart 1831).

Ten gevolge van de gebonden bevoegdheid kunnen administratieve onderrichtingen niet bindend zijn voor de belastingplichtige, evenmin als voor de rechtbank. Zij hebben wel bindende kracht t.a.v. de ambtenaren gelet op hun hiërarchische gehoorzaamheidsplicht en strekken ertoe, niet altijd met evenveel succes, dat gelijkaardige gevallen in verschillende ambtsgebieden op éénvormige wijze worden behandeld.

Niettegenstaande de gebonden bevoegdheid van de administratie, gaat deze bevoegdheid noodzakelijk gepaard met een zekere beoordelingsvrijheid die de administratie heeft bij de controle en de andere contacten die hij heeft me de belastingplichtige. Men neemt aan dat de fiscus gehouden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Volgens de klassieke leer liggen aan de basis van dit standpunt de artikelen 1382 ev. BW waardoor ook de overheid aan een algemene zorgvuldigheids- en voorzichtigheidsplicht is onderworpen. Werden reeds als ontoelaatbaar geacht: verstrekken van verkeerde inlichtingen, een verkeerde vermelding van de aanvangstermijn om te reageren tegen een directoriale beslissing, ...

Meer recent wordt het behoorlijk bestuur niet zozeer meer gezien als een kwestie van overheidsaansprakelijkheid, maar als een zelfstandig leerstuk dat uit het geheel van grondwettelijke beginselen voortvloeit. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 27 maart 1992 beslist dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waartoe het recht van rechtzekerheid behoort, ook gelden ten aanzien van de fiscus.

Nog een andere strekking vindt dat de exceptie van illegaliteit kan worden ingeroepen wanneer een administratie zich niet correct gedraagt. Concreet zou dit tot gevolg hebben dat de falende administratie gewoonweg - tijdelijk - het recht wordt ontnomen om tot heffing van belasting over te gaan. De grondslagen voor deze verregaande zienswijze worden gezocht in het bestuursrecht.

Gebonden bevoegdheid versus beginselen van behoorlijk bestuur

Overeenkomsten inzake belastingen over rechtskwesties tussen de fiscus en de belastingplichtige zijn in de regel nietig en binden niemand. Wel wordt aangenomen dat over feitelijke kwesties overeenkomsten kunnen worden gesloten. Deze overeenkomsten scheppen een vermoeden dat de bewijslast omkeert.

Artikel 171 GW

Over de belastingen ten behoeve van de Staat, de gemeenschap en het gewest wordt jaarlijks gestemd.

De regelen die ze invoeren, zijn slechts voor een jaar van kracht indien zij niet worden vernieuwd.


Belastingen zijn slecht één jaar geldig. De oorzaak hiervan vindt men terug in de geschiedenis: de wetgevende macht moe(s)t jaarlijks controle kunnen uitoefenen op de uitvoerende macht (cf. scheiding der machten - wetgevende, uitvoerende en rechterlijke).

Dit beginsel heeft niet tot gevolg dat alle organieke belastingwetten of -decreten elk jaar opnieuw moeten worden aangenomen, maar enkel dat jaarlijks aan de uitvoerende macht toelating moet worden gegeven om belastingen te heffen overeenkomstig de bestaande wetgeving.

Het eenjarigheidsbeginsel heeft relevante gevolgen op het vlak van het ontstaan van de belastingschuld, die ontstaat door het samentreffen van drie elementen: het voltrokken belastbaar feit, de organieke belastingwet die dat feit omschrijft en de jaarlijkse begrotingswet die de staat toelaat om de organieke belastingwetten toe te passen.

Het grondwettelijk legaliteitsbeginsel mag niet worden verward met het eenjarigheidsbeginsel inzake inkomstenbelastingen (art. 360 W.I.B. 1992).

Artikel 172 GW

Inzake belastingen kunnen geen voorrechten worden ingevoerd.
Geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet.


Inzake belastingen kunnen er geen privilegies worden toegekend, dus ook niet bij wet.

Geen vrijstellingen of verminderingen kunnen worden ingevoerd dan door wet.

Dus: voorrechten - nooit // vrijstellingen - enkel bij wet.

Artikel 172 GW komt bovenop het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel van artikel 10 GW.

Volgens het gelijkheidsbeginsel is een ongelijke behandeling slechts mogelijk als die verantwoord is door een objectief en redelijk criterium.

Uit artikel 172 GW wordt afgeleid dat allen die zich in een zelfde toestand bevinden, op gelijke wijze moeten worden belast.

Let op: het gelijkheidsbeginsel staat geen ongelijkheden in de weg, maar die ongelijkheden moeten overeenstemmen met de aard en het doel van de belasting.

Het gelijkheidsbeginsel geldt niet enkel voor de belasting zelf, maar ook voor de vrijstellingen en verminderingen van die belastingen. Dergelijke vrijstellingen en verminderingen kunnen enkel toegestaan worden DOOR een wet.

Artikel 173 GW

Behalve voor de provincies, de polders en wateringen en de gevallen uitdrukkelijk uitgezonderd door de wet, het decreet en de regelen bedoeld in artikel 134, kan van de burgers geen retributie worden gevorderd dan alleen als belasting ten behoeve van de Staat, de gemeenschap, het gewest, de agglomeratie, de federatie van gemeenten of de gemeente.

Monopoliebeginsel: alleen instellingen als bedoeld GW kunnen heffen.

4. Fiscale algemene rechtsregels
 

Deze regels gelden ongeacht in welke welke fiscale rechtstak wij ons bevinden.

De niet-retroactiviteitsregel

Het (algemene) principe van de niet-terugwerkende kracht van wetten staat geschreven in artikel 2 BW, hetgeen ook in fiscale materies van toepassing is. Een recentere wet kan hier in de regel van afwijken.

Wanneer een belastingwet een nieuwe categorie handelingen, toestanden of feiten aan belastingen zou onderwerpen, zijn ingevolge het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet-terugwerkende kracht van een wet, niet belastbaar de handelingen... die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet voltrokken waren.

Gaat het evenwel om een zogenaamde 'interpretatieve' wet, dan wordt de door die wet gegeven interpretatie geacht gelding te hebben vanaf de inwerkingtreding van de oorspronkelijk geïnterpreteerde wetsbepaling (Cass. 7 mei 1996, F.J.F. 96/226).

Hoewel het verbod van retroactiviteit niet in de Grondwet is opgenomen, wordt in de rechtsleer (L.P. SUETENS, De retroactiviteit van wetten, decreten en ordonnaties, T.F.R. 1993, 218-222) aan deze regel toch een zekere grondwettelijke waarde gehecht. Retroactieve wetten tasten immers de rechtszekerheid aan en vertroebelen het investeringsklimaat.

Ook het Arbitragehof geeft het duidelijke signaal omzichtig om te springen met retroactieve wetten: die kunnen enkel op grond van bijzondere omstandigheden worden verantwoord, in het bijzonder wanneer zij onontbeerlijk zijn voor de goede werking of de continuïteit van de dienst (Arbitragehof 15 september 1999, nr. 97/99).

Eind 2005 oordeelde het Arbitragehof zonder al te veel uitleg dat de terugwerkende kracht van artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 verantwoord zou zijn (Arbitragehof 7 december 2005, nr. 177/2005). Artikel 49 moest vermijden dat heel wat belastingaanslagen definitief verjaard zouden zijn, omdat het Hof van Cassatie in een aantal arresten had geoordeeld dat betwiste belastingschulden niet rechtsgeldig door een dwangbevel konden worden gestuit. (Opm.: de programmawet voorziet niet in een bijzondere datum van de inwerkingtreding, zodoende dat op grond van de algemene regel de bepaling in werking treedt 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad; het is m.a.w. nog hoegenaamd niet zeker óf het wel om een retroactieve wet gaat; volgens de minister van financiën zou het eerder om een interpretatieve wet zijn gegaan, maar dat is het volgens het Arbitragehof niet). Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

De motiveringsregel

Het Wetboek Inkomstenbelastingen legt de fiscus op om aangekondigde wijzigingen in feite en in rechte te motiveren, zodoende dat de belastingplichtige zich kan verdedigen (art. 346 en 351 W.I.B. 1992).

Artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 bepaalt dat de fiscus tevens dient te motiveren waarop een administratieve boete wordt opgelegd.

Inzake het opleggen van proportionele belastingverhogingen inzake inkomstenbelastingen voorziet het Wetboek Inkomstenbelastingen niet in een uitdrukkelijk bepaling die eist dat dit door de fiscus wordt gemotiveerd.

Sinds de Wet van 29 juli 1991 dient het opleggen van een proportionele belastingverhoging te worden voorafgegaan door een duidelijk bericht waarin in rechte en in feite op een pertinente wijze wordt uiteengezet/gemotiveerd waarom de fiscus van oordeel is een proportionele verhoging te moeten opleggen.

Dezelfde Wet van 29 juli 1991 vereist dat wijzigingsberichten inzake indirecte belastingen (BTW, registratie- of successierechten) eveneens in rechte en in feite op een pertinente wijze zijn gemotiveerd. Voldoet de fiscus niet aan deze voorafgaande vereiste, dan is de daarop volgende heffing nietig.

5. Gemeenrechtelijke grondregels van toepassing in het fiscaal recht
 

- Het fiscaal recht wordt beheerst door het gemeen recht, tenzij het fiscaal recht (al dan niet uitdrukkelijk) in een afwijking voorziet. Definities, principes, etc. zijn van toepassing uit bijv. het burgerlijk recht, het vennootschapsrecht of het gerechtelijk wetboek, tenzij het fiscaal recht hiervan afwijkt.

- De beginselen van behoorlijk bestuur (inbegrepen de theorie van het opgewekt vertrouwen) zijn wel degelijk in fiscaliteit toepasselijk, al kunnen deze niet te pas en ten onpas worden ingeroepen (mede gelet op het feit dat het fiscaal recht van openbare orde is en gestoeld is op het grondwettelijk legaliteitsbeginsel)

- [de fiscus is geen derde voor de vestiging van de belastingen, maar wel voor de invordering]

- Het fiscaal recht is van openbare orde; elke verbintenis aangegaan in strijd met de openbare orde, is zonder gevolg (art. 1131 en 1133 BW); derhalve kunnen tussen de administratie en de belastingplichtige geen akkoorden worden gesloten waarbij wordt afgeweken van de wettelijk verschuldigde belasting.

- Hoewel het territorialiteitsbeginsel niet in de Grondwet is vervat, heeft het openbare orde karakter tot gevolg dat belastingwetten allen verbinden die zekere raakpunten hebben met het grondgebied (wonen, zenuwknooppunt van zijn financiële, professionele en private belangen)

6. Algemene rechtsbeginselen
 

Het gaat om een soort natuurwet, beginselen waarover iedereen het eens is. Ze hoeven zelfs niet in een wet te worden opgenomen, en kunnen zelfs krachtiger zijn dan wetten.

- Het recht van verdediging: in fiscaal recht uitstekend gewaarborgd (denk maar aan gehele procedure inzake inkomstenbelastingen), althans in theorie; de gemeenrechtelijke Wet openbaarheid bestuur van 11 april 1994 steekt nog een handje toe, via de actieve en passieve openbaarheid van bestuur (recht op inzage in administratief dossier, recht op kopies, ...).

- Het recht op een onpartijdig en onafhankelijk rechter: sinds 1999 is voor alle fiscale geschillen voorzien in een dubbele aanleg (eerste aanleg en vervolgens beroep)

- Iedereen wordt verondersteld de wet te kennen: in de praktijk niet altijd even strikt doorgetrokken, gewoon omdat het onmogelijk is als burger (en ook niet als adviseur) alles te kennen; een belastingverhoging van 10 % wordt bijvoorbeeld regelmatig niet opgelegd wanneer de belastingplichtige totaal ter goeder trouw is

- Non bis in idem (vermeend algemeen rechtsbeginsel): eenzelfde belastbare materie mag in hoofde van eenzelfde belastingplichtige geen tweemaal worden getroffen door dezelfde of een soortgelijke belasting. Het is in geen enkele grondwettelijke of wettelijke tekst in algemene bewoordingen geformuleerd. De rechtsleer beschouwt het enkel als een door de billijkheid ingegeven richtsnoer voor de wetgever.

7. Bronnen van het belastingrecht
 

- Alle fiscale wetboeken
- Bijzondere wetgeving waarin fiscaliteit is vervat
- Financiële wetgeving, programmawetten, ...
- Niet-fiscale wetten die fiscaal luik omvatten (vb. stedenbouw en braakliggende gronden, ...-
- Besluiten (Koninklijk, Ministerieel) voeren enkel uit
- Rechtsleer, al dan niet van de zijde van de fiscus (vb. fisconet.fgov.be)
- Rechtspraak, waar duidelijk een verschil moet worden gemaakt tussen pure feitenrechters (rechtbank eerste aanleg en hof van beroep) en het Hof van Cassatie, dat zich enkel over een correcte toepassing van de wet op de feiten kan uitspreken, zonder zelf een feitenrechter te mogen zijn.

8. Interpretatie van fiscale wetten
 

- Wat duidelijk is, mag niet geïnterpreteerd worden (Cass. 11 december 1962, Pas. 1963, I, 455)

- Bij de interpretatie moet eerst uitgegaan worden van de tekst zelf van de wet; slechts indien de tekstuele interpretatie geen duidelijkheid brengt, mag overgestapt worden naar de historische opbouw van de wet; In het stadium van de tekstuele interpretatie, wordt vooreerst gezocht naar de juiste betekenis van de door de wetgever gebruikte woorden; voor niet typisch fiscale of juridische terminologie, moet worden teruggegrepen naar gezaghebbende woordenboeken; de uitleg moet strikt bij de letter van de wet blijven: niet te ruim (extensieve interpretatie) en niet te eng (restrictieve interpretatie).

- Wanneer de tekstuele interpretatie geen uitkomst biedt, mag overgegaan worden tot de historische interpretatie; hierbij wordt getracht de juiste betekenis van de wettekst te achterhalen vanuit de studie van de voorbereidende werken die de totstandkoming van de wet voorafgingen

- Indien de onduidelijkheid nog blijft bestaan,

o Mag de twijfel worden opgelost in het voordeel van de belastingplichtige indien het gaat om een 'bezwarende' bepaling (cf. art. 170 GW)

o Mag de twijfel worden opgelost in het voordeel van de fiscus indien het gaat om een 'bevrijdende' bepaling (cf. art. 172 GW)

Wat nooit mag : analogische of theologische interpretatie.

9. Bewijsvoering in het fiscaal recht
 

(let op: deze tekst gaat verder dan examenstof)


Vragen over het bewijs, en meer in het bijzonder over de bewijslast, behoren tot de meest betwiste kwesties in de rechtbanken. Talrijke auteurs benadrukten al het praktische belang van het bewijs voor de uitoefening van het recht.

Vandaar komt dan ook de in de praktijk ontegensprekelijk juiste uitspraak 'Idem est non esse et non probare'. Het niet kunnen bewijzen van een recht, is hetzelfde als het niet hebben van een recht.

'Bewijzen is het stellen van de handeling door één van de partijen waarbij zij haar overtuigingselementen aan de gevatte rechter voorlegt teneinde de waarachtigheid te bewijzen van een feit dat zij aanvoert en dat door de tegenpartij ontkend wordt.'  (C. AUBRY en C. RAU, Cours de droit civil français, XII, Parijs, Marchal, 1978, § 749). Uiteraard hoeft er niet steeds een rechter aan te pas te komen; een belastingplichtige kan ook trachten de fiscus te overtuigen, of omgekeerd.

Het belang van het bewijs en de bewijsvoering in het fiscaal recht - welke deeltak dan ook - kan nauwelijks worden overschat.  Zelfs vooraleer er sprake is van enig geschil, zou de vraag naar de bewijskracht van welbepaalde documenten, attesten, stukken en geschriften kunnen worden gesteld. De belastingheffing geschiedt immers in algemene regel op grond van dergelijke bescheiden.

In geval van onenigheid of, op z'n zachtst uitgedrukt, verschil in interpretatie tussen de Administratie en de belastingplichtige nopens de voorliggende stukken of bescheiden, zal de vraag naar de bewijskracht ervan zich des te scherper stellen, nog het scherpst eens de zaak voor de rechter wordt gebracht. Naast de schriftelijk uiteengezette argumentatie van beide partijen, beschikt de rechter immers slechts over de stukken die hem worden voorgebracht. Deze stukken vormen zijn enige raakpunt met wat zich voorheen heeft voorgedaan. De regels inzake de bewijslast zijn, net zoals in alle andere rechtstakken, de vormvoorschriften die de meeste invloed hebben op de uiteindelijke afloop van het geschil (T. AFSCHRIFT, Bewijs in fiscale zaken, De Boeck & Larcier, Brussel, 2002, 55). Bovendien raken deze geschillen altijd de openbare orde en zijn de partijen ook geen gewone partijen: in het geschil staat de belastingplichtige telkens weer tegenover de overheid die over prerogatieven beschikt die het gemeen recht ver te buiten gaan, maar die eveneens bijzondere verplichtingen draagt. Dit heeft een weerslag op de bewijsregeling.

Dit verklaart waarom de problematiek van de bewijsvoering zich voornamelijk in de praktijk situeert in de geschillenfase, met dien verstande dat de geschillenfase inzake bewijsvoering een aanvang neemt vanaf de eerste controlewerkzaamheid.

De gezegende tijd dat de ingediende aangifte voor juist werd bevonden op grond van de eed die de belastingplichtige met de hand op de bijbel diende af te leggen, behoort ongetwijfeld tot het diepvoltooide verleden (Fiscaal Compendium: Inleiding tot het belastingrecht, P. CARLIER, p. Inleiding/1).

De begrippen bewijs en bewijsvoering zijn in het fiscaal recht onlosmakelijk verbonden met de grondwettelijke basisbeginselen van art. 170 en 172 van de Grondwet, met name het legaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel (zie hiervoor).

In de navolgende bladzijden zal dieper worden ingegaan op de wisselwerking tussen deze grondwettelijke basisbeginselen op het vlak van de bewijsvoering.

Het moge nu reeds volstaan in herinnering te brengen dat geen belasting zal kunnen worden geheven dan door een wet en dat geen vrijstelling of vermindering zal kunnen worden ingeroepen dan op grond van een wet. Aldus zijn de grote bakens uitgezet om de verdere wisselwerking tussen bewijs en tegenbewijs dieper te analyseren. Een nadere analyse van de bewijsregels  en -last toont echter een veel genuanceerdere verdeling van bewijslast.

Het is onmiskenbaar zo dat de belastingplichtige in de regel heb best geplaatst zit om te bewijzen wat er in realiteit is gebeurd. Hij is immers (in tegenstelling tot de ambtenaar of de rechter) rechtstreeks betrokken partij geweest. Maar zelfs indien de belastingplichtige al de bewijslast zou moeten dragen omdat hij nu eenmaal het best geplaatst is om te bepalen hoeveel inkomsten hij in een bepaald belastbaar tijdperk heeft genoten, dan nog kan hem niet omwille van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel worden gevraagd het bewijs te leveren van het bedrag van de ontvangen inkomsten, maar wel van het feit dat hij niet meer inkomsten heeft ontvangen dan aangegeven. Een negatief bewijs dus... en dat kan van niemand worden verlangd.

Hoofdstuk  1  :  Vrij  bewijs  en  gereglementeerd  bewijs

De vraag kan worden gesteld of het leveren van het bewijs op om het even welke manier mag en kan, dan wel of het bewijs dient te worden geleverd volgens een welbepaalde methodiek.

In de eerste hypothese komt het erop neer de beslissende instantie te overtuigen van z'n gelijk.  Hiertoe kunnen alle, uiteraard wettelijke, middelen worden aangewend. Dit systeem van vrij bewijs wordt gevolgd in het strafrecht.

In de tweede hypothese, met name in het burgerlijk recht, dient het bewijs te worden geleverd volgens één van de vijf toegestane middelen die samen het bewijsinstrumentarium vormen : het geschrift, het bewijs door getuigen, de vermoedens, de bekentenis en de eed. 

Dit is het systeem van het gereglementeerd  bewijs (H. DE PAGE, "Traité élémentaire de droit civil belge", deel 2, derde uitgave, nr. 708 e.v.).

Er bestaat een ruime consensus over het feit dat in het fiscaal strafrecht het systeem van het vrij bewijs van toepassing is. 

Over de vraag of het belastingrecht buiten de penale sfeer beheerst wordt door het vrij bewijs dan wel het gereglementeerd bewijs, lopen de stellingen uiteen.

Zo stelt Tiberghien op grond van de overweging dat het gemeen recht het fiscaal recht beheerst dat het gereglementeerd bewijs toepasselijk is in het fiscaal recht (A. TIBERGHIEN, Inleiding tot het Belgisch Fiscaal Recht, Antwerpen, 1986, nr. 507, p. 340).

Claeys Bouuaert daarentegen poneert dat het vrij bewijs in het fiscaal recht moet kunnen worden toegepast (CLAEYS BOUUAERT, "Het bewijs in fiscale geschillen en de bewijsregeling van het Burgerlijk Wetboek", Fiskofoon 52, 1985, p. 41 e.v.). 

Hij steunt zich hierbij op hetgeen in de praktijk gebeurt :“A priori zou men moeten zeggen dat het bewijs steeds vrij is, behalve wanneer de wet deze vrijheid beperkt.  Inderdaad, indien het bewijs te verstaan is als hetgeen de overtuiging van de rechter over een betwist feit meebrengt, kan men de rechter niet binden in de wijze waarop hij overtuigd zal kunnen worden.Dat het bewijs in fiscale zaken in principe vrij is, stemt inderdaad overeen met de algemeen toegepaste praktijk en schijnt overigens nooit betwist te zijn geweest.”

Wij menen hierbij te moeten opmerken dat genoemde auteur zijn stelling baseert op arresten gewezen in strafzaken.

Deze discussie in de rechtsleer blijkt echter niet zo fundamenteel te zijn als op het eerste gezicht zou kunnen worden aangenomen.

Immers, zelfs indien men het systeem van de vrije bewijsvoering vooropstelt, zal de rechter op grond van welbepaalde bewijsmiddelen dienen te oordelen en niet op grond van een innige overtuiging, indruk of intuïtie.

Vandaar dat de studie van de bewijsmiddelen welke kunnen worden aangewend, in elk opzicht essentieel blijft.

Hoofdstuk 2 : Bewijs en tegenbewijs

De bewijsvoering als dynamisch proces kan worden vergeleken met een duel, een steekspel waarbij de antagonisten hoofdbewijs en tegenbewijs tegen mekaar uitspelen. Het is een continu rollenpatroon dat zich kan blijven herhalen tot één van de opponenten geen weerwerk meer kan aanbieden.

Art. 1315 B.W. beschrijft in juridische taal dit steekspel :

Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen (hoofdbewijs).
Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het teniet gaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht (tegenbewijs).


Deze bepaling uit het burgerlijk wetboek is volledig in harmonie met de grondwettelijke basisbeginselen vervat in de voornoemde artikelen 170 en 172 van de Grondwet. 

Immers, conform het legaliteitsbeginsel, zal de administratie het bewijs moeten leveren van een wet die haar toelaat de belasting te heffen en uiteraard van het belastbare feit.

De administratie kan zich alleszins niet afschermen achter het vermoeden van wettelijkheid, ook wel “privilège du préalable” genoemd in vakjargon. Voormeld privilege geeft de administratie zonder twijfel het recht om haar beslissing te doen uitvoeren zolang deze niet wordt betwist, en zelfs wanneer zij wel wordt betwist, maar hieruit mag niet worden afgeleid dat de administratie het bewijs zou hebben geleverd van de feiten waarop zij steunt. M.a.w., ondanks het privilége du préalable en de onmiddellijk uitvoerende kracht, kan er geen sprake zijn van een omkering van bewijslast in het voordeel van de administratie (M.A. FLAMME, Droit Administratif, t. 1, Bruylant, 1989, p. 10).

Niettegenstaande het feit dat de belastingplichtige (in haast alle fiscale takken) als eiser zal kwalificeren, hoort het derhalve aan de administratie om het bewijs te leveren van de feiten waarop haar rechtshandeling steunt, aangezien het de administratie is die ten gronde de uitvoering van de rechtshandeling vraagt (T. AFSCHRIFT, o.c., p. 44). Het fiscale geschil is en blijft immers op de eerste plaats een geschil tussen een partij die beweert een schuldeiser te zijn en een andere partij die ontkent een schuldenaar te zijn. Het feit dat de betrokken schuld een belastingschuld is, is slechts bijkomstig aan deze essentiële vaststelling. Uit de eenheid van het recht en in het bijzonder uit het ontbreken van de vaststelling van het principe van de autonomie van het fiscaal recht (T. AFSCHRIFT, L'evitement licite de l'impôt et la réalité juridique, Brussel, Larcier, 1994, p. 66-67), tenzij in enkele disparate en afwijkende bepalingen, volgt dat dit geschil in de eerste plaats beheerst wordt door de regels van het gemeen recht, die de grondslag van ons rechtssysteem vormen (Cass. 9 januari 1931, Pas. 1931, I, p. 281). Deze aanpak van het bewijsprobleem is logisch en rechtvaardig: er is geen enkele reden waarom het meer of minder gemakkelijk zou moeten zijn om het bewijs te leveren van een schuld wanneer de schuldeiser de Staat is en deze schuld een fiscale schuld is.

De loutere betwisting van de rechtshandeling door de belastingplichtige heeft tot gevolg dat die handeling, die tot op dat ogenblik genoot van het vermoeden van wettigheid, geacht wordt onwettig te zijn. Het is dan aan de administratie om het vermoeden van onwettigheid te weerleggen.

De belastingplichtige daarentegen zal conform het gelijkheidsbeginsel, het bewijs moeten leveren dat hij de belasting niet verschuldigd is of dat hij onder een vrijstellings- of verminderingsbepaling valt.

Dit “rollenspel” wordt overigens perfect verwoord door de Latijnse rechtsadagia : “Actori incumbit probatio” en “Reus in excipiendo fit actor”.

Het kan niet genoeg worden benadrukt hoe de fiscale grondwettelijke basisbeginselen perfect in harmonie staan tot de principes vervat in het burgerlijk wetboek. Meer nog, zelfs de zo vaak gebruikte (en misbruikte) spreuken “In dubio pro fisco” en “In dubiis contra fiscum” kaderen volkomen in wat hierboven wordt gesteld.

Inderdaad, wanneer de belastingplichtige zich wenst te beroepen op een vrijstelling of vermindering van belasting, zal hij zich moeten kunnen steunen op een (duidelijke) wettekst.

Zo vormt art. 1315, tweede lid B.W. het verlengstuk van art. 172 van de Grondwet.  Indien de belastingplichtige niet slaagt in de hem opgelegde bewijslast, zal het adagium “in dubio pro fisco” kunnen worden weerhouden.

Anderzijds zal bij gebreke aan een (duidelijke) wettekst niet voldaan zijn aan de grondwettelijke eis van art. 170 van de Grondwet en evenmin aan het bepaalde in art. 1315 B.W.  Met andere woorden zal hier “in dubiis contra fiscum” terecht kunnen worden toegepast.

In het kader van het bewijs is naast artikel 1315 B.W. ook artikel 870 Ger.W., dat een bredere draagwijdte heeft, van belang. Artikel 870 Ger.W. bepaalt immers dat “iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert”. Hoewel beide wetsartikelen in dezelfde lijn liggen (iedere partij moet het bewijs leveren van hetgeen ze beweert), is er tussen beiden een belangrijk tekstueel verschil: in artikel 870 Ger.W. wordt immers uitdrukkelijk het begrip “aanvoeren” gebruikt, waardoor onmiddellijk de vraag naar de aanvoeringslast aan de orde is. Pas wanneer er daarna een betwisting ontstaat over de door de partijen aangevoerde feiten, moet de vraag naar de bewijslast worden gesteld. Bijgevolg zal de vraag naar de bewijslast enkel rijzen wanneer geen van beide partijen het door haar aangevoerde feit bewijst. Wie draagt dan het risico wanneer de aangevoerde feiten niet bewezen zijn? Op basis van art. 870 Ger. W. kan hierop geen antwoord worden gegeven. Dat is natuurlijk ook niet de draagwijdte van artikel 870 Ger. W. Dit artikel wil integendeel bevestigen dat 'een toestand die bestaat of in de loop van het geding verworven is, bewezen wordt geacht en dat hij die hem wil aantasten, zijn beweringen moet bewijzen' (C. VAN REEPHINGEN, 'Verslag inzake de gerechtelijke hervorming', B.S. 1964, p. 329 met verwijzing naar H. DE PAGE, Traité, III., nr. 726).

Hoofdstuk 3 : Bij wie berust nu de bewijslast?

Eerst en vooral zijn de regels betreffende de bewijslast uit artikel 1315 B.W. en 870 Ger. W. strikte regels: zij zijn zeker niet louter richtlijnen voor de rechter, maar regels die bepalen welke partij de bewijslast moet dragen en die dus bepalen welke vordering afgewezen zal worden wanneer die partij er niet in slaagt om het vereiste bewijs aan te brengen.

In dat opzicht moet de eiser, zijnde de partij die op grond van een wettelijke bepaling zijn recht doet gelden, de bewijslast dragen, ongeacht zijn situatie.

Wanneer een partij zich op een andere wettelijke bepaling moet beroepen om haar rechten te doen gelden, wordt die partij eiser op exceptie.

De partij die de bewijslast draagt, moet het bewijs leveren van alle elementen die aan de basis van haar recht liggen. Hierop bestaan geen uitzonderingen, tenzij de andere partij dat recht erkent.

Inzake die bewijslast wordt geenzins rekening gehouden met het feit dat de ene partij het bewijs gemakkelijker kan leveren dan de andere partij.

Voor elk van de rechtscreërende bestanddelen moeten de regels van het bewijs strikt worden toegepast.

Het is niet toegelaten de bewijslast te verschuiven: de feiten die de rechtscreërende bestanddelen van het recht vormen, moeten bewezen worden.
Het bewijs van naburige feiten volstaat niet.

Het bewijs moet ook geen betrekking hebben op de loutere waarschijnlijkheid van wat aangevoerd wordt, maar op de feiten die de rechtscreërende bestanddelen vormen zelf.

Hierbij doet het weinig ter zake dat het bewijs door één van de partijen onmogelijk of moeilijk kan worden geleverd: van zodra zij het bewijs niet kan leveren van de feiten waarvoor de bewijslast op haar rust, moet haar vordering of tegenvordering afgewezen worden.

Deze regels moeten in het fiscaal recht ook op deze manier worden toegepast, tenzij de wet hiervoor uitdrukkelijk een uitzondering voorziet. Het Hof van Cassatie heeft al meermaals gesteld dat de burgerrechtelijke beginselen in het fiscaal recht van toepassing zijn zolang er niet van wordt afgeweken; dat ze toepassing vinden inzake de registratierechten, zelfs indien de registratie op een burgerrechtelijk fictie steunt (Zie o.m. Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, p. 218).

Het loutere feit dat de fiscus in de zaak betrokken is, laat dus niet toe af te wijken van de regels inzake de bewijslast, die bijgevolg in alle rechtstakken toepasselijk zijn (T. AFSCHRIFT, o.c., p. 52).

Hoofdstuk  4  :  Fiscale  bepalingen

Principe inzake directe belastingen

 

Art. 339 W.I.B. 1992

De aangifte wordt onderzocht en de aanslag wordt gevestigd door de administratie der directe belastingen. Deze neemt als belastinggrondslag de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij zij die onjuist bevindt.
...


Art. 340 W.I.B. 1992

Ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld kan  de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen  aanvoeren, met uitzondering van de eed.

De uitdrukkelijke verwijzing door het fiscaal recht naar de bewijsmiddelen van gemeen recht blijft eigenaardig genoeg beperkt tot de bewijsmiddelen waarover de administratie beschikt. En dan moet daarbij nog worden opgemerkt dat de artikelen 339 en 340 W.I.B. 1992 nog niet  eens uitblinken omtrent welke bewijslast aan welke actor wordt toegewezen.

Artikel 339 vat in een eerste lid aan met te stellen dat de aangifte wordt onderzocht en de aanslag gevestigd door de administratie, die als grondslag neemt de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij zij die onjuist vindt. “Onjuist vinden” is wat ongelukkig uitgedrukt; het is evident dat de administratie moet aantonen op welke vlakken de aangifte (als er een was) onjuist is. De wil van de wetgever om de bewijslast bij de administratie te leggen, kan duidelijk teruggevonden worden in de voorbereidende werken van de Wet van 29 oktober 1919, waarin het systeem van de globale aangifte van inkomsten voor het eerst werd ingevoerd (J. WILMART, "Overwegingen in verband met de ontleding en de verschuiving van het bewijs in het fiscaal recht", Bull. Bel., 1961, p. 1322) .

Het is echter niet correct om hieruit af te leiden dat de aangifte een vermoeden van juistheid geniet. Inzake beroepsverliezen en beroepskosten moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de werkelijkheid en het het bedrag hiervan. Bijgevolg is het onjuist te stellen dat de hele aangifte van een vermoeden van juistheid geniet.

Hoogstens kan men beweren dat het vermoeden van juistheid van de aangifte betrekking heeft op de aangegeven inkomsten en niet op de aftrekbare kosten en verliezen (Luik 2 december 1998, F.J.F. No. 99/15, p. 34).

Ook artikel 340 W.I.B. 1992 bepaalt in niet mis te verstane bewoordingen dat “ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld, de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen kan aanvoeren met uitzondering van de eed”. Hoewel voormeld artikel 340 het heeft over de bewijslevering, vooronderstelt dit wel dat de bewijslast dan ook normaal gezien op de administratie rust (zie in dit verband ook Cass. 25 januari 1993  (F.J.F. No. 95/134), waarin werd bevestigd dat de administratie het bewijs moet leveren van alle niet-aangegeven inkomsten wanneer de belastingplichtige binnen de wettelijke termijn zijn aangifte heeft ingediend).

De betekenis van de beginselen uit de artt. 339 en 340 W.I.B. 1992 is niet meer dan de bevestiging van de toepassing in het fiscaal recht van het adagium 'actori incumbit probatio', zoals dat in de artt. 1315 B.W. en 870 Ger. W. bekrachtigd wordt.

Op grond van dit beginsel moet de administratie normalerwijze de verschuldigdheid van de gevorderde belasting aantonen. Net zoals iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert (art. 870 Ger. W.), moet de administratie dus het bewijs leveren van het bestaan van de inkomsten wanneer zij aanvoert dat de belastingplichtige inkomsten heeft behaald. Als de inkomsten reeds in de belastingaangifte opgenomen waren, vormt de aangifte het bewijs. Wanneer dat niet het geval is, zal de fiscus het bewijs moeten leveren. Wanneer de belastingplichtige daarentegen aanvoert dat hij recht heeft op een belastingaftrek, zal hij het bewijs moeten leveren van de kosten die hij wil aftrekken, zonder dat hij zich kan beroepen op het zogenaamde vermoeden van de juistheid van de aangifte.

Hiermee is voldoende aangetoond dat er in werkelijkheid geen vermoeden van juistheid aan de aangifte kleeft. De aangifte - en meer bepaald de elementen die erin vermeld staan in het voordeel van de belastingplichtige - wordt niet geacht juist te zijn.

Dat vermoeden heeft trouwens geen enkel nut. De belastingplichtige draagt de bewijslast niet en is geenszins gehouden zich te beroepen op een -zelfs wettelijk- vermoeden om zijn beweringen te ondersteunen. Voor hem is het bijgevolg niet nodig dat zijn aangifte wordt vermoed juist te zijn: vermits hij de inkomsten niet moet bewijzen, is het overbodig dat de door hem aangegeven inkomsten geacht worden juist te zijn. Vermits de belastingplichtige de bewijslast niet draagt, moet hij niet eens beroep doen op een onbestaand vermoeden van juistheid van de aangifte.

Over de bewijsmiddelen van de belastingplichtige wordt inzake inkomstenbelastingen niets gezegd.

In verwijzing naar wat hoger werd gesteld, kunnen wij poneren dat het gemeen recht het bewijsmiddelenarsenaal biedt waarover ook de belastingplichtige kan beschikken.

De uitdrukkelijke uitsluiting van de eed als bewijsmiddel vergt weinig of geen commentaar.

Principe inzake indirecte belastingen

Art. 59 W. BTW

§ 1 Overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter  uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen  of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie  worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.
De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.
§ 2 Onverminderd de in § 1 genoemde bewijsmiddelen, is de door de Koning aangewezen ambtenaar of de belastingplichtige bevoegd een deskundige schatting te vorderen om de normale waarde van de in artikel 36, §§ 1 en 2, bedoelde goederen en diensten te bepalen.
Die bevoegdheid bestaat eveneens ten aanzien van de goederen bedoeld in artikel 12, § 2, en de diensten bedoeld in artikel 19, § 2,wanneer ze betrekking hebben op de oprichting van een gebouw.
Als minimummaatstaf van heffing geldt de normale waarde van het goed of van de dienst, zoals ze door de deskundige is bepaald.
De Koning geeft regelen in verband met de schattingsprocedure.
Hij bepaalt de termijn waarbinnen die procedure moet worden ingesteld en wijst aan wie de kosten ervan moet dragen.
§ 3. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in § 1 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt.


Art. 105 W. Succ.

Behoudens de bewijs- en controlemiddelen speciaal voorzien door onderhavig wetboek, wordt het bestuur er toe gemachtigd, volgens de regelen en door alle middelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitzondering van de eed, en, bovendien, door de processen-verbaal van zijn agenten, elke overtreding van de beschikkingen van onderhavig wetboek vast te stellen en om het even welk feit te bewijzen dat de opvorderbaarheid van een recht of een boete laat blijken of er toe bijdraagt deze opvorderbaarheid te laten blijken.

Deze processen-verbaal gelden als bewijs tot het tegendeel bewezen is. 

Zij zullen aan belanghebbenden betekend worden binnen de maand van de vaststelling van de overtreding.  Deze betekening mag gebeuren bij een ter  post aangetekend schrijven.  De afgifte van het stuk ter post geldt als  betekening van de volgende dag af.

Art. 185 W. Reg.

Behoudens de bewijs- en controlemiddelen speciaal voorzien in deze titel, wordt het bestuur er toe gemachtigd, volgens de regelen en door alle middelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitzondering van de eed, en, bovendien, door de processen-verbaal van zijn agenten, elke overtreding van de beschikkingen van deze titel vast te stellen en om het even welk feit te bewijzen dat de opvorderbaarheid van een recht of een boete laat blijken of er toe bijdraagt deze opvorderbaarheid te laten blijken.

De processen-verbaal gelden als bewijs tot het tegendeel bewezen is.  Zij zullen aan belanghebbenden betekend worden binnen de maand van de vaststelling van de overtreding.  Deze betekening mag gebeuren bij een ter post aangetekend schrijven.  De afgifte van het stuk ter post geldt als betekening van de volgende dag af.

Ook inzake BTW is er geen enkele bepaling die de bewijslast uitdrukkelijk regelt. Toch wordt het algemeen beginsel vervat in artikel 870 Gerechtelijk Wetboek op weliswaar impliciete wijze bevestigd door artikel 59, §1 W.B.T.W.: “... de feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, (kunnen) door de administratie (...) worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën”. Het gaat om een met artikel 340 W.I.B. 1992 vergelijkbare bepaling, waarin eveneens bepaald wordt hoe de administratie het bewijs kan leveren, waaruit dan kan worden afgeleid dat het de administratie is die de bewijslast heeft.

Tenslotte kan ook eenzelfde redenering worden gemaakt bij de lezing van artikel 185 W.Reg. en artikel 105 W.Succ.: wanneer de administratie de betaling van een belasting wil vorderen en zij dus verplicht is beroep te doen op de wettelijke bepalingen die de belasting opleggen, dan moet zij bepaalde feiten aanvoeren en bewijzen.

Wanneer de belastingplichtige daarentegen de terugbetaling van een belasting vordert of wanneer hij wil genieten van een belastingvermindering, het verlaagd tarief, een fiscale incentive of aftrekpost, of van een vrijstelling die in het wetboek is voorzien, dan rusten de aanvoeringslast en de bewijslast van de betrokken feiten bij de belastingplichtige (T. AFSCHRIFT, o.c., p. 65).

Hoofdstuk  5  :  Het  geschrift

Het schriftelijk bewijs wordt in het B.W. behandeld in de art. 1317 tot 1340.

Traditioneel wordt het geschrift beschouwd als het zekerste bewijs, als het meest waardevolle (CLAEYS BOUUAERT, o.c., nr. 27 en TIBERGHIEN, o.c., nr. 517).

Mutatis mutandis kunnen ook hier de bepalingen die betrekking hebben op de bewijsregeling inzake verbintenissen worden getransponeerd naar het fiscaal recht.

Overigens niet alleen de echte overeenkomsten worden beschouwd als geschriften, ook andere akten of stukken kunnen bewijskrachtige geschriften uitmaken. Wij denken hier aan aangiften, balansen, boekhoudingen, ...

Het weze nu reeds benadrukt dat in principe de bewijskracht van een onderhandse akte evenwaardig is aan de bewijskracht van een authentieke akte behoudens de in de wet voorziene uitzonderingen.

Het is evident dat met de voorlegging van een geschrift de bewijsvoering niet ten einde is.  Het geschrift zal door de tegenpartij kunnen worden weerlegd, kunnen worden betwist.

Slechts in de mate dat het geschrift tussen de ondertekenende partijen of in hoofde van de eenzijdige opsteller ervan oprecht en geloofwaardig is, zal het ook die oprechtheid, die geloofwaardigheid, m.a.w. de bewijskracht kunnen behouden ten overstaan van derden.

Derden kunnen het geschrift betwisten zowel inzake zijn morele als inzake zijn materiële inhoud. 

De morele inhoud van het geschrift betwisten, betekent de oprechtheid ervan betwisten en simulatie of veinzing inroepen. 

Hierbij zal het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit” kunnen worden gehanteerd om het geschrift als onbestaande uit de debatten te weren.

Het materieel element van het geschrift dat kan betwist worden, heeft betrekking bijvoorbeeld op de handtekening of op het feit dat een geschrift niet gehandtekend is, niet identificeerbaar is (aantekeningen op documenten die geen melding van oorsprong bevatten).

Hoofdstuk  6  :  De  getuigenis

Het getuigenverhoor is uiteraard bijzonder schaars in het fiscaal recht.  Toch voorziet het W.I.B. 1992 uitdrukkelijk in de mogelijkheid om over te gaan tot een getuigenverhoor.

Artikel  322  

De administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.

Nochtans mag het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere graad dan die van controleur.

Artikel  325  

De belastingplichtige wordt bij ter post aangetekende brief opgeroepen om het getuigenverhoor bij te wonen.

De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen over alle daden en feiten waarvan zij kennis hebben en waarvan de vaststelling nuttig kan zijn voor de toepassing der belastingwetten op de feiten waarover geschil is.
Alvorens te getuigen leggen zij de bij artikel 934 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven eed af.

Het tegenbewijs is rechtens toegelaten.


Artikel  326 

Van de verklaringen van de getuigen en, indien de belastingplichtige zulks verlangt, van zijn eigen verklaringen, wordt proces-verbaal opgemaakt.

Na voorlezing wordt het proces-verbaal door de getuigen en de belastingplichtigen ondertekend. Zij laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand voorgeschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Weigert een van de betrokkenen te ondertekenen, dan wordt hiervan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.

Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt aan de belastingplichtige betekend binnen acht dagen na zijn dagtekening.


Wanneer een getuigenis wordt afgelegd, zal die getuigenis enkel als bewijselement kunnen worden weerhouden indien de getuige zaken verklaart die hij zelf heeft gezien en/of gehoord.

Getuigenissen “van horen zeggen” zijn geen getuigenissen in de juridische betekenis van het woord; dergelijke verklaringen stemmen eerder overeen met het begrip algemene bekendheid.

Bijzonder relevant voor de praktijk is de vraag of een getuige moet getuigen dan wel mag weigeren te getuigen.

Indien de persoon die wordt opgeroepen om te getuigen gebonden is door een beroepsgeheim (Gerechtelijk Wetboek art. 929), is de zaak wettelijk geregeld. Bij ontstentenis van beroepsgeheim, zal een confidentialiteitsverplichting of zwijgplicht onvoldoende zijn om te weigeren de getuigenis af te leggen.

Hoofdstuk  7  :  De  bekentenis

De bekentenis wordt geregeld door de artikelen 1354 e.v. B.W.

Essentieel voor het goede begrip is dat de bekentenis als bewijsinstrument de wil impliceert in hoofde van diegene die bekent, om aan de tegenpartij een bewijs te leveren.

Bij de bekentenis is er dus een intentioneel element dat van wezenlijk belang is.  Alleen indien diegene die de bekentenis heeft afgelegd de bedoeling had door zijn verklaring aan de tegenpartij een bewijs te geven tegen zichzelf, zal er sprake kunnen zijn van een bewijs door bekentenis (Cass. 23/4/1971, Pas. 1971, 755).

Het weze nu reeds aangestipt dat in deze zin noch een aangifte, noch een boekhouding, noch een jaarrekening bekentenissen zijn.

Akkoorden tussen de administratie en de belastingplichtige afgesloten bij controlewerkzaamheden zijn evenmin bekentenissen (Cass. 2/12/1976, Pas. 1977, 378).

Het burgerlijk wetboek maakt een onderscheid tussen buitengerechtelijke bekentenissen en gerechtelijke bekentenissen.  Dit onderscheid is voornamelijk van belang met betrekking tot de vraag of op een afgelegde bekentenis kan worden teruggekomen.

De gerechtelijke bekentenis is definitief.  Zij kan niet herroepen worden tenzij diegene die de bekentenis heeft afgelegd nadien een dwaling omtrent de feiten kan bewijzen.

Over het al dan niet definitieve karakter van buitengerechtelijke bekentenissen, met andere woorden bekentenissen tijdens controlewerkzaamheden afgelegd, kan geen algemene regel worden aangehouden.  Hierbij zal van dossier tot dossier moeten worden nagegaan of de bekentenis van dien aard is dat zij als definitief kan worden beschouwd.  Hierbij zal de preciesheid van de bekentenis, zal de omschrijving van de feiten, zullen de omstandigheden waarin de bekentenis werd afgelegd (afgedwongen) van doorslaggevende aard zijn en aan de soevereine beoordeling van de feitenrechter dienen te worden onderworpen.

Een bijzonder moeilijk probleem voor de praktijk wordt gesteld door de vraag of een bekentenis afgelegd door een belastingplichtige kan worden ingeroepen tegen andere belastingplichtigen. 

Een toepassing van deze problematiek vinden wij relatief vaak in de praktijk wanneer bij overdrachten van onroerende goederen door de ontvangers van registratierechten berichten van tekortschattingen worden verzonden.

Deze berichten worden verzonden naar de koper en meer dan eens blijkt uit de negotiaties tussen de ontvanger en de koper dat de koper geneigd is om te “bekennen” dat een hogere waarde dient te worden weerhouden dan de in de akte aangeduide prijs, om te ontsnappen aan hogere boetes.  Dit betekent voor de verkoper desgevallend een aanslag in de personenbelasting over de verwezenlijkte meerwaarden.  De vraag kan worden gesteld in hoeverre de “bekentenis” van de koper zonder meer kan worden gehanteerd als bewijs van de verwezenlijkte meerwaarde in hoofde van de verkoper.

Het komt ons voor dat in elk geval zal dienen te worden rekening gehouden met het recht van verdediging van de partij tegen dewelke een bekentenis wordt ingeroepen (Brussel 25 maart 1986, F.J.F. No. 87/50).

Tenslotte dient de aandacht te worden gevestigd op het feit dat de mandataris van de belastingplichtige onmogelijk bekentenissen kan afleggen voor rekening van de belastingplichtige tenzij hij daartoe specifiek gemandateerd werd (art. 1988 B.W.).

Een algemeen mandaat om de belastingplichtige te vertegenwoordigen voor de belastingadministratie impliceert dus duidelijk geen bevoegdheid tot het afleggen van bekentenissen.

In een noot onder een arrest van 3 juli 1956, bemerkte procureur-generaal Hayoit de Termicourt aldus dat de 'uitdrukking bekentenis onjuist is als men daaraan de betekenis geeft van een bekentenis die een volledig bewijs oplevert tegen hem die de bekentenis heeft gedaan'.

Artikel 1356 B.W. is niet van toepassing in materies die de openbare orde raken of , beter gezegd, wanneer de bekentenis betrekking heeft op een recht waaraan niet kan worden verzaakt omdat dat recht gegrond is op bepalingen die de openbare orde raken (Noot onder Cass. 3 juli 1956, Pas. 1956, p. 1236).

Deze opvatting strookt met de leer van De Page. Volgens hem is de bekentenis in het algemeen niet toegelaten voor zaken waarover men op grond van de wet niet mag beschikken of die niet het voorwerp mogen uitmaken van een dading (H. DE PAGE, Traité, III, nr. 1016).

Deze regel wordt uitdrukkelijk bevestigd in een arrest van het Hof van Cassatie van 2 december 1976: 'de belastingplichtige, die tijdens het onderzoek van zijn bezwaarschrift, akkoord gaat met het bedrag dat de administratie wil belasten, doet geen bekentenis in de zin van de artikelen 1354 tot 1356 van het B.W.' (Cass. 2 december 1976, Arr. Cass. 1977, I, p. 383).

Hoewel dit arrest betrekking had op een akkoord van de belastingplichtige dat tijdens de behandeling van zijn bezwaarschrift gesloten werd, impliceert het dat geen enkele eerkenning van de belastingplichtige, op welk moment dan ook als een bekentenis mag worden omschreven in de betekenis van de bovenvermelde artikelen van het B.W. Dit volgt uit het openbare orde-karakter van het fiscaal recht en uit het feit dat de belastingplichtige niet met een bekentenis kan afzien van zijn recht om overeenkomstig de wet te worden belast, zoals gewaarborgd in artikel 170 van de Grondwet.

De belastingplichtige kan natuurlijk wel een feit erkennen. Dit kan dan echter niet beschouwd worden als een bekentenis in de zin van het B.W., het is een loutere erkenning. Het is met andere woorden slechts een bekend feit dat als grondslag van een vermoeden van de administratie kan dienen. Dat vermoeden heeft vanzelfsprekend een grotere geloofwaardigheid, aangezien de verklaring van de belastingplichtige zelf uitgaat (Luik 14 februari 1966, F.J.F. No. 96/125, p. 262, waarin geoordeeld werd dat de 'bekentenissen' van een belastingplichtige over een bepaald feit als een vermoeden tegen hem kunnen gebruikt worden).

Hoofdstuk  8  :  Het  vermoeden

Het vermoeden of de vermoedens vormen ongetwijfeld de meest frequent aangewende bewijsmiddelen in het fiscaal recht.

Het vermoeden is geregeld in de artikelen 1349 tot 1353 B.W.

Gezien het belang van vermoedens in de rechtspraktijk, worden hieronder de artikelen weergegeven.

Artikel 1349

Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Artikel 1350

Een wettelijk vermoeden is het vermoeden dat door een bijzondere wetsbepaling met zekere handelingen of met zekere feiten verbonden is ;
zodanig zijn :


1° De handelingen die de wet nietig verklaart, omdat zij uit hun aard zelf vermoed worden te zijn verricht om wetsbepalingen te ontduiken ;
2° De gevallen waarin de wet de eigendom of de bevrijding van schuld uit zekere bepaalde omstandigheden afleidt ;
3° Het gezag dat de wet aan het rechterlijk gewijsde toekent ;
4° De kracht die de wet aan de bekentenis of aan de eed van partijen toekent.


Artikel 1352

Het wettelijk vermoeden ontslaat degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs.

Geen bewijs wordt tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent de gerechtelijke eed en de gerechtelijke bekentenis zal worden bepaald.


Artikel 1353

Vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, worden overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen, en zulks alleen in de gevallen waarin de wet het bewijs door getuigen toelaat, behalve wanneer tegen een handeling uit hoofde van arglist of bedrog wordt opgekomen.

De wet onderscheidt derhalve twee soorten vermoedens.

Een eerste soort zijn de vermoedens van de mens of feitelijke vermoedens  waarbij, vertrekkend van een vast en zeker feit A door logische redenering kan geconcludeerd worden tot het vast en zeker zijn van een feit B dat tot dan nog niet voor bewezen kon worden gehouden.  Essentieel hierbij is dat het bewijs door vermoedens steunt op logische, deductieve redeneringen waarvan de major (het vertrekpunt) een vast, zeker en onbetwistbaar feit is.  Feitelijke vermoedens hebben dus totaal niets te maken met indrukken, persoonlijke overtuigingen, aanvoelen, feeling, intuïtie, ...

Wanneer de fiscus een persoon langs een deur een kamer ziet binnenwandelen, dan is er een feitelijk vermoeden dat deze persoon zich in deze kamer bevindt. Uit het feit dat deze persoon echter niet langs dezelfde deur naar buitenkomt, mag niet afgeleid worden dat hij zich nog steeds in de kamer bevindt. Hij kan immers langs een andere, niet bekende deur naar buiten gegaan zijn. Dit is bijgevolg geen vast en zeker feit waaruit een vermoeden mag afgeleid worden.

Bij de vermoedens die ingesteld zijn door de wet, de wettelijke vermoedens, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen wettelijke vermoedens die geen tegenbewijs dulden en wettelijke vermoedens waartegen wel een tegenbewijs is toegelaten.

De onweerlegbare wettelijke vermoedens zijn de vermoedens juris et de jure.

De weerlegbare wettelijke vermoedens zijn de vermoedens juris tantum.

Bij wettelijke vermoedens is het de wet zelf die de redenering maakt en verplicht voorschrijft.

De vermoedens juris tantum kunnen worden weerlegd.  Dit tegenbewijs mag op alle mogelijke manieren worden geleverd met uitsluiting van de eed.  Zo is het mogelijk een wettelijk vermoeden juris tantum te weerleggen door een feitelijk vermoeden.

De vermoedens juris et de jure zijn onweerlegbaar in die zin dat wanneer de major en de minor in de wet vervat, zich voordoen, de conclusio zich opdringt.  Het blijft echter mogelijk om de major (het vertrekpunt van het wettelijk vermoeden) te weerleggen indien die major niet vast en zeker zou zijn.












































































































































































































































































 



















































































 

















































































































21-03-17 Nu ook tax shelter voor podiumkunsten
De succesvolle “tax shelter” voor audiovisuele werken wordt opengesteld voor theater, opera en andere podiumkunsten. ....lire la suite
 
20-03-17 Kwartaalaangevers hoeven geen voorschotten meer te betalen
De formaliteiten voor BTW-plichtigen worden verder vereenvoudigd. ....lire la suite
 
17-03-17 Uber-taxirit valt volledig onder regime voor deeleconomie
Bij de invoering van het nieuwe belastingregime voor de deeleconomie – voor particulieren die diensten aanbieden aan andere particulieren via elektronische platforms – was uitgelegd dat inkomsten uit verhuur van kamers via Airbnb slechts gedeeltelijk onder het nieuwe stelsel vallen. ....lire la suite
 
28-02-17 Hoge belasting op gebruik gratis woning is ongrondwettelijk, zegt nu ook Antwerps Hof van Beroep
Wie gratis een woning mag gebruiken van zijn werkgever of vennootschap, wordt voor dat gebruik belast op een zogenaamd voordeel van alle aard. ....lire la suite
 
site web par webalive