nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Interne meerwaarden op aandelen : heksenjacht geluwd ?
 
Sinds 2003 wordt er door de fiscus een ware heksenjacht georganiseerd op belastingplichtigen die zgn. interne meerwaarden realiseerden naar aanleiding van een verkoop aan of inbreng van aandelen in een eigen holdingvennootschap. Gezien koper en verkoper geen economisch onafhankelijke partijen zijn, is de fiscus van oordeel dat dergelijke verrichtingen niet kaderen in het normaal beheer van privé-vermogen. Alle dossiers waarin belangrijke interne meerwaarden werden gerealiseerd, werden systematisch onderzocht én belast. Amper twee jaren laten moet worden vastgesteld dat de heksenjacht haar effect niet heeft gemist : het heeft geleid tot een angstpsychose en slapeloze nachten bij de bedrijfsleiders die reeds een interne meerwaarde behaald hadden en tot een enorme terughoudendheid bij de fiscalisten om nog dergelijke operaties te adviseren. Nochtans kan de verrichting in bepaalde omstandigheden nog steeds belastingvrij gebeuren. Hoog tijd om nog eens de principes op een rijtje te zetten.

Vrijstelling is de uitzondering
 
Eén van de grote misvatting bestaat erin dat velen denken dat elke meerwaarde op aandelen in de personenbelasting wettelijk is vrijgesteld en dat de belastbaarheid ervan eerder de uitzondering is. Deze misvatting is ontstaan door de aanvankelijk toegeeflijke houding van de fiscus die de meerwaarden op aandelen in de meeste gevallen jarenlang niet heeft belast. Het feit dat er in de vennootschapsbelasting wel een wettelijke vrijstelling voor meerwaarden op aandelen bestaat (i.t.t. de personenbelastingen) maakt de verwarring er niet minder groot op. In de personenbelastingen werden tot voor kort enkel de manifest speculatieve gevallen nu en dan eens aangepakt. Nu is de praktijk precies het omgekeerde, zodat vele belastingplichtigen zich terecht afvragen of deze gewijzigde houding nog wel steun vindt in de wet, die overigens op dit punt niet gewijzigd is.

Volgens artikel 90, 1° van het Wetboek Inkomstenbelasting zijn belastbaar als diverse inkomsten (aan 33%) : “winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.” Als principe is dus elke winst uit eender welke verrichting belastbaar, met uitzondering van normale verrichtingen van beheer van privé-vermogen. Op grond van wet is de vrijstelling van meerwaarden op aandelen dus een afwijking op het algemeen principe van algehele belastbaarheid.

In de praktijk stelt men vast dat de fiscus in de loop der jaren het geweer van schouder heeft veranderd in haar strijd tegen de meerwaarden op aandelen. Vroeger deed de fiscus eerder beroep op de volgende zinsnede uit voormeld artikel 90 : “winsten of baten (...) die voortkomen uit (...) speculatie”. De fiscus probeerde de belastingplichtige een hak te zetten door speculatie aan te tonen bij overdrachten van aandelen. Indien ze dit met succes kon aantonen, betekende dit de belastbaarheid van de meerwaarden aan 33%. Niettegenstaande het bedrag van de meerwaarde geen enkele rol mag spelen in de beoordeling van het speculatief karakter, liet de fiscus zich meer dan eens leiden door de belangrijkheid van de transacties.

"Speculatie" kan worden omschreven als een transactie met veel risico, waarbij men bij zich voordoende prijsstijging of prijsdaling kans op veel winst, maar ook op een groot verlies heeft. Het begrip "speculatie" moet volgens de fiscus worden onderscheiden van de bedoeling die iedere belegger, beheerder van een privé-patrimonium, heeft om zijn beleggingen te doen opbrengen en kan, derhalve, worden bepaald als het opzettelijk kopen om na korte termijn met winst te verkopen. De snelheid van de opeenvolgende transacties die tot winst hebben geleid, speelt dus zeker een rol in de beoordeling van de fiscus. Het feit dat met geleende gelden of kredieten werd gewerkt, onderstreept volgens de rechtspraak het speculatief karakter van de verrichtingen.

Het probleem is dat de kenmerken van speculatie dikwijls niet terug te vinden zijn bij aandelentransacties waarbij zgn. interne meerwaarden worden gerealiseerd. Doorgaans heeft de belastingplichtige zijn aandelen (die hij wenst te verkopen aan zijn eigen holding) reeds jaren in zijn bezit, heeft hij destijds geen leningen aangegaan om deze aandelen te verwerven en is er geen echt risico op zowel een grote winst als een groot verlies. Het begrip “speculatie” werd dan ook onbruikbaar voor de fiscus in haar strijd tegen de interne meerwaarden. De fiscus besloot dan maar om dergelijke transacties niet langer aan te merken als een “normale verrichting van beheer van een privé-vermogen”.

De grenzen van het normaal beheer
 
In het algemeen mag worden aangenomen dat het normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen betreft, wanneer die verrichtingen niet met speculatieve bedoeling geschieden en ze niet door herhaling de aard van een winstgevende bezigheid verkrijgen. Opnieuw wordt de link met speculatie gelegd. Qua bewijslast, is het de fiscus die moet aantonen dat een handeling buiten het normale beheer van een privé-vermogen valt.

Het moet gezegd worden dat het normaal beheer van privé-vermogen een zeer rekbaar gegeven is. Zowel de fiscus als de belastingplichtige kunnen er allebei een zodanige interpretatie aan geven die plausibel klinkt, terwijl hun standpunten onverzoenbaar zijn. Het "beheer van een privé-vermogen" is als volgt omschreven in het verslag van de Commissie voor de Financiën van de Senaat bij de totstandkoming van de Wet uit 1962 die het begrip heeft geïntroduceerd (Stuk 366, Zitting 1961-1962, blz. 147) : " Feitelijk wijkt het beheer van een vermogen af van de uitoefening van een winstgevende betrekking of van een speculatie, zowel door de aard van de goederen - d.w.z. onroerende goederen, waarden in portefeuille, roerende voorwerpen (allemaal goederen die normalerwijze een privé- vermogen uitmaken) - als door de aard van de daden die met betrekking tot die goederen verricht worden : daden die een goed huisvader verricht voor het dagelijks beheer, maar tevens met het oog op het winstgevend maken, de tegeldemaking en de wederbelegging van bestanddelen van een vermogen, d.i. van goederen die hij heeft verkregen door erfopvolging, schenking of door eigen sparen, of nog als wederbelegging van vervreemde goederen".

Bij een aandelentransacties met een zgn. interne meerwaarde moet worden opgemerkt dat er niets mis is met de aard van de goederen : aandelen zijn immers waarden in portefeuille oftewel goederen die normalerwijze tot het privé-vermogen behoren. De overtreding moet zich dus situeren op het vlak van de aard van de daden. De fiscus beschouwt de overdracht van aandelen aan een eigen holding in de regel niet als een daad die een goede huisvader zou verrichten. Hoewel er tal van argumenten bestaan die het tegendeel kunnen verdedigen, doet eenieder er goed aan rekening te houden met dit standpunt. Dit besef is in de praktijk ook doorgedrongen, gezien meer en meer belastingplichtigen zich vooraf gaan bevragen bij de fiscus vooraleer ze een verrichting uitvoeren waarbij een interne meerwaarde tot stand kan komen. En dan blijkt de fiscus niet altijd even koppig te zijn...

Dienst Voorafgaande Beslissingen in Fiscale Zaken
 
Bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen in Fiscale Zaken (1040 Brussel, Wetstraat 62) kan de belastingplichtige zich voorafgaandelijk gaan bevragen over de fiscale implicaties van een verrichting die hij  wenst uit te voeren. Sommigen schrikken hiervan terug omdat ze hun “anonimiteit” moeten prijsgeven en alle details van hun geplande verrichting uit de doeken moeten doen. Deze vrees weegt m.i. niet op tegen de rechtszekerheid die een dergelijke aanvraag bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen biedt. In geval van twijfel over de fiscale gevolgen biedt de fiscus u de kans om vooraf zekerheid te krijgen over het fiscale kostenplaatje van de verrichting die overwogen wordt. De voorafgaande beslissing kan natuurlijk ook negatief zijn, maar dan nog zullen de meesten de voorkeur geven aan een voorafgaandelijke afwijzing dan aan een gepeperde rekening (lees: aanslagbiljet) achteraf.

Teneinde uw slaagkansen beter te kunnen inschatten en een zo volledig mogelijk aanvraagdossier in te dienen bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen in Fiscale Zaken kan men zelfs een voorafgaandelijk aan de formele indiening van de aanvraag een gesprek (zgn. prefiling) bekomen met de ambtenaren van deze dienst. Tijdens een dergelijk gesprek dient de belastingplichtige of zijn adviseurs een situatieschets te geven alsook de wetsartikelen waarop hij zijn aanvraag zal steunen. De ambtenaren van dienst kunnen de belastingplichtige hierbij op weg helpen bij de samenstelling van zijn aanvraagdossier. Bij de duivel ten biechte gaan, kan dus ook zijn vruchten afwerpen.

Doorgaans hebben de aanvragen betrekking op vennootschapsrechtelijke herstructureringen (fusies, splitsingen, inbrengen) of transacties waarvan het fiscaal regime beheerst wordt door wetsartikelen met vage begrippen zoals “rechtmatige financiële of economische behoeften” en “normale verrichtingen van beheer van privé-vermogen”, die vatbaar zijn voor uiteenlopende interpretaties.

Specifiek over aandelentransacties zijn er recentelijk enkele voorafgaande beslissingen geveld waarbij de interne meerwaarden toch niet werden belast. Hoewel koper en verkoper bij dergelijke verrichtingen geen economische onafhankelijke personen zijn, houdt de fiscus dus wel rekening met andere elementen die erop kunnen wijzen dat de verrichting wel degelijk kadert in het normaal beheer van privé-vermogen. Dergelijke elementen kunnen éénheid van bestuur in dezelfde holdingvennootschap, centralisatie van activiteiten, kostenbesparing of ondersteuning van het eigen vermogen zijn, maar kan zelfs ook fiscale planning zijn, vermits de begrippen “goede huisvader” en “fiscale planning” volgens de rechtspraak terzake niet noodzakelijk onverzoenbaar hoeven te zijn. Men hoeft niet altijd angstvallig te verbergen dat één van de argumenten een vermijding van (economische of juridische) dubbele belasting, een  inkomstenoptimalisatie of een bescherming van inkomsten inhoudt. Ook een goede huisvader poogt binnen de grenzen van het normaal beheer zijn netto beschikbaar inkomen veilig te stellen.

Om de bedrijfseconomische toets te doorstaan en te vermijden dat de geplande herstructurering of transactie vooralsnog louter fiscaal geïnspireerd zou zijn, vraagt de Dienst Voorafgaande Beslissingen in bepaalde gevallen of de belastingplichtige bereid is om bepaalde engagementen op zich te nemen : zo kan er bijvoorbeeld verwacht worden dat er een gedurende een bepaalde periode geen kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen plaatsvinden, dat de in ruil verkregen aandelen gedurende een bepaalde periode niet mogen worden vervreemd, dat er engagementen worden genomen naar het behoud van personeel... het hoeft geen betoog dat deze engagementen een positief effect hebben op de uiteindelijke beslissing van de Dienst Voorafgaande Beslissingen. Belastingplichtigen met een dubbele agenda vallen dus uit de boot...

Het is op zijn minst de verdienste van de Dienst Voorafgaande Beslissingen dat voortaan niet langer elke transactie waarbij een interne meerwaarde wordt gerealiseerd, wordt bestempeld als een verdachte verrichting die van rechtswege moet belast worden. Er bestaan dus ook “rechtmatige” interne meerwaarden. Het zou natuurlijk nog beter zijn indien het Wetboek Inkomstenbelastingen geen vage en rekbare begrippen meer zou bevatten, die een bron zijn van betwistingen en enkel rechtsonzekerheid creëren bij de belastingplichtigen, maar een ideale wereld bestaat helaas niet.

Aandelentransacties op de beurs
 
Volgens de fiscus zijn de meerwaarden uit aandelentransacties op de beurs in de regel niet belastbaar. Uit oude parlementaire stukken blijkt immers dat het Parlement impliciet de hieromtrent door de Minister van Financiën afgelegde verklaring heeft onderschreven, volgens welke "de aankoop en de verkoop van roerende waarden, zowel op termijn als contant, te beschouwen vallen als normale beheersverrichtingen betreffende een privé-vermogen, tenzij zij door hun herhaling een winstgevende bezigheid worden" (Senaat, Zitting 1961-1962, Vers. Com. Fin., Stuk 366, blz. 148). De modale belegger wiens bankier geregeld beurstransacties uitvoert, hoeft zich weinig zorgen te maken over het element van “herhaling”. De uitspraak van de Minister dateert immers van begin de jaren '60, zodat een dynamische herziening van dit standpunt zich opdringt. Het bankwezen en in het bijzonder de beurs is de laatste decennia voor het breder publiek veel toegankelijker geworden dan voordien het geval was (soms tot spijt van wie het benijdt).

Hetzelfde geldt voor aandelentransacties waarbij koper en verkoper economisch onafhankelijke partijen zijn. In principe zijn dit geen belastbare handelingen, behoudens bij speculatief inzicht. Het is dus nog steeds toegestaan dat een bedrijfsleider bijvoorbeeld naar aanleiding van zijn pensionering zijn bedrijf verkoopt aan een derde, zonder dat hij een taxatie van de meerwaarde aan 33% hoeft te vrezen.

Berekening van de meerwaarde : bruto of netto ?
 
Reeds enige tijd bestaat er in de rechtspraak controverse over de berekening van het bedrag van de vrijgestelde meerwaarde. De fiscus vindt traditioneel dat alleen de netto-meerwaarde vrijgesteld kan worden, d.w.z. dat de verkoopkosten afgetrokken moeten worden van de meerwaarde. De verkoop van aandelen gaat uiteraard dikwijls gepaard met bijkomende kosten. Daarbij kan volgens de fiscus worden gedacht aan makelaarskosten, commissielonen, belastingen, advieskosten, bankkosten, beurstaksen.  In de personenbelasting speelt deze vraag geen rol, maar in de vennootschapsbelasting wel : in de vennootschapsbelasting is de meerwaarde op aandelen immers wettelijk vrijgesteld en bovendien kan een vennootschap de gemaakte kosten voor de verkoop van de aandelen in principe nog eens fiscaal in aftrek nemen. Een dubbel voordeel dus. Rechtbanken worden dan ook bestookt met de vraag of de kosten die een vennootschap maakt om de aandelen te kunnen verkopen, in rekening moeten worden gebracht om de vrij te stellen meerwaarde te bepalen.

Volgens de fiscus en de Minister van Financiën moet de vrij te stellen meerwaarde worden berekend met als uitgangspunt de verkoopprijs van de aandelen verminderd met de kosten. Maar dat standpunt werd doorgaans tegengesproken in een groot deel van de rechtsleer en de rechtspraak. Zeer recent werd de fiscus door het Hof van Beroep te Antwerpen evenwel in het gelijk gesteld. In een arrest van 17 mei 2005 wordt gesteld dat de aangegeven vrijgestelde meerwaarde verminderd moest worden met de aan de verkoop inherente kosten.

De wetgever heeft ondertussen voor de toekomst (vanaf aanslagjaar 2007) aan de controverse een einde gemaakt. Net vóór het zomerreces werd een wijziging doorgevoerd aan artikel 43 van Wetboek Inkomstenbelastingen. Als budgettaire compensatie voor de zogenaamde notionele intrestaftrek bepaalt de Wet van 22 juni 2005 dat vanaf aanslagjaar 2007, voor de berekening van meerwaarden, bepaalde kosten die worden gemaakt naar aanleiding van de realisatie van meerwaarden, weliswaar fiscaal aftrekbaar blijven, maar niet meegeteld mogen worden voor de berekening van de vrijgestelde meerwaarde.

Fiscaal is een verwezenlijkte meerwaarde voortaan gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed verminderd met de kosten van vervreemding en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.
 
De memorie van toelichting bij de wet laat er geen twijfel over bestaan dat de maatregel wordt ingevoerd om een einde te maken aan de hierboven uiteengezette discussie. Het was de regering een doorn in het oog dat de belastingplichtige met de bruto-vrijstelling "niet alleen de gedragen kosten in mindering kon brengen als beroepskosten maar dat het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde die wordt vrijgesteld ook nog eens hoger is. Hier is dus een dubbel effect van de kosten waaraan dient te worden verholpen" (Gedr. St. Kamer 2004-05, nr. 1778/1, 9).

Didier VAN LAERE, advocaat bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN.



03-01-17 Nieuwe rapporteringsverplichtingen over verrekenprijzen voor multinationals
Het wordt moeilijker voor multinationals om winsten te versluizen naar landen waar die niet of laag belast worden.....lire la suite
 
02-01-17 Voordeel gratis woning of herkwalificatie huurinkomen: berekenen van dag tot dag
Voor bedrijfsleiders die een gratis woonst ter beschikking gesteld krijgen van hun vennootschap, of die een eigen onroerend goed verhuren aan hun vennootschap, gelden specifieke fiscale regels.....lire la suite
 
01-01-17 Lagere BTW voor publieke fietsen in steden
De verhuur van publieke fietsen (“deelfietsen” van bijvoorbeeld Villo! in Brussel en Velo in Antwerpen) is vanaf 1 januari 2017 onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6%.....lire la suite
 
20-12-16 DE EERBIED VAN DE FISCUS VOOR HET PRIVELEVEN EN HET EHRM…
De jongste jaren neemt de inmenging van de overheid in het privéleven toe. De fiscus kijkt mee over de schouders....lire la suite
 
site web par webalive