nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Advocaten   Coördinaten   Nieuws   Jobs   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Arbitragehof nr. 22/2005 van 26 januari 2005: uitsluiting van bedrijfleiders van vrijstelling van successierechten op groepsverzekeringscontracten.
 
Op 22 januari 2005 heeft het Arbitragehof geoordeeld dat artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der Successierechten (W.Succ) het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (artikel 10 en 11 van de Grondwet) niet schendt, in zoverre het enkel de groepsverzekeringscontracten gesloten ten voordele van de loontrekkenden van de onderneming vrijstelt van successierechten (Arbitragehof nr. 22/2005 26 januari 2005, www.arbitrage.be; Fisc. 2005 nr. 970, 10; Fisc. Act. 2005 nr. 11, 9).

Krachtens artikel 8 W.Succ. dienen er successierechten betaald te worden op de bedragen die een erfgenaam kosteloos ontvangt ingevolge een contract met een beding in zijn voordeel dat gemaakt is door de overledene of door een derde. Er geldt wel een vrijstelling voor de bedragen die door toedoen van de werkgever van de overledene gevestigd zijn in het voordeel van diens echtgenoot of kinderen ingevolge een groepsverzekering of een voorzorgsfonds. Dezelfde vrijstelling geldt evenwel niet voor bedrijfsleiders.

Een weduwe die een groepsverzekeringskapitaal opstreek naar aanleiding overlijden van haar echtgenoot, een bedrijfsleider, was het hier niet mee eens en trok naar de rechtbank. Voor de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen voerde ze aan dat het bij artikel 8, zesde lid, 3°, W.Succ. ingestelde verschil in fiscale behandeling tussen de loontrekkenden, die zijn vrijgesteld van de betaling van die rechten, en de bedrijfsleiders, die dat niet zijn, niet verantwoord is en het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt.

Wanneer een vraag omtrent de schending van de Grondwet wordt opgeworpen voor een rechtscollege, is deze laatste gehouden om de vraag voor te leggen aan het Arbitragehof, behoudens wanneer :

- het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan over hetzelfde onderwerp;
- het antwoord op de vraag niet onontbeerlijk is voor de beslechting van het geschil;
- er klaarblijkelijk geen schending van de Grondwet is.

In casu achtte de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen dat er toch een mogelijke grondwettelijke schending door het verschil in fiscale behandeling zou kunnen bestaan en legde dan ook de volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof voor:

 "Schendt artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het enkel de groepsverzekeringscontracten gesloten ten voordele van de loontrekkenden van een onderneming beoogt, met uitsluiting van de contracten gesloten ten voordele van de bedrijfsleiders?"

1. Standpunt van de erfgenamen
 
De weduwe argumenteerde dat volgens de parlementaire voorbereiding, de verantwoording van de uitsluiting van de erfgenamen van de bedrijfsleiders van de vrijstelling van de kapitalen van een levensverzekering, een economisch karakter heeft: in het geval van de bedrijfsleiders wordt de werkelijke last van de betaling van de premies niet gedragen door een derde, namelijk de vennootschap, maar indirect door de bedrijfsleider zelf.

In het licht van het vennootschapsrecht en van de evolutie ervan, was  deze economische verantwoording van het verschil in behandeling, volgens de weduwe niet meer gegrond. Als voornaamste reden gaf de weduwe op dat de evolutie in de pensioenswetgeving uiting gaf aan de wil van de wetgever om de fiscale regeling voor bedrijfsleiders, die worden verondersteld zelfstandig te zijn, af te stemmen op die van de loontrekkenden.

2. Standpunt van de Ministerraad
 
De Ministerraad van haar kant voerde daarentegen aan dat het feit dat de erfgenamen van de bedrijfsleiders worden uitgesloten van de betreffende vrijstelling niet voortvloeit uit een economische overweging maar wel degelijk uit een overweging van sociale bescherming.

Op het vlak van de successierechten heeft de wetgever namelijk willen verzekeren dat de personen die worden geacht de laagste beroepsinkomsten te hebben genoten, een ouderdomspensioen zouden krijgen. Om die doelstelling te bereiken heeft de wetgever de band van ondergeschiktheid als criterium van onderscheid genomen.

Het in het geding zijnde onderscheid was volgens de Ministerraad verantwoord doordat een zelfstandige bedrijfsleider gemakkelijker in een ouderdomspensioen kon voorzien en kon sparen. Zelfs indien de sociale kloof tussen de loontrekkenden en de zelfstandige bedrijfsleiders tegenwoordig kleiner is geworden, was het volgens de Ministerraad onbetwistbaar zo dat zij nog steeds niet op voet van gelijkheid stonden inzake de toegang tot de verschillende spaarvormen en de pensioenverzekering. Volgens de ministerraad was het in het geding zijnde onderscheid dus nog steeds objectief en relevant.

De Ministerraad voerde ook nog aan dat de evolutie in de wetgeving waarnaar de weduwe verwees, op zich alleen geen inbreuk kon maken op de objectiviteit en de pertinentie van de norm. Deze evolutie doet de redenen die eraan ten grondslag liggen immers niet verdwijnen. De Ministerraad beklemtoonde bovendien dat die evolutie enkel heeft plaatsgehad op het gebied van de verzekeringen, en niet inzake vennootschappen noch inzake inkomstenbelastingen.

3. Oordeel van het Arbitragehof
 
In het licht van het sociale doel van de wetgever, is het, aldus het Arbitragehof niet onredelijk dat de wetgever op de sommen betaald krachtens een verzekering waarvan de premies zijn betaald met fondsen die rechtstreeks of indirect tot het vermogen van de overledene behoorden, successierechten heft en dat hij de sommen betaald krachtens een verzekering waarvan de premies zijn betaald door een derde, namelijk de werkgever van de overledene, van dezelfde rechten vrijstelt.

De bedrijfsleider die niet het statuut van werknemer heeft, bevindt zich volgens het Arbitragehof, immers ten aanzien van de onderneming in een situatie die verschilt van die van de werknemer van de onderneming. In tegenstelling tot de bedrijfsleider die een statuut van zelfstandige heeft, beschikt de werknemer in de regel over geen enkele bevoegdheid om deel te nemen aan de beslissingen waarvoor de werkgever renten en kapitalen vormt ten behoeve van de werknemer of diens erfgenamen. Vanuit dat oogpunt vertonen de renten en kapitalen verkregen bij zijn overlijden door zijn echtgenoot of zijn kinderen geen analogie met de sommen die, op grond van artikel 8 van het Wetboek der successierechten, worden geacht als legaat te zijn verkregen.

Het verschil in behandeling berust derhalve op een criterium van onderscheid dat objectief en relevant is ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel.

Tenslotte merkt het Arbitragehof fijntjes op dat elke bedrijfsleider bij de onderhandeling van zijn bezoldigingsvoorwaarden rekening kan houden met het feit dat de kapitalen uit groepsverzekeringscontracten belastbaar kunnen worden gesteld overeenkomstig artikel 8 W.Succ. In de praktijk is het inderdaad zo dat een bedrijfsleider op dat vlak wellicht meer onderhandelingsmarge heeft dan een gewone loontrekkende die het human resources beleid van de onderneming alleen maar kan 'ondergaan'.

Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is volgens het Arbitragehof dan ook geen sprake.

Didier VAN LAERE en Philippe MISSOUL, advocaten DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN.



12-12-17 RENTEVOET VOOR NALATIGHEIDS- EN MORATORIUMINTERESTEN GAAT DRASTISCH OMLAAG
Wie achterstallige belastingen moet betalen, zal vanaf volgend jaar geen onrealistisch hoge rentevoet van 7% meer aangerekend krijgen. ....lees meer
 
11-12-17 AFTREK AUTOKOSTEN WORDT VERDER BEPERKT
De hervorming van de vennootschapsbelasting omvat tevens een grondige hervorming van de aftrek van autokosten, ook voor zelfstandigen.....lees meer
 
07-12-17 24 DECEMBER 2017 – DEADLINE BETALING DECEMBERVOORSCHOT BTW
Sinds 1 april 2017, en zoals gepubliceerd op onze website, dienen btw-kwartaalaangevers niet langer voorschotten te betalen. ....lees meer
 
20-11-17 Conforme factuur is geen voorwaarde voor BTW-aftrek
De fiscus vond ooit dat fouten op de factuur een voldoende reden zijn om de BTW-aftrek te verwerpen.....lees meer
 
website door webalive