nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Hof van Beroep Antwerpen : kosten voor vervreemding af te trekken van de vrijstelbare meerwaarde op aandelen !
 
Sinds de invoering van de vrijstelling van meerwaarden op aandelen in 1991 in artikel 192 WIB 92 is het in de rechtsleer en de rechtspraak nooit echt stil geweest rond deze  materie (Wet 23 oktober 1991 tot omzetting in het Belgisch recht van de Richtlijn van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen, B.S. 15 november 1991, 25619-25628). Één van de hete hangijzers was de omvang van de vrij te stellen meerwaarde.  Zoals iedereen weet zijn meerwaarden op aandelen overeenkomstig artikel 192 WIB 92 vrijgesteld voorzover het gaat om aandelen waarvan de dividenden in principe in aanmerking komen voor het stelsel van de DBI-aftrek. Dergelijke transactie gaat uiteraard gepaard met bijkomende kosten. Hierbij kan volgens de administratieve commentaar worden gedacht aan makelaarskosten, commissielonen, belastingen (Comm. I.B. 1992, nr.44/58), advieskosten, bankkosten, beurstaksen. De lijst in de administratieve commentaar is alleszins niet limitatief (Parl. Vr. nr. 1089 van 12 januari 2001, Bull. Bel. 2001, 2682-2688). De vraag rijst of de kosten die een vennootschap maakt om de aandelen te kunnen realiseren, in rekening moeten worden gebracht bij het bepalen van de vrij te stellen meerwaarde.

Volgens de administratie en de minister van financiën moet de vrij te stellen meerwaarde worden berekend met als uitgangspunt de verkoopprijs van de aandelen verminderd met de kosten (Comm. I.B. 1992, 44/58;  Parl.Vr. nr. 470, 5 oktober 2000, Bull. Bell. 2001, 1611-1613. Met dit antwoord heeft de minister zijn eerder ingenomen standpunt bevestigd, zie: Mond. Vr. van 21 maart 2000, beknopt verslag kamercommissie financiën 2000, nr. 50, COM 150). Dit standpunt wordt tegengesproken in een groot deel van de rechtsleer en de rechtspraak.

Voorstanders van een netto-vrijstelling, zoals hieronder blijkt nu gevolgd door het Hof van Beroep te Antwerpen, grijpen terug naar het realiteitsbeginsel. Zij gaan ervan uit dat uit het geheel van de bepalingen van het WIB blijkt dat de inkomstenbelastingen in beginsel alleen de werkelijke winst treffen (VAN CROMBRUGGE, S., “Het fiscaal winstbegrip”, in Vennootschap en Belastingen, Brussel, CED.Samson, Stand oktober 1997, Deel III, 3, nr. 660 ev.). Alleen de werkelijke waarden, zowel in positieve als in negatieve zin, komen in aanmerking om bij te dragen tot de winstvorming (Cass. 28 oktober 1982, R.W. 1982-83, 2336). Bijgevolg is alleen de aandelenmeerwaarde die werkelijk wordt gerealiseerd vrijgesteld. Wie méér wil vrijstellen, stelt vrij wat er niet is. Het fiscale realiteitsbeginsel laat dat niet toe. De verkoopkosten zijn begrepen in de aftrekbare onkosten en hebben hun belastbaar inkomen reeds verminderd. De kost die men draagt om de meerwaarde te verwezenlijken dient bijgevolg mee te worden verrekend in de gerealiseerde meerwaarde.

De rechtspraak zit niet steeds op dezelfde lijn. De laatste jaren leek het erop dat de belastingplichtige het laken naar zich toe zou trekken. Talrijk waren de vonnissen die zich uitspraken voor de vrijstelling van het bruto-bedrag van de meerwaarde op aandelen (Antwerpen 3 april 2001, Act. Fisc. 2001 (weergave PARMENTIER, V.), afl. 20, 5; Rb. Hasselt 13 oktober 2004, F.J.F. 2005, afl. 3, 268; Rb. Gent (fisc.) (6e k.) 3 juni 2004, TFRnet http://tfrnet.larcier.be (9 maart 2005); Rb. Brussel 26 mei 2004, F.J.F. 2005, afl. 3, 272 ; Rb. Antwerpen 6 januari 2003, A.F.T. 2004 (weergave BOGAERTS, R.), afl. 2, 68, noot BOGAERTS, R; , F.J.F. 2003, afl. 7, 669, noot; Rb. Bergen 11 september 2002, F.J.F. 2004, afl. 8, 754 contra: Rb. Antwerpen 27 februari 2004, A.F.T. 2004 (weergave BOGAERTS, R.), afl. 8-9, 33; Rb. Leuven (12e k.) 10 januari 2003, T.F.R. 2003, afl. 250, 966 en http://tfrnet.larcier.be (10 december 2003), noot CHEVALIER, C; Rb. Bergen 28 november 2002, F.J.F. 2003, afl. 9, 893, noot).

De praktizijnen keken met spanning uit naar de eerste arresten van de Hoven van Beroep.

Eerder verwezen we in het tijdschrift Fiscale Actualiteit naar het arrest van 6 april 2005 van het Hof van Beroep te Bergen dat de bruto-meerwaarde vrijstelt (Bergen 6 april 2005, Fisc.Act. 2005, nr. 14, 3-4). Ondertussen heeft ook de Zesde Kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen met een arrest van 17 mei 2005 over de kwestie geoordeeld.

De feiten zijn zeer eenvoudig samen te vatten. Een vennootschap realiseerde in het aanslagjaar 1999 een meerwaarde op aandelen van 12.950.995,07 €. Om deze meerwaarde te realiseren, maakte zij 66.823,19 € kosten. Deze kosten werden als beroepskost in mindering gebracht van het resultaat maar werden niet verrekend in de vrij te stellen meerwaarde (bruto-vrijstelling). De administratie beperkte de vrijstelling tot 12.884.171,87 € door het aanrekenen van de verkoopkosten (netto-vrijstelling).

Het Hof van Beroep te Antwerpen oordeelde met een op het eerste gezicht goed gemotiveerd arrest van 17 mei ll. dat de aangegeven vrijgestelde meerwaarde verminderd diende te worden met de aan de verkoop inherente kosten ten belope van 66.823,19 €.

Het Hof motiveert zijn beslissing door toepassing te maken van het supra reeds aangehaalde zogenoemde realiteitsbeginsel, meer nog zij citeert zeer letterlijk een aantal passages uit de pen van professor VAN CROMBRUGGE hierover (VAN CROMBRUGGE, S., “Berekening deelnemingsvrijstelling: veel drukte om niets?”, Fisc. nr. 752, p.5-7). Het Hof meent dat de stelling van de belastingplichtige tot gevolg heeft dat de (verkoop)kosten tweemaal in mindering van de belastbare grondslag kunnen worden gebracht. Boekhoudkundig wordt de meerwaarde op aandelen bruto op het credit van de resultatenrekening geboekt, terwijl de verkoopkosten op het debet van de resultatenrekening worden geboekt. Deze verkoopkosten worden hierbij reeds ten laste van het resultaat gelegd. Indien men zou aanvaarden dat de bruto geboekte meerwaarde wordt vrijgesteld, worden de verkoopkosten een tweede maal ten laste gelegd van het resultaat, wat volgens het Hof door de wet niet wordt toegelaten. Dat het boekhoudrechtelijk compensatieverbod de bepaling van de fiscale meerwaarde zou kunnen beïnvloeden, wordt daarmee expliciet van tafel geveegd.

Deze uitspraak zal ongetwijfeld de discussie omtrent de omvang van de vrijstelling van de meerwaarde op aandelen doen oplaaien. We zijn benieuwd naar wat het Hof van Cassatie hierover zal beslissen. Hoger werd al verwezen naar het cassatie-arrest van 28 oktober 1982 : alleen werkelijke waarden komen in aanmerking om, zowel in positieve als in negatieve zin, bij te dragen tot de winstvorming (Cass. 28 oktober 1982, R.W. 1982-83, 2336); vooral daarom zou te vrezen vallen dat het Hof ook in deze een netto-benadering zal prefereren (VAN CROMBRUGGE, S., l.c., p. 7).

De vraag rijst echter of de toepassing van een zogenaamd realiteitsbeginsel op deze casus niet al te zeer teruggrijpt naar de theorie van de belasting op de economische realiteit, die, ook volgens het Hof van Cassatie, vreemd is aan ons belastingrecht.

De wetgever heeft ondertussen voor de toekomst aan de controverse een einde gemaakt. Net voor het zomerreces werd een wijziging doorgevoerd aan artikel 43 WIB 92.

De wet van 22 juni 2005 voert de zogenaamde notionele intrestaftrek in (B.S. 30 juni 2005). Als compensatie voor de budgettaire inspanningen van deze gunstmaatregel voorziet voormelde wet erin dat vanaf aanslagjaar 2007 voor de berekening van meerwaarden bepaalde kosten die worden gemaakt naar aanleiding van de realisatie van meerwaarden, weliswaar fiscaal aftrekbaar blijven, maar niet mogen meegeteld worden voor de berekening van de meerwaarde.

Fiscaal is een verwezenlijkte meerwaarde voortaan gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed verminderd met de kosten van vervreemding  en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.

De memorie van toelichting bij de wet laat er geen twijfel over bestaan dat de maatregel werd ingevoerd om een einde te maken aan de hierboven uiteengezette discussie.  Het was de regering een doorn in het oog dat de belastingplichtige met de bruto-vrijstelling niet alleen de gedragen kosten in mindering kon brengen als beroepskosten maar dat het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde die wordt vrijgesteld ook nog eens hoger is. Hier is dus een dubbel effect van de kosten waaraan dient te worden verholpen.

Merk op dat de wijziging niet is aangebracht aan artikel 192 WIB 92 maar in het artikel 43 WIB 92 . Dit artikel bepaalt de wijze waarop de meerwaarden in het algemeen - ook de belaste, tijdelijk vrijgestelde waarvoor moet worden herbelegd en de stopzettingsmeerwaarde zowel in de vennootschapsbelasting als in de personenbelasting - moeten worden berekend. Deze wijziging zal met andere woorden verder reiken dan de discussie over de vrijgestelde meerwaarden. De Raad van State stelde alleszins voor om artikel 192, § 1, eerste lid, WIB 92, aan te passen in de plaats van artikel 43, WIB 92, omdat door de Raad van State wordt geoordeeld dat de ingevoerde regel slechts dienstig is in de gevallen waarin de verwezenlijkte meerwaarde wordt vrijgesteld. Het advies werd niet gevolgd.

De nieuwe bepaling geldt vanaf aanslagjaar 2007. Maar kan a contrario niet uit deze wetswijziging worden afgeleid dat artikel 43 W.I.B. 92 voor het verleden naar een bruto-vrijstelling verwees of alleszins dat het tegendeel uit die fiscale bepaling niet af te leiden valt?

Maarten VAN DAELE, advocaat bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN



12-06-17 Heffing op tankkaarten noopt tot heel wat rekenwerk
Vennootschappen die ook de brandstofkosten voor het privégebruik van een bedrijfswagen ten laste nemen, moeten nu 40% i.p.v. 17% van het voordeel van alle aard opnemen in verworpen uitgaven.....lire la suite
 
07-06-17 UN NOUVEAU DÉVELOPPEMENT POUR LES SCI FRANÇAISES
Dans un arrêt du 29 septembre 2016, la Cour de Cassation belge est revenue sur sa décision de 2004 concernant la fiscalité des SCI translucides.....lire la suite
 
24-05-17 Fiscale regularisatie: samenwerkingsakkoord op regeringsniveau over ‘onsplitsbare bedragen’
Op 23 mei 2017 is er – uiteindelijk en gelukkig maar - een samenwerkingsakkoord afgesloten tussen de Federale en de Vlaamse regering omtrent de zogenaamde ‘onsplitsbare bedragen’ m.b.t. verjaard oorsprongskapitaal. ....lire la suite
 
23-05-17 Fiscus kan nog gemakkelijker rekeningen controleren
Het Centraal Aanspreekpunt (CAP) bij de Nationale Bank houdt de gegevens bij van alle bankrekeningen in het land.....lire la suite
 
site web par webalive