nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Advocaten   Coördinaten   Nieuws   Jobs   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
GEWONE EENMALIGE INVESTERINGSAFTREK
 
Investeringaftrek niet noodzakelijk uitgesloten als meerderheid aandelen toebehoort aan vruchtgebruiker

Voor de gewone eenmalige investeringsaftrek komen alleen binnenlandse vennootschappen in aanmerking waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen. Volgens de rechtbank is het niet noodzakelijk dat de natuurlijke personen volle eigenaar zijn van de meerderheid van de aandelen. Ook met de aandelen van binnenlandse vennootschappen waarvan het vruchtgebruik toebehoort aan natuurlijke personen, moet de fiscus rekening houden (Rb. Bergen 19 mei 2005, 05241384).

De winst van een vennootschap wordt verminderd met een investeringsaftrek die overeenkomt met een percentage van het afschrijfbare bedrag van de aanschaffings- of beleggingswaarde van investeringen. Er bestaat o.m. een eenmalige investeringsaftrek voor gewone investeringen, die aan een aantal specifieke voorwaarden gekoppeld is (art. 201 1e lid 1° WIB 1992).

Vooreerst komen enkel binnenlandse vennootschappen in aanmerking. Volgens de wetgever moeten de aandelen van de binnenlandse vennootschap bovendien voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die dan nog de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen.

Aandeelhouders hebben alleen vruchtgebruik.
 
Wat als de aandelen van de vennootschap voor meer dan de helft toebehoren aan natuurlijke personen die enkel het vruchtgebruik op de aandelen bezitten? Komt de vennootschap dan nog in aanmerking voor de eenmalige investeringsaftrek?

De fiscus vindt van niet. De belastingplichtige moet bewijzen dat de aandelen op de datum van afsluiting van het boekjaar waarin de investeringen zijn verricht, voor meer dan de helft in handen zijn van natuurlijke personen in hun hoedanigheid van volle eigenaar (Ci.D.19/444.905, 23 februari 1994, Bull. Bel. nr. 737, 811). De Administratie meent steun te kunnen vinden in de voorbereidende werkzaamheden bij de Wet van 28 juli 1992 (Gedr. St. Kamer BZ 1991-92, nr. 444/1, 16). Ook de Minister van Financiën heeft dat standpunt in het verleden steeds verdedigd (Vr. en Antw. Kamer 1999-2000, nr. 31, 3630).

Maar de rechtbank gaat om diverse redenen niet akkoord met het standpunt van de Administratie.

Volgens rechtbank is volle eigendom aandelen niet nodig.
 
Vooreerst leidt een letterlijke lezing van de wet niet tot de conclusie dat de natuurlijke persoon eigenaar moet zijn van de aandelen. Het volstaat volgens artikel 201, eerste lid, 1° van het WIB 1992 dat de aandelen aan natuurlijke personen "toebehoren". De wetgever heeft blijkbaar gekozen voor een niet juridische benadering ("toebehoren" is geen "eigendom"). Dat doet volgens de rechtbank vermoeden dat de wetgever elke vergelijking met de notie "eigendom" uit de weg heeft willen gaan.

Vervolgens onderzoekt de rechtbank de betekenis van het werkwoord "toebehoren" (Franstalige versie: détenir), hetgeen "onder zijn handen of te zijner beschikking hebben" betekent. De vruchtgebruiker moet de aandelen te zijner beschikking hebben om zijn rechten te kunnen uitoefenen. Aandelen die het voorwerp zijn van vruchtgebruik, behoren in die zin toe aan de vruchtgebruiker.

De rechtbank vindt een bijkomende aanwijzing in het boekhoudrecht. In het boekhoudrecht (o.m. in art. 95 § 1 KB van 30 januari 2001) gebruikt de wetgever de term "toebehoren" zowel voor activa in eigendom als voor activa die enkel in gebruik worden genomen (bv. leasing). Bijgevolg staat "toebehoren" niet noodzakelijk gelijk met eigendom.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de rechten in het kapitaal toebehoren aan de vruchtgebruiker omdat die beschikt over alle economische rechten toegekend aan de aandelen. Het is de vruchtgebruiker die het recht heeft op dividenden, het recht heeft om te stemmen op een algemene vergadering, enz. De blote eigenaar beschikt gedurende de looptijd van het vruchtgebruik enkel over "un droit d'attente". Dat verleent geen enkel recht op het aandeel zelf maar waarborgt enkel dat de blote eigenaar op het einde van de looptijd van het vruchtgebruik terug volle eigenaar wordt.

Tenslotte verwijst de rechtbank naar oudere cassatierechtspraak waarin het hof had beslist dat deelnemingen die de belastingplichtige gedurende het ganse belastbaar tijdperk in vruchtgebruik heeft ingehouden, geacht worden "in eigendom" te zijn gehouden (Cass. 17 april 1986, AFT 1987, 31).

De conclusie van de rechtbank kan worden bijgetreden. Vanuit het oogpunt van de uitoefening van de economische rechten behoren de aandelen inderdaad toe aan de vruchtgebruiker.

Wie heeft het stemrecht?
 
Toch had de rechtbank haar onderzoek wellicht kunnen beperken tot de vraag wie de stemrechten uitoefent indien de aandelen gehouden worden door een vruchtgebruiker. Artikel 201, eerste lid, 1° van het WIB 1992 bepaalt immers dat meer dan de helft van de aandelen moet toebehoren aan natuurlijke personen "die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen".

Als de statuten geen regeling bevatten omtrent de onderlinge verdeling van de stemrechten (die behoren tot de groep van lidmaatschapsrechten) in geval van vruchtgebruik op aandelen, rijst de vraag aan wie die rechten toekomen. De vennootschapswet doet alvast geen uitspraak, maar bepaalt enkel dat elk aandeel slechts recht heeft op één stem.

Sommige auteurs zijn van oordeel dat het de blote eigenaar is aan wie de stemrechten in de regel toekomen. De blote eigenaar bezit de hoedanigheid van aandeelhouder en oefent daarom ook het stemrecht uit (zgn. substantie-theorie; zie L. WEYTS, "Vennootschapsrecht en erfrecht" in Knelpunten van dertig jaar vennootschapsrecht in de reeks Rechtspersonen- en vennootschapsrecht, Kalmthout, Biblo, 1999, (20) 41-52). De uitoefening van het stemrecht is geen beheersdaad over de aandelen maar wel over de vennootschap, wat het genotsrecht van de vruchtgebruiker over de aandelen zou overschrijden (H. DE PAGE, Traité, VI, 222). Om vervolgens het stemrecht dan maar toe te kennen aan de blote eigenaar lijkt ons een brug te ver nu ook voor de blote eigenaar het uitoefenen van het stemrecht noodzakelijkerwijze het beheer impliceert over de goederen van een derde, zijnde de vennootschap.

Anderen kennen het stemrecht toe aan de vruchtgebruiker of de blote eigenaar naargelang de beslissing die moet worden genomen (zie ook D. DE MAREZ, "Vruchtgebruik op aandelen : geen eenduidig begrip", Bank Fin. 2000/6, 414-415). Daarbij maakt men de klassieke opdeling tussen daden van beheer en daden van beschikking. Men kent het stemrecht aan de vruchtgebruiker toe wanneer wordt beslist over materies die zijn genotsrecht aanbelangen (zoals bv. wanneer over dividenduitkering wordt beslist). Het stemrecht behoort toe aan de blote eigenaar wanneer beslissingen moeten worden genomen die het wezen of het kapitaal van de vennootschap of het aandeel aanbelangen (bv. kapitaalveranderingen, statutenwijzigingen, enz.). Ook dat standpunt is voor kritiek vatbaar. De burgerrechtelijke afbakening tussen daden van beheer en daden van beschikking past niet in een economisch kader. Het vruchtgebruik is geen louter onderdeel van het eigendomsrecht. In geval van vruchtgebruik is het eigendomsrecht tijdens de volledige duur van dat vruchtgebruik belast met een zakelijk recht van beheer en genot, wat de blote eigenaar moet respecteren.

Een meerderheid van de auteurs is de mening toegedaan dat het de vruchtgebruiker is die de stemrechten mag uitoefenen om hem toe te laten zijn genotsrechten uit te oefenen en te beschermen (J. DU MONGH, "Vruchtgebruik op aandelen: wie oefent de lidmaatschapsrechten uit? Hernieuwd pleidooi voor de vruchtgebruiker", Not. Fisc. M. 1999, 211 e.v.). Enkel op die manier heeft de vruchtgebruiker het genot van de zaak zoals de eigenaar (art. 578 BW) en de mogelijkheid om zijn verplichting de zaak als een goede huisvader in stand te houden en te beheren, te voltooien (zgn. beheerstheorie).

Het besproken vonnis is in die zin relevant dat een rechtbank uitdrukkelijk bevestigt dat voor wat betreft de gewone eenmalige investeringsaftrek het niet noodzakelijk is dat de meerderheid van de aandelen in handen is van natuurlijke personen die volle eigenaar zijn van de aandelen. Het is voldoende dat de natuurlijke personen vruchtgebruiker zijn.

Dat vruchtgebruik volstaat en geen volle eigendom nodig is, was overigens onlangs ook het oordeel van het Hof van Beroep van Antwerpen inzake de deelnemingsvereiste voor de RV-vrijstelling van dividenden (zie Fisc. Act. 2005, 5/8).

Leo DE BROECK en Jo ROSELETH, advocaten bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN.



20-11-17 Conforme factuur is geen voorwaarde voor BTW-aftrek
De fiscus vond ooit dat fouten op de factuur een voldoende reden zijn om de BTW-aftrek te verwerpen.....lees meer
 
18-11-17 Lager KMO-tarief, maar niet noodzakelijk voor huidige KMO’s
De regering is het eens geworden over alle details van de hervorming van de vennootschapsbelasting....lees meer
 
17-11-17 Privégebruik van computer of smartphone wordt minder zwaar belast
De fiscus houdt rekening met de realiteit dat elektronica de laatste jaren heel wat goedkoper geworden is. ....lees meer
 
03-11-17 Ook managementvennootschap mag winst maken
De fiscus staat vaak wantrouwig tegenover de oprichting van een managementvennootschap. In een recent geval dacht de fiscus daar alle reden toe te hebben.....lees meer
 
website door webalive