nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Zwijgrecht van belastingplichtige door fiscale rechtbank bevestigd
02/06/2005 - Het zwijgrecht garandeert aan een persoon het recht : "to remain silent unless he chooses to speak in the unfettered excercise of his own will, and to suffer no penalty for such silence"  (U.S. Supreme Court, Malloy vs. Hogan, 378 U.S. 1, 7-8, 1964, aangehaald in V. DAUGINET en K. SPAGNOLI, "Het zwijgrecht van de belastingplichtige" in Fundamentele rechten van de belastingplichtige - capita selecta, Ced.Samsom, 1998, (101) 115).

Uit de dagdagelijkse Belgische praktijk zijn er nog geen gevallen bekend waarin de belastingadministratie aan de belastingplichtige uiteenzet dat hij het recht heeft om te zwijgen.

Dat is gemakkelijk te begrijpen. De fiscus is gebonden door de eigen interne wetgeving. Iedere belastingplichtige is wettelijk verplicht om mee te werken aan het onderzoek naar zijn fiscale toestand. Hij dient alle boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen en hij dient te antwoorden op vragen om inlichtingen vanwege de administratie. Indien de belastingplichtige weigert mee te werken, kan hij worden gesanctioneerd. Zo heeft de administratie der directe belastingen de mogelijkheid om een aanslag van ambtswege op te leggen, hetgeen een omkering van de bewijslast tot gevolg heeft (Art. 351 W.I.B. 92), of kan zij boetes opleggen tot 1.250 EUR (Art. 445 W.I.B. 92). In andere fiscale domeinen zijn de verplichtingen van de belastingplichtige gelijklopend.

Van een mogelijke weigering om medewerking te verlenen aan een fiscaal onderzoek, of van een ontlasting van die verplichtingen door de onderzoekende ambtenaar, is in geen enkel fiscaal wetboek sprake. En van een cautieverplichting evenmin.

In het strafrechtelijk onderzoek is dat anders. Daar beschikt de verdachte-belastingplichtige over een reeks procedurele waarborgen. Artikel 6 E.V.R.M. houdt onder meer in dat geen enkele verdachte verplicht kan worden zichzelf te incrimineren en dat iedere verdachte beschikt over een zwijgrecht. In artikel 14, 3°, g van het Bupo-Verdrag wordt het zwijgrecht expliciet beschermd. Het zwijgrecht wordt ook als een algemeen strafrechtbeginsel erkend (Over deze beginselen : J. PUT, "Rechtshandhaving door administratieve sancties in het recht", R.W. 2001-2002, (1195) 1206-1208). Die principes hebben uiteraard ook in het fiscale strafrecht sensu stricto gelding (Voor een bekende toepassing, de zaak Matexi : Cass. 13 mei 1986, Pas. 1986, I, 1107).

Het hier geannoteerde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Luik dd. 30 november 2004 ontwaart ook een zwijgrecht midden in de administratieve fase van de fiscale procedure. De rechtbank beslist dat het strijdig is met het zwijgrecht of het verbod van zelfincriminatie dat de belastingadministratie een boete oplegt van 25.000 oude BEF omdat een bepaalde belastingplichtige al te ontwijkend had geantwoord op een vraag om inlichtingen omtrent de inkomsten op zijn vermoede buitenlandse bankrekening. Het zwijgrecht geldt in geval van een strafvervolging in de verdragsautonome betekenis van het woord waaronder volgens de rechtbank te Luik ook de procedure die leidt tot de oplegging van een repressieve fiscale boete mag worden gerekend.

Deze conclusie van de rechtbank is volmondig bij te treden. Als er hoge fiscale boetes dreigen bestaat het zwijgrecht voor de door de belastingadministratie van fiscale fraude verdachte belastingplichtige evenzeer (niet noodzakelijk voor “derden” : cf. K. SPAGNOLI, “De ongewenste getuige en het zwijgrecht”, noot onder Antwerpen 31 maart 1998, T.F.R. 1999, 64-66), zo schreven we al eerder (B. COOPMAN en K. LAMMENS, "Zwijgrecht, mildering van boetes, redelijke termijn : naar een concrete invulling van de 'mensenrechten van de belastingplichtige'", T.F.R. 2002, (739) 747-750). Uiteraard hebben we het in de casus dan niet over de boete van 25.000 oude BEF maar over de belastingverhogingen op de buitenlandse roerende inkomsten of op eventuele indiciaire tekorten die uit de buitenlandse rekeningen zouden blijken.

De feiten die in het geannoteerde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Luik aan bod kwamen vertonen affiniteit met deze ter sprake in het arrest J.B. dd. 3 mei 2001 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (E.H.R.M. 3 mei 2001, T.F.R. 2002, 776, noot B. COOPMAN en K. LAMMENS, "Zwijgrecht, mildering van boetes, redelijke termijn : naar een concrete invulling van de 'mensenrechten van belastingplichtigen'"). De Zwitserse belastingadministratie had daar ook gebruik gemaakt van de mogelijkheid voor de administratie om een administratieve boete op te leggen als een belastingplichtige weigert op een vraag om inlichtingen te antwoorden. Ze legde een aantal boetes op van 1.000 CHF of 2.000 CHF. Het leek  er volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens sterk op dat de Zwitserse autoriteiten geprobeerd hadden om J.B. te dwingen de gevraagde documenten over te leggen. Het E.H.R.M. was dan ook van oordeel dat het artikel 6, § 1 E.V.R.M. daardoor geschonden werd.

Ook in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie inzake Orkem was al erkend dat het verbod van zelfincriminatie ook een fundamenteel beginsel is in het Europese Unierecht (H.v.J. 19 oktober 1989, nr. 87/374, Orkem / Commissie, S.E.W. 1990, 397).

Men moet er zich voor behoeden om overhaaste conclusies uit deze arresten of uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Luik te trekken.

Een belastingplichtige speculeert er best niet al te lichtvaardig op dat een inbreuk op het zwijgrecht steevast de nietigheid van later volgende boetes en belastingverhogingen meebrengt, laat staan van de bewijsvoering over de belastingschuld zelf (Voor een grondiger bespreking van de diverse aspecten van deze problematiek : V. SEPULCHRE, Droits de l'homme et libertés fondamentales en droit fiscal, Brussel, Larcier, 2005, 296-298 en 301-306 en V. SEPULCHRE, " L'article 6 de la C.E.D.H. et le droit de se taire et de ne point contribuer à sa propre incrimination en droit fiscal, R.G.F. 2002, 172-186 en 198-216). De contouren van het zwijgrecht zijn nog niet volledig duidelijk. Zo sluit het zwijgrecht niet ook om het even welke meewerkverplichting uit (V. SEPULCHRE, Droits de l'homme et libertés fondamentales en droit fiscal, Brussel, Larcier, 2005, 314-319).

Elders is al erkend dat het conflict tussen het zwijgrecht en de fiscale spreekplicht nog altijd niet uitgeklaard is (K. ANTHONISSEN, B. COOPMAN en E. FRANCIS, "Naar een proportionele sanctionering van financiële en fiscale fraude : denkpistes voor een “betere inning”", A.F.T. 2004, (3) 4-5, met korte samenvatting van de arresten Funke, Saunders en J.B.van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens). Het zwijgrecht kan zeker niet dermate ruim worden geïnterpreteerd dat de belastingplichtige steeds zou kunnen weigeren mee te werken aan een onderzoek met de stelling dat het antwoord op de vragen van de fiscus wel eens fraude zou kunnen blootleggen. Dat zou iedere administratieve onderzoeksbevoegheid krachteloos maken (Antwerpen 11 oktober 2001, R.W. 2002-2003, 464-465).

Er is ook een belangrijk scharniermoment. In iedere concrete zaak moet bezien worden wanneer de "strafvervolging" precies aanvangt. Pas vanaf dat ogenblik zal de verdachte-belastingplichtige zich kunnen beroepen op het zwijgrecht (Wat niet belet dat gegevens die al eerder werden verzameld eventueel ook uit de strafrechtelijke debatten kunnen worden geweerd; cf. V. SEPULCHRE, Droits de l'homme et libertés fondamentales en droit fiscal, Brussel, Larcier, 2005, 311-312, met verwijzing naar het arrest Saunders van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens). Zeker in de fases die daaraan voorafgaan, kan hij wél worden gedwongen om te spreken. De strafvervolging bestaat pas vanaf de "criminal charge"  d.i. wanneer vanwege of door de overheid een geheel van handelingen wordt gesteld waardoor de betrokkene naar redelijkheid mag verwachten dat een "strafvervolging" (in de ruime verdragsrechtelijke zin van het woord; dus ook een oplegging van hoge fiscale boetes) tegen hem ingesteld is of zal worden (Consulteer voor een nadere bepaling van dit tijdstip in fiscalibus : V. DAUGINET en K. SPAGNOLI, l.c., 137-148). In de zaak die aanleiding gaf tot het vonnis van de rechtbank van Luik, bepaalde de verzending van het bericht conform artikel 333, derde lid W.I.B. 92, in dit verband het kantelmoment. Vanaf de brief van de controlediensten waarin de belastingplichtige werd beschuldigd van fiscale fraude door het aanhouden van een bankrekening bij een Luxemburgse bank, zodat de aanslagtermijnen konden worden uitgebreid van drie naar vijf jaar, kon de belastingplichtige de bui zien hangen, vond de rechtbank.

In de gevallen dat het zwijgrecht veronachtzaamd wordt geacht, zijn de gevolgen soms veel drastischer dan de nietigverklaring van een kleine administratieve boete zoals deze waarvoor de rechtbank van eerste aanleg te Luik was geadieerd. De sancties zouden kunnen variëren van de nietigheid van boetes en belastingverhogingen tot de nietigheid van de erop volgende vordering tot betaling van de verschuldigde rechten of tot de nietigheid van de strafvervolging, zeker als de rechten van verdediging daardoor geschaad zijn (Cass. 13 januari 1999, Pas. 1999, nr. 15 en P&B 1999, 323-329; Antwerpen 10 januari 1992, R.W. 1991-92, 891).

Het recht om te zwijgen bestaat wel in fiscalibus. Zoveel is ondertussen duidelijk. Het valt evenwel nog af te wachten in welke gevallen en in welke mate de rechtspraak de waarheidsvinding zal laten primeren op de rechten van de verdachte belastingplichtige.

Bart COOPMAN, advocaat bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN

 



16-02-17 Panama en Guatemala zijn nu officieel belastingparadijs
Dat Panama volgens de Belgische fiscale wetgeving nu formeel doorgaat als een belastingparadijs, is geen gevolg van het schandaal rond de “Panama papers” van april 2016.....lire la suite
 
15-02-17 Nieuw regime voor deeleconomie is van toepassing vanaf 1 maart
De wet over de fiscaliteit van de deeleconomie is al meer dan een half jaar geleden gepubliceerd, maar treedt pas op 1 maart 2017 effectief in werking. Het probleem is de erkenning van de elektronische platforms.....lire la suite
 
26-01-17 Vangnetbepaling vangt minder
Er blijft een zogenaamde vangnetbepaling bestaan die moet verzekeren dat betalingen aan het buitenland toch belast worden ook al is er geen specifieke regel die ze aan belasting onderwerpt.....lire la suite
 
25-01-17 Oplossing voor discussie over verzekeringsgift
Een wetswijziging moet een einde maken aan een felle polemiek die eind 2015 losgebarsten is rond de “verzekeringsgift”. ....lire la suite
 
site web par webalive