nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Teruggaaf registratierechten na ontbinding overeenkomst: Processie van Echternach ?
 
02/03/2005 - De rechtspraak stelt zich streng op ten aanzien van de voorwaarden om teruggaaf van registratierechten te bekomen in geval van ontbinding van een overeenkomst (art. 209, 3° W. Reg.). Evenwel niet altijd terecht ...


Feitelijke uiteenzetting
 
Een belastingplichtige verkoopt op 31 mei 1989 zijn hoeve. De registratie van de onderhandse overeenkomst gebeurt pas op 1 februari 1990. In totaal betaalt de verkoper, die de akte laat registreren, 12.614,81 EUR aan registratierechten, boete en zegels inbegrepen.

Bijna onmiddellijk na de registratie van de overeenkomst, dagvaardt de verkoper de koper in ontbinding van de overeenkomst omdat hij weigert mee te werken aan het verlijden van de notariële akte. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen verklaart de vordering ongegrond omdat de koper niet voorafgaandelijk is aangemaand (artikel 1656 B.W.).

Het Hof van Beroep te Antwerpen hervormt het vonnis maar ook het Hof van Cassatie oordeelt dat de voorafgaande ingebrekestelling een noodzakelijke voorwaarde is om tot gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst over te gaan. Het Hof van Beroep te Gent bevestigt, op verwijzing, op 2 februari 1999 dat de vordering tot ontbinding ongegrond is.

Ditmaal laat de verkoper niets aan het toeval over. Hij verzendt veiligheidshalve twee aanmaningen aan de koper waarop echter geen enkele reactie komt. Op 4 juni 1999 dagvaardt de verkoper de koper opnieuw teneinde de ontbinding van de overeenkomst te horen uitspreken. Op 12 februari 2001 treedt het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen waarbij de overeenkomst wegens wanprestatie van de koper wordt ontbonden, in kracht van gewijsde.

De verkoper vraagt vervolgens de betaalde registratierechten, boete en zegels terug. Hij beroept zich hiervoor op artikel 209, 3° W.Reg. Dit artikel laat toe teruggaaf te vragen van het evenredig registratierecht geheven wegens een overeenkomst waarvan een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest de ontbinding of de herroeping uitspreekt. Noodzakelijke voorwaarde, en voorwerp van de huidige discussie, is dat uit de beslissing zelf moet blijken dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping werd ingesteld. Dat een eis tot ontbinding voor een onbevoegd rechter wordt ingeleid, heeft naar de wil van de wetgever geen invloed op het verzoek tot teruggaaf.

Volgens de verkoper is aan voormelde voorwaarden voldaan. Er werd een eis tot ontbinding ingesteld op 9 maart 1990, dit is binnen het jaar na het sluiten van de overeenkomst op 31 mei 1989. Met al wat nadien is gebeurd, hoeft volgens de verkoper geen rekening meer worden gehouden. Artikel 209, 3° W.Reg. moet volgens de verkoper bovendien ‘worden geïnterpreteerd in de geest van de doelstelling die de wetgever met het wetsartikel terzake beoogde te bereiken’. Tenslotte benadrukt de verkoper dat er geen juridische oorzaak meer bestaat voor de heffing van de registratierechten nu de koop-verkoop is ontbonden.


Standpunt van de Rechtbank
 
De Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen volgt de verkoper nog waar deze stelt dat niet ‘de’ eis tot ontbinding binnen één jaar na de overeenkomst moet zijn ingesteld, maar wel ‘een’ eis tot ontbinding.

Maar, zo oordeelt de rechtbank, het vonnis dat de ontbinding uitsprak is niet gewezen op een eis (vordering) die werd ingeleid binnen het jaar na het sluiten van de overeenkomst. Dit vonnis werd gewezen op een vordering die werd ingeleid met dagvaarding van 4 juni 1999, aldus niet ten hoogste één jaar na de overeenkomst. Het ontbindingsvonnis moet, aldus de rechtbank, zijn gewezen op die vordering die zelf binnen het jaar na de overeenkomst is ingesteld (Gent 19 november 1997, F.J.F. 98/58).

En dus wordt de teruggaaf van de registratierechten geweigerd.


Bespreking
 
Het komt niet zelden voor dat na de ondertekening van de onderhandse koop-overeenkomst en betaling van de registratierechten de overeenkomst alsnog wordt ontbonden. De ontbinding vloeit, in tegenstelling tot de nietigverklaring, niet voort uit een gebrek dat de overeenkomst van bij haar ontstaan aantastte, maar is normaal het gevolg van feiten die na de voltrekking van de overeenkomst plaatsvinden. In een aantal gevallen vindt de ontbinding automatisch plaats als gevolg van de vervulling van een ontbindende voorwaarde, die door de partijen werd bedongen of door de wet werd voorzien. Wanneer de rechtbank dan niet hoeft tussen te komen, dan kan men geen reeds betaalde registratierechten terugvragen.

In sommige gevallen dient men de ontbinding verplicht door de rechtbank te laten vaststellen. Denken we hierbij aan de ontbinding van een overeenkomst wegens niet-vervulling van de voorwaarden (Artikel 1184 B.W.), ontbinding van een koop wegens niet-betaling van de prijs (Artikel 1654 B.W.), ontbinding als gevolg van de gehele of gedeeltelijke uitwinning van de koper (Artikel 1630 en 1636 B.W.), ontbinding als gevolg van een verborgen gebrek van de verkocht zaak (Artikel 1644 B.W.) enz. Enkel in deze gevallen kan men een teruggaaf van de betaalde registratierechten bekomen.

Men zou zich de vraag kunnen stellen of de Antwerpse rechtbank zich niet al te streng heeft opgesteld ten aanzien van de voorwaarde voor de toepassing van artikel 209, 3 ° W.Reg. dat een vordering tot ontbinding van de overeenkomst wordt ingesteld binnen het jaar na de datum van de overeenkomst.

Uit de voorbereidende werken van de wet van 23 december 1958, waarbij het voormeld artikel 209, 3° W.Reg. in het wetboek werd ingevoegd, blijkt dat de wetgever heeft ‘willen voorkomen dat systematisch registratierechten zouden teruggevorderd worden bij de ontbinding van overeenkomsten die geldig tot stand kwamen en gedurende een lange periode volledige uitwerking hadden, doch ten gevolge van wanprestatie van één der contracterende partijen worden beëindigd’ (Zie Arbitragehof 8 februari 1994, B.S. 1994, p. 6282).

In voorliggende casus blijft de koper klaarblijkelijk van in het begin in gebreke zijn verplichtingen na te leven. De verkoper dagvaardt vrijwel onmiddellijk en geruime tijd vóór het verstrijken van het jaar na het sluiten van de overeenkomst de koper in ontbinding van de overeenkomst. Men kan dan ook moeilijk voorhouden dat de overeenkomst gedurende een lange periode volledige uitwerking heeft gehad.

Volgens de Antwerpse rechtbank leidt een lezing van artikel 209, 3 ° W.Reg. tot het besluit dat niet ‘dé’ eis tot ontbinding één jaar na de overeenkomst moet zijn ingesteld, maar wel ‘een’ eis tot ontbinding. Tot hier kan het standpunt van de rechtbank worden bijgetreden.

Maar de volgende horde neemt de rechtbank toch iets te snel, minstens is de rechtbank in haar uitspraak zeer ongenuanceerd. Zo oordeelt de rechter dat enkel rekening kan worden gehouden met de datum van inleiding van de gerechtelijke procedure die geleid heeft tot een vonnis of arrest waarin de ontbinding van de overeenkomst effectief wordt uitgesproken.

Het komt ons voor dat de rechter hiermee een voorwaarde toevoegt aan artikel 209, 3 ° W.Reg. Voormeld artikel benadrukt dat uit het vonnis of arrest dat de ontbinding uitspreekt enkel moet blijken dat hoogstens één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding, zelfs bij de onbevoegde rechter, ingesteld werd. Het is volgens artikel 209, 3° W.Reg. dus onbelangrijk hoeveel procedures de belastingplichtige heeft ingeleid, op voorwaarde dat uit het vonnis dat de ontbinding van de overeenkomst uitspreekt maar blijkt dat er binnen het jaar na het sluiten van de overeenkomst ‘een’ vordering in ontbinding werd ingeleid.

De wetgever vereist niet dat enkel mag rekening worden gehouden met de datum van inleiding van de procedure die geleid heeft tot het vonnis of arrest dat de ontbinding van de overeenkomst effectief uitspreekt. Een lezing van het besproken vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen maakt alvast niet duidelijk of het vonnis van 24 november 2000 (dat de ontbinding van de overeenkomst uitsprak) verwijst naar de dagvaarding d.d. 4 maart 1990. In ieder geval houdt blijkt de rechtbank, ten onrechte, geen rekening te houden met dit gegeven.

De Antwerpse rechtbank motiveert haar standpunt door te verwijzen naar een arrest van het Gentse Hof van Beroep (Gent 19 november 1997, Rec.Gén.Enr.Not., nr. 24.874). Uit dit arrest zou blijken dat het ontbindingsvonnis moet zijn gewezen op die vordering die zelf binnen het jaar na de overeenkomst is ingesteld.

De feiten die aan de basis liggen van het arrest van het Hof van Beroep van Gent verschillen van deze die aan de basis liggen van het besproken vonnis. In de situatie waarover het Gentse Hof van Beroep diende te oordelen had de belastingplichtige binnen het jaar na ondertekening van de overeenkomst en dus tijdig een vordering ingesteld. Maar de verkoper had aan de rechtbank in hoofdorde de uitvoering van de overeenkomst gevraagd en ook gekregen. Enkel in ondergeschikte orde had de verkoper de ontbinding van de overeenkomst gevraagd. Omdat de koper uiteindelijk ook in gebreke bleef de overeenkomst uit te voeren, dagvaardde de verkoper opnieuw de koper ditmaal in ontbinding van de overeenkomst.

Het Gentse Hof oordeelde dat de omstandigheid dat in de tweede vordering (ingesteld meer dan één jaar na de overeenkomst) opnieuw – ditmaal uitsluitend – de ontbinding van de overeenkomst werd gevraagd, niet inhoudt dat deze nieuwe vordering een voortzetting zou zijn van de eerste vordering. De eerste vordering, nl. de veroordeling van de koper tot uitvoering van de overeenkomst was op een definitieve wijze beslist door een vonnis dat in kracht van gewijsde was getreden.

In het besproken vonnis heeft de verkoper nooit enige onduidelijkheid laten verstaan omtrent zijn houding. Hij heeft aan derden, inclusief de fiscus, van in den beginne laten verstaan dat hij de ontbinding van de overeenkomst wenste. Een uitvoering van de overeenkomst heeft nooit tot de mogelijkheden behoord.

In het geannoteerde vonnis had dus evengoed beslist kunnen worden dat de chronologisch tweede vordering tot ontbinding de voortzetting was van de eerste vordering tot ontbinding.

Jo ROSELETH, advocaat bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN



21-03-17 Nu ook tax shelter voor podiumkunsten
De succesvolle “tax shelter” voor audiovisuele werken wordt opengesteld voor theater, opera en andere podiumkunsten. ....lees meer
 
20-03-17 Kwartaalaangevers hoeven geen voorschotten meer te betalen
De formaliteiten voor BTW-plichtigen worden verder vereenvoudigd. ....lees meer
 
17-03-17 Uber-taxirit valt volledig onder regime voor deeleconomie
Bij de invoering van het nieuwe belastingregime voor de deeleconomie – voor particulieren die diensten aanbieden aan andere particulieren via elektronische platforms – was uitgelegd dat inkomsten uit verhuur van kamers via Airbnb slechts gedeeltelijk onder het nieuwe stelsel vallen. ....lees meer
 
28-02-17 Hoge belasting op gebruik gratis woning is ongrondwettelijk, zegt nu ook Antwerps Hof van Beroep
Wie gratis een woning mag gebruiken van zijn werkgever of vennootschap, wordt voor dat gebruik belast op een zogenaamd voordeel van alle aard. ....lees meer
 
website door webalive