nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Rechterlijke toetsing fiscale boetes : Hof van Cassatie vindt verzachtende omstandigheden te "subjectief".
 
28/02/2005 - Met arrest van 21 januari 2005 heeft het Hof van Cassatie zich opnieuw uitgesproken over de draagwijdte van de rechterlijke macht om fiscale boetes te toetsen of hun redelijkheid, proportionaliteit en(/of) opportuniteit.

De B.T.W.-administratie had cassatieberoep aangetekend tegen een arrest van 16 april 2002 van het Hof van Beroep te Brussel. De zaak ging over een belastingplichtige die, onder dekking van een vrachtbrief met buitenlandse bestemming, goederen naar een Belgisch adres had vervoerd, waar ze door Belgische afnemers werden afgenomen. Aldus werd de B.T.W. op die leveringen ontdoken. In toepassing van artikel 70 § 1 W.B.T.W. was voor die feiten ook een boete opgelegd gelijk aan tweemaal het bedrag van de ontdoken BTW. Deze aanvankelijke boete bedroeg 2.576.354 oude franken. Het Hof van Beroep te Brussel oordeelde over het geval dat de inbreuk bewezen was maar het halveerde de boete, dus tot 100 % van de ontdoken BTW.

De B.T.W.-administratie had het op die uitspraak niet begrepen en een cassatievoorziening ingediend. In het bijzonder kon de B.T.W.-administratie geen genoegen nemen met het feit dat het Hof van Beroep de stelling had aangenomen van de belastingplichtige dat hij kon bogen op verzachtende omstandigheden die een kwijtschelding of minstens een vermindering van de boete wettigden.

Het Hof van Beroep had enerzijds beslist dat uit de vaststaande feiten blijkt dat de belastingplichtige zijn medewerking heeft verleend aan een mechanisme dat er op gericht was BTW-fraude te organiseren. De tekortkoming deed kwade trouw blijken volgens het Hof en was zeer ernstig. Als verzachtende omstandigheid kon evenwel in aanmerking worden genomen, zo had het Hof van Beroep vervolgd, dat niet blijkt dat de beboete belastingplichtige de fraude mee bedacht heeft en het feit dat hij er schijnbaar slechts een beperkt voordeel uit gehaald had. Dat vond het Hof reden genoeg om de boete te milderen.

Dit standpunt druist in tegen de traditionele zienswijze van de B.T.W.-administratie, die vindt dat de letterlijke tekst van artikel 70 § 1 W.B.T.W., voorziet in een boete "gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting"en dat de rechter door die wettekst gebonden is. Hetzelfde geldt voor de milderingen in het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987. Krachtens het laatste lid van artikel 1 van dit K.B. mogen er geen verminderingen worden toegepast in geval van opzettelijke fraude.

De B.T.W.-administratie verwees in het verzoekschrift tot cassatie naar de ondertussen klassiek geworden cassatierechtspraak (cf. L. VANDENBERGHE, "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten : een stand van zaken", Fiscale Actualiteit 10 april 2003, 12-16; Cass. 24 januari 2002, T.F.R. 2002, 765, noot B. COOPMAN en K. LAMMENS, "Zwijgrecht, mildering van boetes, redelijke termijn : naar een concrete invulling van de "mensenrechten van belastingplichtigen""). Die luidt dat de rechter de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken, en mag nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sanctie, en of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (waaronder de evenredigheid met de inbreuk); dit toetsingsrecht houdt daarentegen niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit, en tegen wettelijke voorschriften in, de opgelegde boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Welnu, onevenredigheid tussen een sanctie en de bestanddelen van een inbreuk wijst, steeds volgens de B.T.W.-administratie, op een objectieve verhouding : daartoe moeten de feiten ten opzichte van de sanctie afgewogen worden, los van de bijzondere omstandigheden eigen aan elk individueel geval. Een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden, eigen aan elk individueel geval, kan voor het beoordelen nopens het al of niet bestaan van onevenredigheid niet in aanmerking komen. Uit de in het arrest aangenomen verzachtende omstandigheid kan volgens de B.T.W.-diensten niet worden afgeleid dat de toepassing van de door de wet vastgestelde boete onverenigbaar is met dwingende bepalingen van intern of internationaal recht. De appèlrechter stelt niet vast dat de administratie niet naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij beperkte er zich toe, zijn subjectieve beoordeling in de plaats te stellen van de wettelijk omschreven sanctie.

Het Hof van Cassatie beaamt dat het toetsingsrecht in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Het Hof stelt :Dat hij hierbij inzonderheid acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hierbij in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie." (onze onderlijning)

Wij hebben een flauw vermoeden dat het Hof van Cassatie met de door ons onderlijnde zinsnede onderhuids verwijst naar de rechtspraak van het Arbitragehof over de toetsingsbevoegdheid over de fiscale boetes (arresten van het Arbitragehof dd. 24 januari 1999, 17 maart 1999, 7 december 1999 en 12 juni 2002): de controlebevoegdheid van de rechter moet minstens dezelfde zijn als deze van de belastingadministratie zelf, op straffe van schending van het gelijkheidsbeginsel. Zoniet schenden de betrokken wetsbepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (het gelijkheidsbeginsel). Het Hof van Cassatie gaat een stapje verder en stelt dat de rechter niets méér mag beslissen dan dat de administratie vermag te beslissen. Mede omdat de administratie gebonden is door de wet, geldt dit ook voor de rechter.

Het Hof van Cassatie deelt in ieder geval de mening van de fiscus dat het toetsingsrecht niet inhoudt dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. En die subjectiviteit wordt eng opgevat. Wat het concrete geval betreft, stelt het Hof van Cassatie inderdaad dat de enige verzachtende omstandigheid dat niet blijkt dat de belastingplichtige de fraude mee had bedacht en ze er schijnbaar slechts een beperkt voordeel uit gehaald had, al te subjectief was; ze vermocht er de appèlrechter niet toe te brengen om de door het bestuur opgelegde boete te verminderen.

Op die manier creëert het Hof van Cassatie een onderscheid tussen een zogenaamd subjectieve appreciatie en een appreciatie op grond van zogenaamd objectieve maatstaven. Dat lijkt ons zeer kunstmatig. Iedere appreciatie is nu eenmaal gebonden aan de persoon van de rechter die apprecieert en dus in zekere zin subjectief. Wij kunnen dit gekunsteld onderscheid dan ook helemaal niet bijtreden.

Wat de lering van de arresten van het Arbitragehof betreft verwondert het ons dat het Hof van Cassatie, hoewel het net zoals het Arbitragehof verwijst naar de bevoegdheid van de administratie om boetes kwijt te schelden of te verminderen (en deze bevoegdheid zelfs aangrijpt om de rechterlijke bevoegdheid te limiteren), blijkbaar abstractie maakt van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 waarvan algemeen aangenomen wordt dat het de administratie machtigt om in allerhande omstandigheden boetes te verminderen. Als we de stelling van het Hof van Cassatie aannemen, dan heeft dat tot gevolg dat de administratie steeds zogenaamd objectieve aanknopingspunten zou vinden om dit regentsbesluit toe te passen ? De praktijk spreekt dit (gelukkig) tegen daar moedige ambtenaren vaak wél verzachtende omstandigheden of betoond berouw in acht nemen om de hoogte van de boete aan af te meten (cf. ANTHONISSEN K., COOPMAN B. en FRANCIS E., Naar een proportionele sanctionering van financiële en fiscale fraude : denkpistes voor een "betere inning", A.F.T. 2004, (3) 8).

Bovendien blijven wij de mening toegedaan dat deze strenge cassatierechtspraak niet verzoenbaar is met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft met arrest van 4 maart 2004 het Hof van Cassatie terechtgewezen waar het Hof van Cassatie op te algemene wijze beslist had dat motieven van billijkheid en opportuniteit niet mogen meespelen in de rechterlijke beoordeling (cf. B. COOPMAN, "Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg", T.F.R. 2004, noot bij E.H.R.M. 4 maart 2004, (641) 642). Het verschil tussen een subjectieve appreciatie en het rekening houden met motieven van billijkheid en opportuniteit is al te subtiel en ver gezocht.

Het Hof van Cassatie kan een Belgische wettelijke bepaling buiten toepassing laten in de mate dat de eigen interpretatie van het verbrekingshof niet verenigbaar is met de interpretatie van artikel 6 EVRM door het Hof te Straatsburg. Dat volgt uit het bekende arrest Le Ski. Vooralsnog is het Hof van Cassatie echter hardleers. Dat het Hof van Cassatie het niet heeft begrepen op belastingfraudeurs, is al langer geweten. Hoelang kan het Hof van Cassatie dit nog volhouden? Mag het een teken aan de wand zijn dat de lagere rechtspraak blijkbaar de interpretatie van het Hof van Cassatie niet deelt (cf. onder veel meer Hof van Beroep Luik 22 juni 2004 en recente vonnisen van de Rechtbank te Luik dd. 27 januari 2004, te Gent dd. 28 april 2004 en te Aarlen dd. 5 januari 2005, www.fiscalnetnl.be)?

Toegegeven : het is wat gemakkelijk om alleen een steen te werpen naar het Hof van Cassatie. Ook de wetgever blijft in gebreke om een regeling uit te werken die duidelijk de krijtlijnen van de rechterlijke controle trekt. In principe laat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de mogelijkheid aan de wetgever om de rechterlijke bevoegdheid ter zake eerder ruim of liever eng te omschrijven. Ingeval de huidige wettelijke bepalingen echter geen enkele speelruimte laten aan de rechterlijke macht, moeten de feitenrechters teruggrijpen naar het buiten toepassing laten van een aantal wetsbepalingen in of ter uitvoering van het B.T.W.-wetboek, dit wegens strijdigheid met artikel 6 EVRM en, in mindere mate, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Rechtsonzekerheid is dan troef. Het Hof van Cassatie zou dan de richting kunnen aangeven maar we blijven op onze honger zitten zolang het Hof niet ootmoedig de neus gelijk zet met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Tot zolang hebben de lagere rechters geen duidelijke houvast.

Bart COOPMAN, advocaat bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN





16-02-17 Panama en Guatemala zijn nu officieel belastingparadijs
Dat Panama volgens de Belgische fiscale wetgeving nu formeel doorgaat als een belastingparadijs, is geen gevolg van het schandaal rond de “Panama papers” van april 2016.....lees meer
 
15-02-17 Nieuw regime voor deeleconomie is van toepassing vanaf 1 maart
De wet over de fiscaliteit van de deeleconomie is al meer dan een half jaar geleden gepubliceerd, maar treedt pas op 1 maart 2017 effectief in werking. Het probleem is de erkenning van de elektronische platforms.....lees meer
 
26-01-17 Vangnetbepaling vangt minder
Er blijft een zogenaamde vangnetbepaling bestaan die moet verzekeren dat betalingen aan het buitenland toch belast worden ook al is er geen specifieke regel die ze aan belasting onderwerpt.....lees meer
 
25-01-17 Oplossing voor discussie over verzekeringsgift
Een wetswijziging moet een einde maken aan een felle polemiek die eind 2015 losgebarsten is rond de “verzekeringsgift”. ....lees meer
 
website door webalive