nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Fiscaal gedoogbeleid: er zijn grenzen
 
15/12/2004 - Deze tekst is deels geïnspireerd op een tekst die in september 2004 in De Tijd is verschijnen met als co-auteurs Karel Anthonissen (directeur BBI-Antwerpen) en Erwin Francis (directeur COIV).


Een frappant voorbeeld van fiscaal gedoogbeleid : EBA en successierechten.
 
De wettelijke grenzen van het gedoogbeleid over fiscale fraude zijn in het najaar van 2004 in de actualiteit geweest. In het Vlaamse regeerakkoord is afgesproken dat er geen stokken in de wielen worden gestoken van een eventueel federaal gedoogbeleid inzake de Eenmalige Bevrijdende Aangifte voor successierechten. Overeenkomstig het regeerakkoord van juli 2004 zal de Vlaamse Regering "geen ontwerp van decreet houdende invoering van een Vlaamse Eenmalige Bevrijdende aangifte inzake gewestelijke belastingen ter goedkeuring aan het Vlaams parlement voorleggen". De Regering neemt wel "akte van de gevolgen van de aanvaarding door de vorige Vlaamse regering van een deel van de opbrengst van de federale EBA in het overlegcomité dd. 22 september 2003."
 
De wettelijke grenzen van het gedoogbeleid over fiscale fraude zijn in het najaar van 2004 in de actualiteit geweest. In het Vlaamse regeerakkoord is afgesproken dat er geen stokken in de wielen worden gestoken van een eventueel federaal gedoogbeleid inzake de Eenmalige Bevrijdende Aangifte voor successierechten. Overeenkomstig het regeerakkoord van juli 2004 zal de Vlaamse Regering "geen ontwerp van decreet houdende invoering van een Vlaamse Eenmalige Bevrijdende aangifte inzake gewestelijke belastingen ter goedkeuring aan het Vlaams parlement voorleggen". De Regering neemt wel "akte van de gevolgen van de aanvaarding door de vorige Vlaamse regering van een deel van de opbrengst van de federale EBA in het overlegcomité dd. 22 september 2003."
 
Dit is onzes inziens een prototype van een gedoogbeleid waarvan de wettigheid ernstig ter discussie kan worden gesteld.
 
Het straffe aan de zaak is, zoals hierna blijkt, dat het gedoogbeleid eigenlijk een regeringsinitiatief is (of misschien politiek correcter vertaald een compromis tussen een aantal regeringen in dit land) dat, op zijn zachtst uitgedrukt, niet ten volle gedragen wordt door het Vlaamse parlement. Voor een expliciet Vlaams EBA-decreet is er immers blijkbaar geen parlementaire meerderheid gevonden.
 
Aan de oorsprong van de problematiek ligt een politieke polemiek. Eind 2003 hebben de federale overheid en de drie gewestregeringen nog gepoogd om de fiscale amnestie ook voor de gewestelijke belastingen te laten gelden door samenwerkingsakkoorden te sluiten en op parlementair niveau te bekrachtigen. Er werd toen tussen regeringen overeengekomen, dat de betaling van de éénmalige bijdrage van 6% of 9% een bevrijdend effect zou hebben ten aanzien van alle gewestelijke belastingen en in het bijzonder van de ontdoken successierechten. Ook toen bestond daar in Vlaanderen geen parlementaire meerderheid voor. Zo'n samenwerkingsakkoorden hebben echter eerst gevolg nadat zij instemming hebben verkregen bij decreet (Art. 92bis § 1, Bijzondere wet 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, B.S. 15 augustus 1980). Op 13 mei 2004 heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een ordonnantie goedgekeurd om het samenwerkingsakkoord te bekrachtigen (B.S. 23 juni 2004). En op 27 mei 2004 werd een Waals decreet goedgekeurd dat het voordeel van de EBA uitbreidt tot de Waalse gewestbelastingen (B.S. 25 juni 2004).
 
In Vlaanderen werd er géén decreet aangenomen om het samenwerkingsakkoord te bekrachtigen of om de EBA met een decreet ook op de Vlaamse successierechten van toepassing te maken! Bij het ter perse gaan van deze bijdrage is het Vlaamse begrotingsdecreet nog niet gepubliceerd. Doch het valt niet te verwachten dat daarin méér wordt gedaan dan akte genomen van de doorstorting van een deel van de federale EBA-opbrengsten. Blijkens het regeerakkoord neemt de Vlaamse regering wel een “passieve houding” aan ten aanzien van een federale EBA en de gevolgen ervan voor niet aangegeven nalatenschappen. In de praktijk betekent dit dat de Vlaamse regering instemt met het feit dat de federale Minister van Financiën zou gedogen dat een EBA wordt gedaan voor niet aangegeven Vlaamse nalatenschappen.


Zonder afbreuk te doen aan de praktische voordelen van deze houding kan de vraag naar de wettigheid ervan worden gesteld.
 
Wat ons betreft is de zaak klaar. Een federale wet kan geen vrijstelling creëren van gewestelijke belastingen. Zulke bevoegdheid komt enkel aan de gewestelijke wetgever toe (Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 2003-2004, nr. 0353/001, blz. 25). Krachtens artikel 4 § 1 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 zijn immers enkel de gewesten bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1 ° tot 4° - waaronder het successierecht- en 6° tot 9° van deze Wet bedoelde belastingen te wijzigen. De meeste doctrine deelt deze mening (onder meer L. DE BROECK, D. VAN LAERE, en B. COOPMAN, Welcome Black. Praktische gids voor fiscale amnestie, Standaard Uitgeverij, 2004, 24 e.v.; K. JANSSENS, “EBA voor successierechten: geen bescherming maar ook geen extra risico”, Fisc. Act. 2004, nr. 10, 1-2 en G. GOYVAERTS, “Kritische beschouwingen bij een aantal aspecten van de EBA-wet, T.F.R. 2004, (407) 426. En herhaalde malen heeft ook de Raad van State dit in zijn twee adviezen bij de EBA-wet, dd. 9 oktober 2003 en 17 december 2003, bevestigd (Parl. St. Kamer, nr. 353/001, p. 24-26 en Parl. St. Kamer, nr. 353/008, p. 4-6.). Dit advies was aanleiding voor de federale Minister van Financiën om in oktober 2003 (bijna) alle verwijzingen naar de successierechten in het ontwerp van EBA-wet te laten schrappen, voorwaar niet onbelangrijk.
 
Om het EBA-gedoogbeleid voor successierechten te legitimeren werd op bepaalde plaatsen voorzichtig geopperd dat er voor de successierechten misschien geen vrijstelling en dus ook geen Vlaams decreet nodig zouden zijn (mening aangehaald bij V. DAUGINET en I. BOLLINGH (eds.), De eenmalige bevrijdende aangifte, Kalmthout, Biblo, 2004, 135 e.v.). De belastingen waarvoor een EBA is gedaan blijven - volgens deze theorie - als het ware verschuldigd maar ze worden door het artikel 3 van de EBA-wet vermoed onweerlegbaar en definitief voldaan te zijn, zodat ze niet meer kunnen worden "geïnd". Het artikel 3 EBA-wet zou een inningsmaatregel betreffen die behoort tot de groep van proceduremaatregelen; heeft de Raad van State zich niet laten ontvallen dat bij een EBA wordt afgezien van de inning van bepaalde belastingen (Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 2003-2004, nr. 0353/001, 25)? De inning van de successierechten is een praktische administratieve dienstverlening die de Federale overheid verstrekt aan de Gewesten (Parl. St. Kamer 2000-2001, doc. 50, 1183/001, p. 64; onder die dienst verstaat men de materiële berekening van de verschuldigde belasting, de controle van de belastinggrondslag en van de belasting, de inning en de invordering; Art. 5 § 3 Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, B.S. 17 januari 1989). Het Vlaamse Gewest heeft nog niet beslist om zelf zorg te dragen voor de dienst van de inning van de successierechten. Zodoende is de praktische inning van de Vlaamse successierechten nog steeds een federale bevoegdheid. Aangezien de federale Staat deze dienst van de belasting verzorgt volgens de door hem vastgestelde procedureregels, zou dus, steeds in dezelfde leerstelling, het hoger genoemde artikel 3 van de EBA-wet het gedoogbeleid kunnen wettigen (Artikel 5 § 3 Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, B.S. 17 januari 1989). Als dat waar is, kan de Minister afzien van de inning van de successierechten voor wie een EBA indient. Spitsvondig is het alleszins.
 
Het voorgaande blijft in elk geval creatieve en door zin voor pragmatisme ingegeven rechtsvinding. Intellectueel kan de redenering weliswaar niet overtuigen maar ze bevredigt - gemakkelijkheidshalve - heel wat machten en krachten in dit land.


De voorbeelden van fiscaal gedogend beleid zijn legio.
 
Het bovenstaande geval spreekt het meest tot de verbeelding aangezien het in de politieke actualiteit is geweest. Het fiscale gedoogbeleid of de fiscale regimes die niet in een strikt wettelijk kader zijn gegoten, reiken echter nog veel verder dan misschien algemeen wordt gedacht.

Zo bestaan er een aantal incentives om buitenlandse ondernemingen ertoe aan te zetten om in België te investeren. Deze investeerders kunnen zelfs op een fiscaal interessante manier “informeel kapitaal” in Belgische vennootschappen injecteren (cf. de zogenaamde infokap-ruling). Een gelijkaardige aanmoediging schuilt in de negotiatiemogelijkheid over de belastbare marges voor internationaal opererende distributie- en dienstencentra. Voor zover ons bekend kunnen Belgische ondernemingen zulke fiscale voordelen niet genieten. Het belang van het land om vreemde investeerders aan te trekken, op zichzelf natuurlijk een nobele doelstelling, prevaleert hier op een eenvormige en transparante fiscale regelgeving.
 
Bepaalde buitenlandse ondernemingen kunnen via het rulingbeleid fiscale voordelen genieten die Belgische bedrijven niet of minder kunnen krijgen.
 
Ook lagere besturen kunnen bijwijlen op een zekere fiscale clementie rekenen. De gemeentebesturen kunnen volgens de Belgische fiscus zonder veel moeite hun riolering in concessie geven aan een buitenlandse investeerder en deze onmiddellijk terug in subconcessie nemen. Daar zijn nochtans strikt gezien heel wat fiscale problemen aan verbonden, zoals op het vlak van registratierechten, roerende voorheffing, e.a. (voor een inventaris van de fiscale problemen verbonden aan een dergelijke constructie : B. COOPMAN, “Een merkwaardige ruling over de cross border leasing van gemeentelijke riolering”, A.F.T., november 2004).
 
Vrijwilligers worden door de Minister van Financiën ook goed bejegend. Ze kunnen per jaar een bepaald bedrag aan belastingvrije onkostenvergoedingen ontvangen. Als voor de beschreven vrijwilligers en hun opdrachtgever deze terugbetaling van kosten niet hoger is dan (voor aanslagjaar 2004) 26,31 euro per dag en 1.052,25 euro per jaar, dan zal de fiscus deze vergoedingen niet belasten (Zie Fisc. Act. 2003, 38/4; Mededeling in B.S. 23 oktober 2003, 1ste ed., 51700; Circ. AOIF nr. 8/2003, 17 april 2003, Ci.RH.241/509.803; de fiscus heeft de eurobedragen uit de sociale wetgeving overgenomen en volgt ook de sociale indexeringsregel). Feitelijk verleent de circulaire met de mantel der liefde belastingvrijdom voor vergoedingen die dikwijls geen reële onkosten vergoeden.
 
Verdelers van lompen (recuperatietextiel), kunnen onder bepaalde voorwaarden een ontheffing krijgen van de wettelijke verplichting om op hun verkopen van textiel B.T.W. aan te rekenen (Aanschrijving nr. 88 van 15 december 1970; zie ook Parl. Vr. nr. 173 van volksvertegenwoordiger Beerden dd. 5 maart 1981, B.T.W.-Revue, 1981, nr. 50, 526). Dat is in de Belgische wetgeving nergens wettelijk voorzien!
 
In de ene sector mag ook al iets meer dan in de andere. Het probleem van de aftrek van B.T.W. op kosten van onthaal in voetballoges zal ook genoegzaam bekend zijn (cf. Besl. van 7 en 10 juli 1989, nr. E.T. 63.450, B.T.W.-Revue nr. 88, 433.). Worden door de Minister niet als kosten van onthaal beschouwd, bedoeld in artikel 45, § 3, 4° W.B.T.W., maar als publiciteitskosten (waarvoor de B.T.W. voor 100 % aftrekbaar is), de door ondernemingen gedane uitgaven met betrekking tot het gebruik van business-seats en loges voor zover bedoelde ondernemingen door middel van die business-seats en loges onder één of andere vorm publiciteit voeren.
 
Nog een voorbeeld uit de penale sfeer. De fiscale ambtenaren zijn verplicht om wanneer zij kennis krijgen van strafbare feiten (fiscale fraude incluis), deze aan te geven bij het parket conform artikel 29 Sv.. Slechts in een beperkt aantal gevallen wordt deze wettelijke verplichting nageleefd. Het leeuwendeel van de fiscale fraude komt niet voor de strafrechter.
 
Soms moet ook het parket een pragmatische houding aannemen. In een nummer van het tijdschrift Trends van oktober 2004 las ik dat een vooraanstaand parketmagistraat het probleem van het misbruik van vertrouwen en het misbruik van vennootschapsgoederen, hoewel strafbaar, geen prioriteit van het vervolgingsbeleid van de parketten vindt voor zover de betrokken bedrijfsleiders die sommen uit het patrimonium van hun vennootschap hebben “verduisterd”, een EBA doen. Je moet weten dat een EBA voor sommen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een dergelijk misdrijf, wettelijk niet mogelijk is (Art. 2 § 2, eerste gedachtestreep van de EBA-wet). Het is een vorm van pragmatisme waar de belastingplichtige en het parket door slecht wetgevend werk noodgedwongen achterstaan.

Voor elk van de bovenstaande ministeriële of administratieve toegevingen zal er wel altijd een goede verantwoording voorhanden zijn. Daar gaat het ons niet om.

Het overzicht leert alleszins dat het gedoogbeleid niet zomaar een randverschijnsel is en dat bepaalde regelingen vaak contra legem zijn.
 
De pijnlijke vraag naar de sluipende gevaren van een gedoogbeleid: ondermijning van de legitimiteit van de fiscale regelgeving?
 
Het feit dat via ommetjes fiscale gunsten moeten worden bedongen of haast noodgedwongen vrijstellingen worden verleend, leidt tot een rechtsorde die verscheurd wordt door een dichotomie die in de wetgeving zelf niet terug te vinden is. Dat laatste valt te betreuren en is niet zonder gevaren.
 
Dat de uitvoerende macht de wetgeving naast zich neerlegt is niet zomaar een fait divers maar ontneemt als het ware aan de wetgeving zelf zijn legitimatie. In ons fiscaal denkpatroon treedt door zulke fenomenen immers een zekere gewenning op aan een vorm van gedogen dat bijwijlen onwettelijk kan worden genoemd. De fiscale regelgeving blijft dan gehuld in een sfeer van nepotisme. Aan een burger valt niet gemakkelijk uit te leggen waarom hij niet eveneens de wet naar zijn hand zou mogen zetten.
 
In onze ogen schept het geen grote verwondering dat de EBA weinig of geen succes heeft gekend. De rechtsonderhorige is van nature wantrouwig ten opzichte van een wispelturige overheid.  


De kloof tussen wet en praktijk gaapt al voldoende. Een gedoogbeleid gooit maar olie op het vuur.
 
De beschreven vormen van feitelijk gedogen staan in een schril en als onbillijk ervaren contrast met de overreglementering en de universele strafbaarstelling in de fiscale wetboeken. Alle fiscale misdrijven zijn strafbaar met gevangenisstraffen (lees bijvoorbeeld art. 449 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen). Tenzij U met een begrijpend ambtenaar te doen hebt die artikel 29 Sv. niet toepast ? Om met de woorden van een gekend fiscaal advocaat te spreken : we zijn allemaal “voorwaardelijk vrij”.
 
Het gedoogbeleid contrasteert te danig met andere technieken van fraudebestrijding en ontneemt heel wat geloofwaardigheid aan een - althans ogenschijnlijk - repressief overheidsbeleid. De criminalisering van de strijd tegen fiscale planning bijvoorbeeld zou een goed wapen van fraudebestrijding kunnen zijn maar zij moet hand in hand gaan met een aangepast handhavingsinstrumentarium (voor kritische beschouwingen ter zake : L. VANHEESWIJCK, “De criminalisering van de strijd tegen de fiscale planning”, T.F.R. 2004, 467-470). De pakkans moet reëel zijn (terwijl berouw betaalbaar moet zijn). Als bepaalde praktijken van consulenten moeten worden bestraft of wanneer zij bepaalde informatieverplichtingen opgelegd krijgen, dan moet daarvoor een maatschappelijk draagvlak gezocht worden en moet het handhavingsinstrumentarium eraan worden aangepast. Als zo'n reglementering dode letter blijft wordt een zoveelste grijs circuit gecreëerd. Het vertrouwen in de overheid wordt er alleen maar minder om.
 
Kortom, een gedoogbeleid past niet in het plaatje van de fraudebestrijding. Het hoeft niet alleen wenkbrauwen te doen fronsen bij syndicalisten of links geïnspireerde wereldverbeteraars. Ook een neutraal waarnemer vindt het allicht beter mocht een maatschappelijke consensus gevonden kunnen worden over de grondslag en het tarief van onze belastingen en ook over wat strafbaar is en wat niet. Bij gebreke aan maatschappelijke consensus is het simplistisch dat alles strafbaar gesteld wordt, waarna vastgesteld wordt dat zulk een systeem onwerkbaar is, en dan maar in een lagere versnelling te schakelen in het handhavingsbeleid te velde.


Demotivering van gerechtelijke diensten en ambtenarij.
 
Ook de belastingambtenaren en parketmagistraten die het beleid te velde in daden moeten omzetten, raken gedemotiveerd als zij de wet niet mogen toepassen.
 
Meer in het algemeen valt er bij de actoren op het terrein reeds een zekere “moeheid” waar te nemen op het gebied van de bestraffing. Rechters en belastingambtenaren beseffen dat wie zij moeten bestraffen in feite “pechvogels” zijn of het “slachtoffer” waren van verraad. Die moedeloosheid wordt natuurlijk wel in de hand gewerkt daar de wettelijke procedures en de strafbepalingen in de diverse wetgevingen zo ondoorzichtig zijn dat de toepassing ervan voortdurend betwist wordt. Plichtsbewuste fraudebestrijders moeten met de moed der wanhoop verder werken want zij beseffen dat zij zich in een jarenlang juridisch gevecht begeven, dat zij zich daarmee niet geliefd maken bij hun eigen minister die liever niet te veel rechtszaken ziet, en dat veel andere fraudezaken ongemoeid gelaten worden of onbestraft blijven (cf. K. ANTHONISSEN, “De Belgische fiscus en het bagatelbeginsel. Commentaar van een ambtenaar”, A.F.T. 2003, 435-436).
 
Maar het feit dat bepaalde onwettige gedragingen ook nog worden “gedoogd” kan de emmer doen overlopen. Men zou er als fraudebestrijder voor minder de brui aan geven.
 
Dat de overheid de achterstallige belastingen verkoopt aan de meestbiedende bank, is ook geen stichtende boodschap voor de ontvangerij. Ook hier kan men zich trouwens de vraag stellen naar wie de grenzen van het invorderingsbeleid dan gaat uittekenen: de bankier of de ontvanger?
 
Aan de andere kant van het spectrum heb je dan de ontstentenis van wettelijk kader voor een ruling over fraudegevallen. Fiscale ambtenaren die in de ogen van sommigen te toegeeflijk zijn, worden gemakkelijk scheef of argwanend bekeken. Haast noodgedwongen overtreden zij bovendien wanneer zij de wet matigend willen toepassen, dwingende wetsbepalingen wat hun nochtans redelijk begrijpelijke mildheid niet bevordert.
 
Als je weet dat zelfs de Europese Commissie kregelig wordt als een hoge B.T.W.-schuld in het kader van een minnelijke regeling door de Minister van Financiën tot redelijker proporties wordt gereduceerd, kan je je perfect inbeelden dat een lagere ambtenaar weinig verantwoordelijkheid meer zal durven of willen nemen.
 
De ambtenaren vertoeven in een haast onmogelijke positie als zij in een wankel wettelijk kader moeten opereren.  


Gedoogbeleid als onbehoorlijk handelen.
 
De overheid die bepaalde verwachtingen schept, moet deze ook honoreren. Het vertrouwensbeginsel eist zijn rechten op. Wanneer de burger te goede trouw bepaalde verwachtingen heeft over de fiscale wetgeving, is het onbehoorlijk wanneer de overheid deze verwachtingen achteraf niet blijkt te kunnen inlossen. Voor een “gedoogbeleid” kan dat niet zo'n leuke effecten hebben. Het vertrouwensbeginsel heeft niet minder rechtskracht wanneer de uitvoerende macht de wetgeving contra legem interpreteert (V. DAUGINET en Y. LOIX, “Over de schijnbaar moeilijke verzoening tussen de legaliteit en de rechtsbescherming tegen onbehoorlijk bestuur in de fiscaliteit”, A.F.T. 2003, (234) 241). De onbehoorlijkheid van het overheidshandelen wordt er des te groter om. En zelfs als de burger geen subjectieve rechten zou kunnen ontlenen aan het opgewekte vertrouwen, aangezien dit alsdan in strijd zou kunnen komen met het legaliteitsbeginsel, kan het onbehoorlijk beleid in ieder geval de aansprakelijkheid van de uitvoerende macht in het gedrang brengen.
 
Een dergelijke overheidsaansprakelijkheid is niet puur denkbeeldig. Als een minderheidsaandeelhouder van een bedrijf vaststelt dat buiten een wettelijk gereglementeerd kader een akkoord tot stand komt tussen zijn bedrijf en de fiscus dat er feitelijk op neerkomt dat de bestuurders die bepaalde bedragen uit het vennootschapsvermogen hebben verduisterd, vrijuit gaan, dan kan die minderheidsaandeelhouder zich geschaad weten door de fiscale cash drain uit de vennootschap.
 
Nog een voorbeeld. Als een EBA-ist over een niet verjaarde nalatenschap een EBA indient en achteraf geconfronteerd wordt met een overijverig federaal ambtenaar die de inning van de nog niet verjaarde successierechten in het Vlaams Gewest nastreeft, wat voor die ambtenaar een legitieme actie kan zijn, heeft de federale overheid met haar gedoogbeleid een fout gemaakt die aan de EBA-ist schade heeft berokkend te begroten op 6 % of 9 % van het geregulariseerde kapitaal.


Tussentijds besluit : beter niet “gedogen” maar duidelijke wetten maken.
 
Een fiscaal gedoogbeleid houdt zekere gevaren in zich en staat wars op een wenselijke mentaliteitswijziging.
 
Er staat trouwens ook een grondwettelijk verbod op een gedoogbeleid. In het fiscale recht mogen geen voorrechten en privileges worden verleend (Art. 172 van de Grondwet).
 
Dit alles in acht nemend kan het feit dat de wetgever zijn eigen wetgeving niet meer kan volgen of begrijpen wegens te complex, zeker geen excuus zijn voor een gedoogbeleid.

Als er duidelijke wetten zijn, waar gebeurlijk strenge straffen op kunnen staan, en als dat hand in hand kan gaan met haalbare belastingtarieven, dan kan dit naar ons oprecht gevoelen, het civisme van de burger alleen maar aanwakkeren. Een eenvoudige en transparantere wetgeving is beter uit te leggen en gemakkelijker afdwingbaar.  


De actio furti als rechtshistorische leermeester : strenge straffen op duidelijke regels ?!
 
Neem nu in het oude Romeinse recht de actio furti. Dat was een duidelijke regel die erin voorzag dat het slachtoffer van een diefstal kon eisen dat een dief het gestolen goed teruggaf met een toeslag of een boete van 200%. Voor een gestolen paard kon de paardendief dus worden gedwongen drie paarden terug te geven. Dat is een klare regel met een strenge strafmaat. Hij maakte een merkwaardige combinatie van privaat en publiek recht, of van strafrecht en burgerlijk recht. De straf werd uitgesproken door een publiek orgaan (de praetor), maar de boete kwam toe aan het slachtoffer. In vergelijking met andere rechtsstelsels, die ook streng zijn voor dieven, bijvoorbeeld door de amputatie van een hand, was de Romeinse actio furti een streng maar beschaafd afschrikkingsmiddel.

Deze juridische regel bestaat in ons recht nog steeds, niet meer voor paardendieven maar wel voor belastingfraudeurs. Al onze belastingwetten kennen in geval van fraude namelijk een belastingopslag van 200%. Het moet wel gaan om aangetoonde opzettelijke fraude, wetens en willens en met bedrieglijke inzichten begaan. De meeste van onze belastingwetten kennen in geval van fraude een belastingopslag van 200%, of met andere woorden: de fraudeur moet aan de belastingontvanger niet alleen de ontdoken belasting terugbetalen maar daarbovenop nog eens het dubbele. De gelijkenis met de actio furti is frappant. Het is de belastingontvanger die de opslag mag innen, dus het slachtoffer van het bedrog. Het moet inderdaad ook wel gaan om aangetoonde opzettelijke fraude, wetens en willens en met bedrieglijke inzichten begaan. Wie per ongeluk met het verkeerde paard naar huis gereden was nadat hij een beker te veel Romeinse wijn gedronken had, moest vanzelfsprekend ook alleen maar dat ene paard terugbrengen. Hij kreeg als een vrij man zelfs zijn eigen paard nog terug, nadat hij zijn vergissing ingezien heeft. In ons fiscaal recht is echter vooral de strenge straf achtergebleven. De gevolgen van een fiscaal delict kunnen enorm zijn. Wie opzettelijk 21% BTW “vergeten” is, gaat eraan voor 63%. Dan hebben wij het nog niet over de inkomstenbelastingen, met tarieven tot 55%, of over situaties waarin én BTW én inkomstenbelastingen én sociale zekerheidsbijdragen worden opgevorderd. Wat de fiscale wetgever in zulke gevallen eist, is niet het drievoudige van het gestolen goed, maar eigenlijk het drievoudige van het hele inkomen. Het aanslagtarief van 300% op zogenaamde geheime commissielonen in de vennootschapsbelasting wordt aldus verantwoord: naast elke 100 euro in het zwart betaalde lonen moet men 300 euro belasting leggen. Omgekeerd gerekend betekent zulks dat van 400 euro bruto nog 100 euro netto overblijft. Soms is dat met officieel aangegeven inkomsten niet veel meer. Wanneer de belastinginspecteur of de fiscale rechter oordeelt over schuld of onschuld, dan komt zijn beslissing neer op het al of niet uitspreken van een moderne vorm van (fiscale) slavernij.
 
Daarbij komt nog de correctionele rechtbank daar bovenop nog eens de verbeurdverklaring kan uitspreken van de ontdoken belastingen als wederrechtelijke vermogensvoordelen uit het fiscale misdrijf. Voor het witwasmisdrijf is de verbeurdverklaring zelfs verplicht (Art. 505, derde lid Sw.).
 
Zeker daar er zo'n strenge straffen bestaan, heeft de fiscale wetgeving nood aan klare regels in plaats van blanco-normen en aan een adequaat handhavingsinstrumentarium zodat het gros van de hardnekkige fraudeurs niet ongestraft blijft. De overtreding van een gelimiteerd aantal duidelijke regels kan met des te meer slagkracht worden aangepakt. Wat nog maar eens een pleidooi is voor de afschaffing van de universele strafbaarstelling.

Men kan onder die voorwaarde voorstander zijn van het soort zware fiscale heffingen of boetes waarvan hierboven sprake, als afschrikkingmiddel dan. Een van de voorwaarden daarvoor is wel dat deze sancties te allen tijde gematigd kunnen worden, en dat er uiteraard geen dubbele sancties worden uitgesproken. Wij pleiten elders in dit werk voor een betere invulling en uitwerking van de randvoorwaarden van zo'n matiging (voor een meer technische benadering en voorstellen voor een betere omkadering van een beleid dat een rationele benadering van de fraude toelaat, zie ANTHONISSEN K., COOPMAN B. en FRANCIS E., “Naar een proportionele sanctionering van financiële en fiscale fraude : denkpistes voor een “betere inning”, elders in dit werk; ook gepubliceerd in A.F.T. januari 2004).


Duidelijke regels, strenge straffen, “redelijke” handhaving.
 
Hoger hebben we al aangegeven dat het invoeren van duidelijke en afdwingbare fiscale en strafrechtelijke regels hand in hand moet gaan met eerlijke en realistische belastingschalen. In een ideale wereld worden alle belastingen niet alleen in wetten gegoten maar ook en vooral gevestigd én geïnd.
 
Dat belastingschalen beter bij de realiteit zouden moeten aansluiten en dat ze het voorwerp moeten uitmaken van een maatschappelijke consensus, is een mooie gedachte maar is uiteraard een proces van jaren.
 
Zeker in de komende jaren zal dus ook met zoveel te meer zin voor realisme aan fiscale handhaving moeten worden gedaan voor delicten die - voor nog een tijd - zullen stammen uit een tijdperk waarin de realistische belastingschalen nog geen feit zijn.

Matiging en realisme zijn natuurlijke bondgenoten en hoeven trouwens niet te vloeken met het rechtsgevoel van de burger. 

Een aantal voorbeelden illustreren de nood aan enig pragmatisme bij het handhavingsbeleid. 
 
In ons strafbestel komt valsheid in geschrifte normaliter voor de strafrechter. Bij het faillissement van een scheepswerf in het Antwerpse is gebleken dat alle denkbare geschriften vervalst waren: bestekken, contracten, de boekhouding, alles, en dit ongetwijfeld mét medeweten van overheidsfunctionarissen in de raad van bestuur. Na tien jaar en twee parlementaire commissies, die ondermeer concludeerden dat het gerecht “zijn werk moest doen”, is er nog geen spoor van een eindvordering voor de correctionele rechtbank
 
Dezelfde rechtbank verleende aan een baggeraar opschorting van straf voor het omkopen van een belastingcontroleur. Er werd schande gesproken over deze “klassenjustitie”. Nochtans zou men tevreden kunnen zijn mocht dezelfde rechter in de zaak van de scheepswerf de kans krijgen dezelfde veroordeling uit te spreken! De baggeraar kreeg maar een lichte of zelfs geen straf, maar de publieke veroordeling en acceptatie van schuld hebben het rechtsgevoel grotendeels hersteld. En daar gaat het hem om.
 
De F.B.B.-dossiers liggen ondertussen ook meer dan tien jaar onder het stof en hebben ondertussen zeer recent zelfs aanleiding gegeven tot een herschrijving van de wetsartikelen die de verjaring in fiscale zaken regelen (cf. A. VISSCHERS, “Fiscale spitstechnologie d.m.v. F.B.B.-constructies : een stand van zaken”, T.F.R. 2004, 493; Cf. voor een beschrijving van de cassatierechtspraak en de reparatiewet: J. SPEECKE, “Verdere preciseringen na de cassatierechtspraken van 10 oktober 2002 en 21 februari 2003 in verband met de rol van het dwangbevel in het kader van de stuiting van verjaring van betwiste belastingen”, T.F.R. 2004, 206-207). Noch fiscaal noch strafrechtelijk is daar een uitkomst in zicht die ons rechtsgevoelen kan bevredigen.
 
Een “alles of niets”-koers heeft haar ondeugdelijkheid voldoende bewezen. Als er wettelijk een zwaar strafarsenaal bestaat (drie paarden voor één gestolen paard), maar er in enigerlei mate verzachtende omstandigheden kunnen worden gevonden, dan moet het volgens veel belastingambtenaren met zin voor realisme volstaan om de schade te doen herstellen. De belastingwetboeken, het Strafwetboek en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voorzien reeds een aantal mogelijkheden om sancties te matigen. Belastingambtenaren zouden met een duidelijker wettelijk kader nog meer kunnen worden aangespoord om te matigen waar het behoort. Wanneer een betrapte fraudeur zich min of meer in regel wil stellen, waarom zou hem dan geen regeling toegestaan worden?

Het rechtsgevoel van de gewone burger en van de brave belastingbetaler kan daar ook maar wel bij varen.

Bart COOPMAN, advocaat bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN



18-09-17 Aanslag geheime commissielonen: Grondwettelijk Hof perkt ontsnappingsroute in
In principe volstaat het nu om de verkrijger van een “geheim commissieloon” tijdig te identificeren om aan de aanslag geheime commissielonen te ontsnappen. ....lees meer
 
08-09-17 Nieuwe Omzettingstabellen vruchtgebruik gepubliceerd
Men weet dat onze wetgever in 2014 eindelijk werk heeft gemaakt van de wijze waarop het erfelijke vruchtgebruik van de langstlevende echtgenote gewaardeerd moet worden, indien de omzetting wordt gevraagd en de partijen (echtgenoot-vruchtgebruiker versus kinderen-blote eigenaars) daarover geen akkoord kunnen vinden.....lees meer
 
01-09-17 Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:....lees meer
 
08-08-17 Régularisation fiscale: formulaires pour "montants non-scindés" publiés au moniteur belge (M.B. 31/07/2017)
Le 23 mai 2017, le Gouvernement fédéral et le Gouvernement flamand ont conclu un accord de coopération sur les « montants non-scindés » relatifs au capitaux fiscalement prescrit.....lees meer
 
website door webalive