nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
RV op liquidatie- en inkoopboni is niet ongrondwettelijk
20/07/2004 - Op 23 juni 2004 heeft het Arbitragehof uitspraak gedaan over de eerste in een lange rij beroepen tot vernietiging van de hervorming van de Vennootschapsbelasting. Dat de RV op liquidatie- en inkoopboni met terugwerkende kracht ingevoerd is, is ongrondwettelijk. Maar de heffing zelf is niet vernietigd, ondanks de omstandige motivering van de verzoekschriften (Arbitrage 23 juni 2004, 109/2004, 110/2004 en 111/2004).

Niet alleen de retroactieve invoering van de liquidatieheffing werd gecontesteerd, ook de heffing zelf werd aangevochten in een hele reeks verzoekschriften. Het Arbitragehof heeft maar liefst drie arresten nodig om op alle argumenten te antwoorden. Maar alle grieven tegen de liquidatieheffing van 10% zelf worden afgewezen.

Meerwaarden vs. liquidatieboni
Het Arbitragehof geeft weliswaar toe dat er een verschillende behandeling is tussen de belasting van een meerwaarde op aandelen en een liquidatiedividend, hoewel dat laatste fiscaaltechnisch ook als een meerwaarde op een aandeel wordt beschouwd (Cass. 30 november 1950, Pas. I, 191; G. Kleynen, La nouvelle loi portant des dispositions fiscales, CedSamson, 1990, 53 en J. KIRKPATRICK, "La liquidation, la fusion et la scission des sociétés belges" in Le régime fiscal des sociétés en Belgique, Editions du Jeune Barreau, 1990, 223). Dat verschil in behandeling is echter volgens het Arbitragehof niet discriminerend (niet ongrondwettelijk) omdat het verantwoord wordt doordat via de liquidatie of de inkoop van eigen aandelen de roerende voorheffing op een dividenduitkering kan worden vermeden. De wetgever mag dat probleem aanpakken door een specifieke maatregel uit te werken die de coherentie herstelt. De algemene anti-misbruikbepaling (art. 344 § 1 WIB 1992) volstaat daarvoor niet noodzakelijk.

Oude vs. nieuwe reserves
Er was ook opgeworpen dat het discriminerend en ongrondwettelijk is dat, hoewel oude reserves reeds zijn belast aan de vroegere hoge tarieven van de vennootschapsbelasting en de vanaf aanslagjaar 2004 aangelegde reserves volgens de Wet van december 2002 aan een lager tarief van vennootschapsbelasting onderworpen worden, beide soorten reserves nu – bij uitkering na liquidatie of een inkoop van aandelen – aan dezelfde 10%-heffing onderworpen worden. Dat ook oude, hoog belaste reserves de heffing moeten ondergaan, lijkt moeilijk te verantwoorden omdat de heffing juist een compensatie is voor de verlaging van het Ven. B.-tarief. De uitkering van «oude reserves» (een spaarpot voor veel KMO’s) zou aldus door de invoering van de liquidatieheffing een relatief zwaarder belastingregime krijgen (minstens ca. 45%, namelijk 39% Ven. B. – in vroegere jaren nog meer – plus 10% RV en ACB t.o. ca. 39% voor nieuwe reserves, namelijk het nieuwe tarief van 33% plus 10% RV en ACB), wat gelet op de zogenaamde budgettaire neutraliteit van de hervorming niet te verantwoorden zou vallen.

Het Arbitragehof meent echter dat van een dergelijke discriminatie geen sprake is omdat de wetgever niet expliciet een budgettaire neutraliteit zou hebben nagestreefd eind 2002 maar een misbruik wou aanpakken en de coherentie wou herstellen tussen de belasting op dividenduitkeringen en gelijkaardige betalingen. Het stond de wetgever dus vrij om de invoering van de liquidatieheffing onmiddellijk te laten ingaan, ook voor oude reserves.

Vennootschappen vs. zelfstandigen
De belastingplichtigen hadden eveneens opgeworpen dat door de bestreden bepalingen ondernemers die hun onderneming in een vennootschapsvorm onderbrengen, bij de stopzetting van hun activiteit zwaarder worden belast dan ondernemers die als zelfstandige hun activiteit uitoefenen. Het Arbitragehof antwoordt daarop dat het door de wetgever in het leven geroepen onderscheid berust op een objectief criterium dat ook pertinent was ten opzichte van het doel van de maatregel, namelijk te vermijden dat gereserveerde winsten van vennootschappen nog langer belastingvrij worden uitgekeerd. De wetgever mocht dus redelijkerwijs oordelen dat bij het uitkeren van die reserves een tarief moet worden toegepast dat verschilt van het tarief dat van toepassing is op een natuurlijke persoon die zijn activiteit stopzet.

Beleggingsvennootschappen vs. gewone
De verzoekende partijen hadden ook betoogd dat er een onredelijk verschil in behandeling ontstaat tussen beleggingsvennootschappen en gewone vennootschappen. Uitkeringen door een beleggingsvennootschap die is onderworpen aan een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht, zijn immers uitgesloten van de heffing op de vereffenings-of verkrijgingsuitkeringen. Maar de wetgever beoogde, aldus het Arbitragehof, bij de kapitalisatie-beveks een economische transparantie te bewerkstelligen waarbij voor de aandeelhouders de belegging in aandelen van een beleggingsvennootschap neutraal moest zijn in vergelijking met een rechtstreekse belegging in de onderliggende financiële instrumenten. Daarom mocht er geen belasting komen op de meerwaarden die worden gerealiseerd via de techniek van verkrijging van eigen aandelen aan inventariswaarde – techniek die eigen is aan kapitalisatie-beveks –, vermits meerwaarden op aandelen waarin een particulier rechtstreeks belegt, onbelast blijven (als een en ander past binnen het normaal beheer van zijn privé-vermogen). Bovendien, vervolgt het Arbitragehof, is het eigen aan kapitalisatie-beveks dat zij wettelijk verplicht zijn om op simpel verzoek van hun aandeelhouders eigen aandelen in te kopen tegen inventariswaarde, in tegenstelling tot andere vennootschappen, die aan strikte voorwaarden en beperkingen zijn onderworpen wat betreft de verkrijging van eigen aandelen. O.m. om die redenen mocht de wetgever, aldus het Arbitragehof, terecht de uitkeringen van kapitalisatie-beveks uitsluiten van de toepassing van de roerende voorheffing en personenbelasting.

Buitenlandse vs. binnenlandse vennootschappen
Op de ingeroepen discriminatie tussen vereffenings- en verkrijgingsuitkeringen die door buitenlandse vennootschappen worden uitgekeerd, en waarop in België geen roerende voorheffing wordt ingehouden, en de door Belgische vennootschappen uitgekeerde vereffenings- en verkrijgingsuitkeringen, antwoordde het Arbitragehof dat dit verschil in behandeling redelijk verantwoord is aangezien die buitenlandse uitkeringen spontaan moeten worden aangegeven in de aangifte personenbelasting en afzonderlijk belast worden. Aan het einde van de rit worden ze dus evengoed belast, zij het in de PB i.p.v. via de RV. Op de suggestie van de verzoekers dat de meeste begunstigden de aangifte in de PB "vergeten", gaat het hof niet in.

Philippe MISSOUL, advocaat bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN



24-05-17 Fiscale regularisatie: samenwerkingsakkoord op regeringsniveau over ‘onsplitsbare bedragen’
Op 23 mei 2017 is er – uiteindelijk en gelukkig maar - een samenwerkingsakkoord afgesloten tussen de Federale en de Vlaamse regering omtrent de zogenaamde ‘onsplitsbare bedragen’ m.b.t. verjaard oorsprongskapitaal. ....lire la suite
 
23-05-17 Fiscus kan nog gemakkelijker rekeningen controleren
Het Centraal Aanspreekpunt (CAP) bij de Nationale Bank houdt de gegevens bij van alle bankrekeningen in het land.....lire la suite
 
22-05-17 BTW-administratie krijgt meer armslag om fraude aan te pakken
Ambtenaren van de BTW krijgen nu meer mogelijkheden om beslag te leggen in gevallen waarin zij vrezen dat de verschuldigde BTW niet betaald zal worden.....lire la suite
 
21-05-17 Aangifte personenbelasting moet binnen tegen 29 juni, 13 juli of 26 oktober 2017
In de loop van mei verstuurt de fiscus de formulieren voor de aangifte in de personenbelasting voor aanslagjaar 2017. De uiterste indieningsdata zijn: ....lire la suite
 
site web par webalive