nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Links   General conditions  
  VAT news - VAT invoicing and long term hire
 
Arbitragehof vernietigt terugwerkende kracht van liquidatieheffing
20/07/2004 - Het Arbitragehof heeft de retroactieve invoering vernietigd van de roerende voorheffing van 10% op inkoop- en liquidatieboni. Met een bericht in het Staatsblad kon die heffing immers niet ingevoerd worden, en de wet zelf is pas eind 2002 in het Staatsblad verschenen. Voor 2002 is de heffing dus ongrondwettelijk. Het probleem is dat de vernietiging niet geldt voor de Personenbelasting. In theorie zou de fiscus dus de mogelijkheid kunnen hebben om de vernietigde RV-aanslag te «recupereren» via de PB. Maar veel heeft de fiscus daar waarschijnlijk niet meer aan, vermits de gewone aanslagtermijn voor 2002 (aj. 2003) afloopt op 30 juni 2004 (Arbitragehof 23 juni 2004, arrest nr. 109/2004).

Hervorming Ven. B. brengt liquidatieheffing
Tot vóór de hervorming van de Vennootschapsbelasting werden uitkeringen bij de (gehele of gedeeltelijke) vereffening van een vennootschap en bij de verkrijging van eigen aandelen niet belast. De uitkering van een liquidatiedividend (liquidatiebonus) na ontbinding en vereffening van een vennootschap kon dus belastingvrij gebeuren. De belastinghervorming maakte een einde aan die vrijstelling en heeft een inkomstenbelasting en een roerende voorheffing van 10% ingevoerd op die vereffenings- en verkrijgingsuitkeringen (Wet van 24 december 2002, BS 31 december 2002, zie o.m. R. De Blauwe, «De nieuwe liquidatiebelasting», AFT 2003, speciaal nr., 72). De invoering van die heffing was een van de budgettaire compensaties voor de verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting. De regering wou immers dat de hervorming van de vennootschapsbelasting budgettair neutraal verliep.
De betrokken inkomstenbelasting en de roerende voorheffing van 10 % waren verschuldigd op de inkomsten die waren toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2002 en voor zover, als het ging om de ontbinding van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap, de vereffening niet was afgesloten vóór 25 maart 2002 (art. 32 § 1 eerste lid Wet van 24 december 2002).

Verboden retroactiviteit voor RV, niet in PB
Het Arbitragehof stelt nu vast dat artikel 32, § 1, eerste lid van de Wet van 24 december 2002 van toepassing was op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken, namelijk op uitkeringen die reeds waren toegekend of betaalbaar waren gesteld op het ogenblik dat de wet in werking trad.

Maar van een echte retroactiviteit is volgens het Arbitragehof alleen sprake met betrekking tot de voorheffing. Want inzake de inkomstenbelasting (PB) mocht de wetgever, aldus het Arbitragehof, de belasting op liquidatie- en inkoopboni geldig in werking laten treden op 1 januari 2003, ingevolge artikel 4 van de Wet van 31 mei 1961 «betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordening». De reden : het feit waarop de inkomstenbelasting betrekking heeft, het jaarinkomen, is pas definitief voltrokken op het einde van het belastbaar tijdperk (in dit geval 31 december 2002). De voorwaarden voor belastingheffing in de inkomstenbelasting kunnen dus niet worden beschouwd als zijnde definitief vastgelegd vóór het einde van het jaar (zie ook Fisc. Act. 2003, 43/7 en 1999, 42/3).

Geen voldoende verantwoording voor retroactiviteit
Wat de voorheffing betreft, betreurt het Arbitragehof dat de wetgever geen enkele serieuze verantwoording geeft voor de retroactieve werking. Volgens het hof kan retroactiviteit immers enkel worden verantwoord op grond van bijzondere omstandigheden, met name als zij onontbeerlijk is voor een doelstelling van algemeen belang, zoals de goede werking of de continuïteit van een openbare dienst. Niet-retroactiviteit is immers het principe (zie Cass. 22 oktober 1970, concl. proc.-gen. Ganshof Van der Meersch, Rec.J.Dr.Adm. 1971, 144; P. Van Orshoven, «Non scripta, sed nata lex», RW 1989-90, 1375; P. Claeys-Boúúaert, «Algemene beginselen van het recht. 15 jaar rechtspraak van het Hof van Cassatie», RW 1986-87, 913 en 977; F. Debaets, «De algemene rechtsbeginselen in het administratief recht», TBP 1988, 644; R. Soetaert, «Rechtsbeginselen en marginale toetsing in Cassatie», in Liber Amicorum J. Ronse, Brussel, Story-Scientia, 1991, 51; F. Vanistendael, «Algemene beginselen in het belastingrecht», AFT 1989, 311).

De bekommernis om de ongewenste gevolgen van een vrijstelling te vermijden, kan, aldus het Arbitragehof, voor de wetgever wel een reden zijn om de vrijstelling zonder uitstel te moduleren of af te schaffen, maar volstaat niet om de terugwerkende kracht van de wetswijziging te verantwoorden. Het Arbitragehof oordeelt uiteindelijk dat niets de terugwerkende kracht van de roerende voorheffing verantwoordde, ook niet het feit dat vermeende misbruiken zouden worden aangepakt.

Daarom vernietigt het Arbitragehof artikel 32, §1, eerste lid van de Wet van 24 december 2002 in zoverre het de vereffenings- en verkrijgingsuitkeringen die zijn toegekend of betaalbaar zijn gesteld vóór 1 januari 2003 aan de roerende voorheffing onderwerpt.

Bericht in Staatsblad kan wet niet vervangen
Noteer dat de invoering van de liquidatieheffing in het Belgisch Staatsblad nochtans reeds was aangekondigd op 23 april 2002. Maar dat heeft de wetgever niet gebaat. De roerende voorheffing op de uitkeringen die werd geïnd gedurende het ganse aanslagjaar 2002 – dat is het volledige kalenderjaar 2002 voor de roerende voorheffing – blijkt onverschuldigd te zijn geweest. Zo’n bericht in het Staatsblad heeft nu eenmaal geen kracht van wet.

Automatische heropening bezwaartermijn
De Belastingadministratie kan zich alvast verwachten aan een reeks verzoeken tot ontheffing voor 2002 met betrekking tot reeds ingekohierde roerende voorheffingen.

In ieder geval is het nog mogelijk om een bezwaar in te dienen – zelfs als de gewone termijn daartoe al verstreken is – in toepassing van artikel 18 van de Wet op het Arbitragehof. Die bepaalt namelijk dat een vernietigingsarrest een nieuwe bezwaartermijn opent van zes maanden vanaf de bekendmaking van het arrest van het Arbitragehof in het Belgisch Staatsblad.

Of daarnaast ook ambtshalve ontheffing mogelijk is, is betwist (zie o.m. Fisc. Act. 2001, 25/5 en 2003, 17/12), maar dat is in dit geval toch minder interessant voor de belastingplichtige, vermits die termijn maar loopt tot eind 2004 voor de RV van 2002.

Hoe dan ook, de Administratie kan er niet onderuit de in het jaar 2002 ingehouden roerende voorheffing terug te storten.

Aanslag in de Personenbelasting in de plaats ?
Voor de roerende voorheffing zal er dus geen enkel probleem zijn om het arrest van het Arbitragehof toe te passen. Maar zoals gezegd geldt de vernietiging van de terugwerkende kracht alleen voor de roerende voorheffing. De vraag is dus of de Belastingadministratie nog in de mogelijkheid zal verkeren om personenbelasting (ook aan 10 %) in te kohieren in hoofde van de genieters.

Mogelijk zal zij effectief trachten de liquidatie- en inkoopboni van 2002 alsnog te belasten in de personenbelasting, als «alternatief» voor de (voor 2002) vernietigde RV. Merk overigens op dat een aanslag in de personenbelasting wegens de gemeentelijke opcentiemen duurder uitkomt dan de roerende voorheffing. De hamvraag is natuurlijk in hoeverre een aanslag in de personenbelasting (nog) mogelijk is.

Gelet op artikel 313 van het WIB 1992 kan er voor het jaar 2002 geen sprake zijn geweest van een aangifteplicht voor liquidatie- en inkoopboni (art. 21 2° lid WIB 1992). De regel is immers dat men, als de roerende voorheffing te gepasten tijde gekweten is, niets hoeft aan te geven in de personenbelasting.

Verlengde aanslagtermijnen niet van toepassing
Dat is van groot belang om te bepalen welke aanslagtermijn de fiscus mag gebruiken. De vraag is immers vooral of de Administratie de bijzondere aanslagtermijn van drie jaar kan toepassen (art. 354 WIB 1992). De gewone aanslagtermijn voor de roerende inkomsten van 2002 is immers reeds verstreken op 30 juni van 2004 (art. 359 WIB 1992). Maar als artikel 354, eerste lid toepasbaar is («niet-aangifte»), kan de Administratie de in 2002 verkregen liquidatie- en inkoopboni nog tot 31 december van 2005 belasten in de personenbelasting. Voorwaarde om die bijzondere aanslagtermijn te kunnen toepassen, is dat de belastingplichtige nagelaten heeft aangifte te doen van de liquidatieboni. Maar de belastingplichtige die vaststelde dat er al een voorheffing was ingehouden door de uitkerende vennootschap, kan niet verweten worden dat hij zijn liquidatieboni in tempore non suspecto niet aangegeven heeft. De aanslagtermijn van artikel 354, tweede lid van het WIB 1992 kan bijgevolg niet meer worden toegepast.

Ook artikel 358, § 1, 1° WIB 1992 zal de fiscus geen soelaas bieden, aangezien er moeilijk in 2002 een overtreding van de bepalingen inzake roerende voorheffing kan worden vastgesteld.

Of die stelling ook doorgetrokken kan worden voor het geval dat de roerende voorheffing niet gekweten was maar pas achteraf – vanwege het arrest nr. 109/2004 van het Arbitragehof – onverschuldigd bleek, is een andere vraag. Maar ook daar is er in principe geen probleem, vermits het Arbitragehof uitdrukkelijk zegt dat er geen roerende voorheffing kon bestaan vóór de publicatie van de wet in het Staatsblad van 31 december 2002. Men mocht eigenlijk zelfs geen voorheffing inhouden vóór die datum, bericht in het Staatsblad of niet.

Daarover is waarschijnlijk nog niet alles gezegd. Net zo min als over het geval waarin reeds een voorheffing was ingekohierd die nu dus nietig blijkt te zijn geweest.
Hoe dan ook, een aanslag in de personenbelasting is dus minstens procedureel onmogelijk geworden. Het is nu nog wachten op een duidelijk standpunt van de Administratie.

Philippe MISSOUL, advocaat bij DE BROECK VAN LAERE VAN CAMP COOPMAN



16-02-17 Panama en Guatemala zijn nu officieel belastingparadijs
Dat Panama volgens de Belgische fiscale wetgeving nu formeel doorgaat als een belastingparadijs, is geen gevolg van het schandaal rond de “Panama papers” van april 2016.....read more
 
15-02-17 Nieuw regime voor deeleconomie is van toepassing vanaf 1 maart
De wet over de fiscaliteit van de deeleconomie is al meer dan een half jaar geleden gepubliceerd, maar treedt pas op 1 maart 2017 effectief in werking. Het probleem is de erkenning van de elektronische platforms.....read more
 
26-01-17 Vangnetbepaling vangt minder
Er blijft een zogenaamde vangnetbepaling bestaan die moet verzekeren dat betalingen aan het buitenland toch belast worden ook al is er geen specifieke regel die ze aan belasting onderwerpt.....read more
 
25-01-17 Oplossing voor discussie over verzekeringsgift
Een wetswijziging moet een einde maken aan een felle polemiek die eind 2015 losgebarsten is rond de “verzekeringsgift”. ....read more
 
website by webalive