nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
SCHEMA INNING EN INVORDERING
 
07/05/2004 - Bericht aan de studenten van Prof. Leo DE BROECK. Hierna volgt het schema van de cursus Inning en Invordering. Dit schema vormt naast uw lesnota’s een hulpmiddel om de leerstof voor het vak Inning en Vervolging in te studeren.

De belangrijkste “reflexen” worden in dit schema behandeld. De lesnota’s blijven evenwel ook belangrijk. Zoals steeds in de lessen is benadrukt, komt het er in het bijzonder op neer logisch te redeneren eerder dan te memoriseren. Zo gaat het er immers ook in de praktijk aan toe. Alle wetboeken zijn toegelaten. Let er evenwel voor op dat nog midden vorig jaar een aantal belangrijke wijzigingen is doorgevoerd (o.m. wijziging artikel 394 WIB 1992). Alvast veel succes!


1. Inleidend hoofdstuk

Wettelijke basis:

- Inkomstenbelastingen: WIB 1992, maar ook het KB tot uitvoering van het WIB

- BTW: inz. WBTW (slechts een paar artikelen - de invorderingsmaterie wijkt immers minder af van het gemeen recht)

- Successierechten, registratierechten: slechts een paar artikelen voorzien in de respectieve wetboeken (cf. BTW)

- Douane en accijnzen: aparte regeling (ook na fiscale procedurewetten van maart 1999 - is erg repressieve materie, waar de ambtenaren verregaande bevoegdheden krijgen toegewezen - huiszoeking, fouilleren, …)

- Voor alle belastingtakken: Burgerlijk Wetboek (bijv. om na te gaan welk vermogen van een gehuwde belastingplichtige mag worden aangesproken, tenzij afwijking in een fiscale wet, zoals bijv. artikel 394 WIB 1992 – zie hierna), Gerechtelijk Wetboek (met o.m. beslagrecht, maar in deze cursus komt dit niet aan bod)

Belangrijkste “spelers” bij invordering:

- Ontvanger: dualiteit ! is zowel “rekenplichtige” (verantwoording verschuldigd aan het Rekenhof - Ontvanger is persoonlijk aansprakelijk) als “ambtenaar” (onder het gezag van de Minister van Financiën)

- Comptabiliteitsinspecteur en (adjunct-)Directeur: controleren de goede werking van de ontvangkantoren, maar kunnen Ontvanger niet bevelen om bijv. een afbetalingsplan toe te staan

- Juridische cellen: adviseren Ontvangers

Belangrijkste taken van een Ontvanger:

- Onderzoeksbevoegdheden (art. 319bis WIB 1992) - doelgebonden bevoegdheden (enkel met het oogmerk tot invordering over te gaan)

- Vervolgingen instellen (betekening bevel tot betaling laten doen, beslag laten leggen, …) - de rechtsleer is het er nog niet over eens welke rechtbank moet worden gevat (aangesproken) wanneer bepaalde invorderingsdaden worden gesteld waarmee de belastingplichtige niet akkoord kan gaan (de bijzondere fiscale rechtbanken of de beslagrechters), als er niet binnen de normale termijnen zou betaald worden

- Uitstel of gemak van betaling: aangezien de Ontvanger persoonlijk aansprakelijk is voor het welslagen van de invordering, kan hij alleen beslissen of uitstel wordt verleend – sinds de procedurewetten van maart 1999 gaat de rechtsleer er van uit dat de belastingplichtige bij weigering van uitstel van betaling toch naar de fiscale rechtbank kan stappen

- Bevoegdheid om waarborgen te nemen (hypothecaire inschrijving, aanvaarden persoonlijke borgstelling, …)

- Inzage Rijksregister, nationaal en regionaal repertorium

- Etc.

Ook de fiscale Administratie (incl. de Ontvanger) moet zich houden aan de regels van behoorlijk bestuur (cf. Cassatie, 27 maart 1992, R.W., 1991-92, p. 1466). Bepaalde “beginselen” zijn ondertussen reeds wet geworden:

- Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen : is op alle besturen van toepassing, dus ook op het fiscaal bestuur (geldt dus ook voor de Ontvangers); indien andere wetten in een strengere motivering voorzien (bijv. artikel 346 WIB 1992 - motivatie bericht van wijziging - zie vak Prof. Sablon), geldt deze strengere bepaling evenwel; hoewel de Wet Motivering Bestuurshandelingen niet in een concrete bestraffing voorziet, gaat de rechtspraak ervan uit dat een aanslag die werd gevestigd met miskenning van de Wet, nietig is

- Wet 11 april 1994 inzake de openbaarheid van bestuur : hoewel de Raad van State eerst leek te twijfelen, gaat hij er thans van uit dat de Wet Openbaarheid Bestuur ook in fiscale materies van toepassing is; indien een andere wet evenwel in een bijzondere procedure voorziet, geldt deze laatste wet; voor bezwaarschriften t.e.m. aanslagjaar 1998 (dus “oude” procedure) voorzag de fiscale wet in de mogelijkheid van inzage te vragen in het administratief dossier; voor deze aanslagjaren is dus in een afwijkende regeling voorzien, die moet worden gevolgd; voor bezwaarschriften vanaf aanslagjaar 1999 is in de bezwaarprocedure niet langer voorzien dat inzage kan worden gevraagd in het administratief dossier; thans moet inzage worden gevraagd op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur; bij lectuur van de Wet Openbaarheid Bestuur zal het opvallen dat het bestuur (bijv. de fiscale administratie) een inzage kan weigeren indien andere elementen (bijv. ’s lands veiligheid) belangrijker zouden zijn - bestudeer hieromtrent aandachtig artikel 6 van de Wet (§1: relatieve imperatieve uitzonderingen; §2: absoluut imperatieve uitzonderingen; §3: facultatieve uitzonderingen); ken ook de procedure die moet doorlopen worden (=parate kennis)

- Wet 22 maart 1995: de federale ombudsmannen als “scheidsrechters” tussen de fiscale ambtenaar en de belastingplichtigen?

2. Inningstitel: kohier versus dwangbevel

Belastingen ontstaan krachtens de jaarlijkse Financiewet. Dit maakt de belastingschuld zeker.

Door de inkohiering (inkomstenbelastingen) of het uitvaardigen van een dwangbevel (BTW, Succ., Reg., …) wordt de belastingschuld opeisbaar of verschuldigd. Dit maakt de belastingschuld vaststaand.

Een kohier is een (lange) lijst die de naam, voornaam, adres van de belastingschuldigen bevat, zowel als de aard en het bedrag van de door elk van hen te betalen belastingschulden. Het is een authentieke akte, die “titel” verschaft, en die door de directeur-generaal der belastingen (of een gedelegeerde) uitvoerbaar verklaard wordt. De wet legt haast geen vormvoorschriften op.

Bij inkohiering (ter kennisgegeven door het verzenden van een aanslagbiljet - zie punt 3 hierna) kan de belastingplichtige grosso modo op drie verschillende wijzen reageren:
- ofwel betaalt hij (evt. gespreid in de tijd);
- ofwel gaat hij in bezwaar (opletten: tijdig in bezwaar gaan!);
- ofwel stapt hij naar de beslagrechter (minder gebruikelijk).

Niet-geldig ingekohierde aanslagen zijn nietig. Eventuele betalingen of inhoudingen moeten worden teruggeven. Midden de jaren ’80 hebben heel wat belastingplichtigen hun “bedrijfsvoorheffing” teruggevraagd, omdat de bedrijfsvoorheffing toen niet werd ingekohierd en dus nooit tijdig “belastingen zijn geworden”. Enkel indien achteraf bleek dat te weinig bedrijfsvoorheffing werd ingehouden, of te weinig werd voorafbetaald, werd het saldo effectief ingekohierd. Bij gebreke van inkohiering, kon de bedrijfsvoorheffing of voorafbetaling dus nooit belasting worden. De Administratie moest tot terugbetaling overgaan. Of moratoriuminteresten moeten worden betaald, wordt thans geregeld in het nieuwe artikel 419 WIB 1992.

De inningstitel inzake B.T.W., registratierechten, successierechten, enz. wordt dwangbevel genoemd en heeft net als het kohier een declaratieve en executoire werking. Het onderscheid met kohier bestaat erin dat de dwangbevelen tevens invorderingsmaatregelen zijn; enkel uitgevaardigd wanneer de ontvanger tot dwang moet overgaan en derhalve over een uitvoerbare titel moet beschikken. Een dwangbevel inzake BTW heeft dus een dubbele functie: een titel creëren zoals een kohier inzake directe belastingen enerzijds en een eerste daad van invordering anderzijds.

3. Aanslagbiljet en betaaltermijnen

Het aanslagbiljet is een uittreksel uit het artikel van het kohier waarin de belastingschuldige is opgenomen. Door het verzenden van het aanslagbiljet geeft de Administratie kennis van de belastingschuld en van de uiterste datum waarop de belasting moet worden betaald. Een fout in het aanslagbiljet heeft geen invloed op de vestiging zelve van de belastingen (Cassatie, 27 september 1960, Bull. Bel., nr. 372, p. 268).

Het aanslagbiljet wordt aan de belastingplichtige toegezonden van zodra het kohier is uitvoerbaar verklaard. Sinds een vijftiental jaren worden de aanslagbiljetten (om budgettaire redenen) bij gewone post verzonden. De Administratie moet de verzending van de aanslagbiljetten kunnen bewijzen. Dit kan zijn parten spelen bij het berekenen van de bezwaartermijn (“datum van verzending van het aanslagbiljet” of “van de kennisgeving van de belasting” - artikel 371 WIB 1992). De rechtspraak gaat zelfs zo ver te stellen dat de bezwaartermijn pas begint te lopen van zodra de Administratie kan bewijzen dat de belastingplichtige kennis heeft gekregen van de aanslag.

De betalingstermijnen zijn voorzien in de artikelen 412 en 413 WIB 1992. Voor ingekohierde belastingen geldt als algemene regel een betaaltermijn van twee maanden na toezending van het aanslagbiljet. Wanneer evenwel de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, kan de Ontvanger de bedragen onmiddellijk opeisbaar stellen. Aangezien dit in een specifieke wetsbepaling is voorzien, moet de Ontvanger (overeenkomstig de Wet Motivering Bestuurshandelingen - zie punt 1 hiervoor) zijn beslissing motiveren.

In bepaalde gevallen kan de eisbaarheid van de belastingen worden opgeschort: zie bijv. de artikelen 410 en 411 WIB 1992.

4. Betaling en kwitanties

In de regel zal het de Ontvanger van directe belastingen zijn die inkomstenbelastingen int. Soms duidt de wet om praktische redenen andere personen aan om tot inning over te gaan (bijv. de ontvanger der registratie – artikel 177 KB tot uitvoering van het WIB).

Artikel 139 KB tot uitvoering van het WIB regelt op een limitatieve wijze hoe belastingschulden kunnen worden betaald. Een betaling in contanten aan de Ontvanger zelve is (om veiligheidsredenen) niet voorzien. In datzelfde artikel wordt voorzien hoe de betaling kan worden bewezen.

Artikel 166 KB tot uitvoering van het WIB voorziet ook nog in de mogelijkheid van de fiscale verrekening: wanneer de belastingplichtige belastingen “terugtrekt”, maar hij heeft een andere belastingschuld nog niet betaald, dan mag de Administratie de terugbetaling inhouden en het geld aanrekenen op die nog niet betaalde belastingschuld (zelfs al zou tegen die laatste belastingschuld een bezwaar hangende zijn). Wanneer achteraf zou blijken dat deze laatste belastingschuld terecht werd betwist in bezwaar, dan zal de belastingplichtige de som geld (terug)krijgen, verhoogd met moratoriuminteresten (zie punt 5 hierna).

In artikel 142 KB tot uitvoering van het WIB wordt bepaald wat de exacte betaaldatum is. Merk op dat deze afwijkt van de gemeenrechtelijke regeling.

5. Nalatigheidinteresten en moratoriuminteresten

5.1. Nalatigheidsinteresten

Wanneer belastingschulden niet tijdig worden betaald, zijn nalatigheidinteresten verschuldigd t.b.v. (thans) 7 % per jaar. De artikelen 414 tot 417 WIB 1992 bepalen hoe deze interesten worden berekend. In grote lijnen komt het hierop neer dat de interesten worden berekend per kalendermaand, vertrekkend nadat twee maanden na toezending van het aanslagbiljet zijn verstreken: de vervalmaand wordt evenwel niet meegerekend, maar de maand van betaling (ook al is die nog maar net begonnen) wordt voor een volle maand geteld (in de praktijk moet U ervoor zorgen op het juiste moment te betalen; anders betaalt U misschien teveel nalatigheidinteresten).

Artikel 415 WIB 1992 voorziet in zogenaamde retroactieve nalatigheidinteresten: in dat geval worden in de regel nalatigheidinteresten berekend vanaf 1 juli van het jaar volgend op het aanslagjaar. Typevoorbeeld: in 1995 heeft een belastingplichtige gefraudeerd (zwarte inkomsten), maar de fiscus ontdekt de fraude (en de zwarte inkomstenstroom) en gaat nog binnen de aanslagtermijnen (zie cursus Prof. Sablon) - in kalenderjaar 2000 - tot inkohiering over. Wanneer een belastingverhoging van minstens 50 % wordt opgelegd, zullen er vanaf 1 juli 1997 nalatigheidinteresten verschuldigd zijn (want inkomsten 1995 = aanslagjaar 1996, dus 1 juli van het jaar volgend op het aanslagjaar = 1 juli 1997). Ook artikel 416 WIB1992 wijkt inzake het belasten van (tijdelijke) vrijgestelde meerwaarden (cf. artikel 47 WIB 1992) af van de algemene regel betreffende de vaststelling van de vervaldag van de niet aan de bron verschuldigde belastingen.

In geval van bezwaar, lopen de interesten na verloop van tijd niet meer (= schorsing), tot dat de Directeur een beslissing heeft genomen of tot dat de zaak voor de rechtbanken wordt gebracht (artikel 414 WIB 1992). De belastingplichtige heeft immers geen echte greep op de duur van de behandeling van een bezwaarschrift: soms duurt het jaren voor een directoriale beslissing wordt getroffen. Aangezien dit dan niet de fout van de belastingplichtige is, kan hij er ook niet voor worden bestraft door achteraf torenhoge interesten te moeten betalen indien hij in het ongelijk zou worden gesteld.

De Directeur (Invordering) kan vrijstelling verlenen van nalatigheidinteresten, of van een gedeelte ervan (artikel 417 WIB 1992).

5.2. Moratoriuminteresten

In de artikelen 418 en 419 WIB 1992 wordt bepaald dat ook de Administratie interesten, moratoriuminteresten genoemd, moet betalen, wanneer de belastingplichtige zijn belastingen zou hebben betaald, maar achteraf zou gebleken zijn dat de belastingen niet verschuldigd waren. De berekeningswijze is identiek aan deze van de nalatigheidinteresten, maar de moratoriuminteresten lopen (vanzelfsprekend) door indien de belastingplichtige in bezwaar gaat. Let op voor het gewijzigde artikel 419 WIB 1992 (zie reeds de opmerking hiervoor in punt 2).

6. Aanrekening van de betalingen

Artikel 143 KB tot uitvoering van het WIB voorziet volgende regeling:

- de belastingplichtige heeft het recht een keuze te maken welke belastingen hij eerst wenst terug te betalen; maakt hij die keuze niet, dan kan de Ontvanger zelf beslissen op wat de betaling zal worden aangerekend

- regel van de absolute voorrang: er moet steeds op de kosten van alle aard (inningsrecht, kosten gemaakt door gerechtsdeurwaarders, …) inbegrepen, ongeacht de aanslagjaren waarop zij betrekking hebben, worden toegerekend

- regel van de relatieve voorrang: wanneer een bepaalde aanslag wordt gekozen, en er moeten voor de gekozen aanslag nalatigheidinteresten worden betaald, dan moet eerst op deze interesten worden aangerekend, en pas daarna op de eigenlijke belastingen zelf.

7. Verjaring van de belastingschuld

De begrippen verjaring, stuiting van de verjaring en schorsing van de verjaring zijn begrippen uit het gemeen recht.

Verjaring is een middel om een recht te verkrijgen of van een verbintenis te worden bevrijd, onder door de wet bepaalde voorwaarden en na verloop van een wettelijk vastgestelde tijd (2219 B.W.).

Inzake inkomstenbelastingen is de verjaringstermijn gelijk aan vijf jaar. Dit blijkt uit de artikelen 443bis W.I.B.1992 en 443ter W.I.B.1992, beiden in werking getreden op 10 januari 2004.

Artikel 443bis W.I.B.1992 :

§ 1. Directe belastingen zomede de onroerende voorheffing verjaren door verloop van vijf jaren vanaf de datum waarop ze dienen betaald te zijn krachtens artikel 413.
De roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing verjaren door verloop van vijf jaren vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier waarin ze zijn opgenomen krachtens artikel 304, § 1, tweede lid.
§ 2. De termijn bedoeld in § 1 kan worden gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek of door afstand te doen van de op de verjaring verlopen termijn. In geval van stuiting van de verjaring treedt een nieuwe verjaring in, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, door verloop van vijf jaren na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring is gestuit, indien geen geding voor het gerecht aanhangig is.

Artikel 443ter W.I.B.1992:

§ 1. Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belastingen en voorheffingen dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belastingen of voorheffingen of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.
Het bezwaar en de in artikel 376 bedoelde aanvraag tot ontheffing schorsen eveneens de verjaring.
§ 2. De schorsing vangt aan met de inleidende vordering en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Evenwel in geval van bezwaarschrift of aanvraag tot ambtshalve ontheffing bedoeld in artikel 376, vangt de schorsing aan met het verzoek waarbij het administratief beroep wordt ingeleid. Zij eindigt :
- wanneer de belastingplichtige een rechtsvordering heeft ingesteld, op de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan;
- in de andere gevallen, na verloop van de termijn die voor de belastingplichtige openstaat om een beroep in te stellen tegen de administratieve beslissing.
Inzake BTW, registratierechten en successierechten worden in de respectieve wetboeken de verjaringstermijnen bepaald (weet die verjaringstermijnen te vinden in deze wetboeken).

De verjaringstermijn kan o.m. worden gestuit (d.w.z. dat een nieuwe termijn begint te lopen) door een dwangbevel, een bevel tot betaling of door het ondertekenen door de belastingplichtige van een verklaring tot afstand van de verlopen verjaring.

Let evenwel op: ondertekenen of spontaan betalen kan de Administratie beschouwen als een schulderkenning, zeker inzake indirecte belastingen. Tracht zoveel mogelijk clausules in te lassen in de zin van “onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige bekentenis”. Inkomstenbelastingen (bijv. PB) mag U evenwel zondermeer betalen, en daarna nog in bezwaar gaan. BTW spontaan betalen ligt heel wat moeilijker: bepaalde rechtspraak ziet hierin immers zoals gesteld een schulderkenning.

De verjaringstermijn kan ook worden geschorst (bv. procedure voor een beslagrechter). Schorsing maakt de verlopen tijd niet ongedaan, doch de loop van de verjaringstermijn wordt tegengehouden zolang de oorzaak van schorsing blijft bestaan.

8. Belastingschuldige

Regel

De schuldenaar van de belasting is gewoonlijk de persoon in het kohier opgenomen of hij die door de wet wordt aangeduid om bijv. de voorheffing te storten, of nog, hij die in de plaats komt van de in het kohier opgenomen belastingschuldige of van de schuldenaar van voorheffingen. De schuldenaar kan zowel een natuurlijk persoon zijn (ook gehuwden) als een rechtspersoon (vennootschappen of verenigingen).

Problemen

1. Soms worden de invorderingsmogelijkheden verhinderd of beperkt. Zo zou een belastingplichtige zijn plichten kunnen trachten te ontlopen door naar het buitenland uit te wijken. Vaak een slechte keuze, want met heel wat landen heeft België “dubbelbelastingverdragen” gesloten, waarin is voorzien in (algemene of beperkte) invorderingsbijstand.

2. Overigens moet (ook als raadsman van een belastingplichtige) worden opgelet dat de belastingplichtige zich niet onvermogend maak. Niet alleen voorziet ons Burgerlijk Wetboek in de mogelijkheid om bepaalde handelingen te negeren (de Administratie kan bijv. doen alsof een verkoop van de wagen van een belastingplichtige niet is gebeurd, en deze wagen dus gedwongen verkopen al is die juridisch van iemand anders - cf. “de pauliaanse vordering” of de “zijdelingse vordering” van de artikelen 1166 en 1167 Burgerlijk Wetboek), maar bovendien wordt dit strafrechtelijk beteugeld (ook de mededaders en medeplichtigen, zoals raadslieden!?) op grond van artikel 490bis Strafwetboek.

3. In geval van faillissement, gerechtelijk akkoord of collectieve schuldenregeling (Wet 5 juli 1998) is in bijzondere regels voorzien (niet te kennen voor het examen, want niet gezien in de les).

Belastingen ingekohierd op naam van meerdere personen

Wanneer de belasting is ingekohierd op naam van meerdere personen, voorziet artikel 393 WIB 1992 in de invorderingsmogelijkheid van elk van hen volgens een evenredigheidregel. Datzelfde artikel voorziet evenwel in het tweede lid in mogelijkheden van tenuitvoerlegging hetzij krachtens de bepalingen van het gemeen recht (bijvoorbeeld het huwelijksvermogensrecht - zie de artikelen 1387 e.v. Burgerlijk Wetboek) hetzij krachtens het fiscaal recht (bijv. artikel 394 WIB 1992).

In het Burgerlijk Wetboek wordt een gehele “vermogensregeling” uitgewerkt voor gehuwden.

A. Echtgenoten gehuwd onder het wettelijk stelsel: gemeenrechtelijke regeling van hun vermogens

Indien gehuwden niets voorzien, is het zogenaamde wettelijk stelsel op hen van toepassing (artikelen 1398 tot 1450 Burgerlijk Wetboek). Het is opgezet als een scheiding van goederen, met een gemeenschap van aanwinsten. Alle goederen en inkomsten van vóór het huwelijk blijven eigen, evenals alle schenkingen en erfenissen (deze laatste ook ontvangen tijdens het huwelijk). In de “gemeenschap” (d.i. het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten) vallen de opbrengsten die tijdens het huwelijk verworven worden, hetzij van eigen goederen of arbeid, hetzij van gemeenschappelijke goederen, en ook de desbetreffende schulden. De artikelen 1399 tot 1404 Burgerlijk Wetboek bepalen wat zich allemaal in het eigen vermogen van elk der echtgenoten bevindt; artikel 1405 wat in de gemeenschap zit. De artikelen 1406 tot 1408 bepalen of het om een eigen schuld dan wel om een gemeenschappelijke schuld gaat. In artikel 1408 staat dat gemeenschappelijk is, de schuld door één der echtgenoten aangegaan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen. Hiertoe behoren ook de beroepsschulden (bijv. de man is zelfstandige bakker, en moet BTW betalen aan de Staat = een beroepsschuld). De artikelen 1409 tot 1414 regelen dan op welke vermogens de schuldeisers (van de eigen vermogens respectievelijk het gemeenschappelijk vermogen) aanspraak kunnen maken. De beroepsschulden (zoals de BTW van de bakker) zijn slechts verhaalbaar op het gemeenschappelijk vermogen en op het eigen vermogen van de “contracterende” echtgenoot. De BTW-schuld kan dus in de regel niet worden verhaald op het eigen vermogen van de vrouw van de bakker. In het BTW-wetboek is niet in een bijzondere afwijkende regeling voorzien, dus het gemeen recht geldt ten volle (d.i. niet het geval voor de inkomstenbelastingen - zie hierna artikel 394 WIB 1992).

B. Echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen of algehele gemeenschap: gemeenrechtelijke regeling van hun vermogens

Gehuwden kunnen van het wettelijk stelsel afwijken, en binnen bepaalde perken een eigen regeling voorzien (gehuwd zijn “met een contract”). De meest gekende zijn de zuivere scheiding van goederen (dan bestaat er geen gemeenschappelijk vermogen, en behoudt ieder echtgenoot zijn eigen vermogen) en de algehele gemeenschap (dan bestaan er nagenoeg geen eigen vermogens meer). De BTW-ontvanger zal zich voor de invordering moeten schikken naar de regels van verhaalbaarheid voor deze huwelijksvermogensstelsels (bij de zuivere scheiding van goederen is slechts het eigen vermogen van de “contracterende” echtgenoot aan te spreken; bij algehele gemeenschap is de volledige gemeenschap aan te spreken).

C. Invordering van inkomstenbelasting bij gehuwden

Voor de aanslagjaren tot en met 1999

De belasting in verband met de onderscheiden inkomsten van echtgenoten mag, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel, worden verhaald op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten. Dit geldt ook voor de voorheffingen ingekohierd op naam van één van hen. Op dit gekend algemeen principe wordt in de tweede alinea een beperking ingevoerd om de zogenaamde onverdachte goederen te onttrekken aan de belastingen door de andere echtgenoot verschuldigd op de eigen inkomsten, en aan de invordering van de RV en BV ingekohierd op zijn naam.

De ingekohierde roerende voorheffing, de bedrijfsvoorheffing en in het stelsel van scheiding van goederen, de personenbelasting, de belasting niet-inwoners (natuurlijke personen) en de onroerende voorheffing zijn dus niet onbeperkt invorderbaar. Indien de niet gehouden echtgenoot het bewijs aanbrengt kunnen de eigen goederen niet worden vervolgd. Deze zogenaamde onverdachte goederen zijn:

· De goederen van voor het huwelijk
· De goederen die voortkomen van een erfenis of schenking van een derde
· De goederen die voortkomen van de wederbelegging van de hiervoor vermelde goederen
· De goederen verkregen met inkomsten die eigen zijn ingevolge het huwelijksvermogensstelsel.

De eerste drie gevallen kunnen in elk stelsel voorkomen, de eigen inkomsten zijn slechts mogelijk in een stelsel met scheiding van goederen.
Alle andere goederen zijn verdachte goederen die door de ontvanger kunnen worden aangesproken.

Vanaf het aanslagjaar 2000

Door de Wet van 4 mei 1999, art. 7, werd in artikel 394 § 1 W.I.B. 1992 de tweede alinea vervangen door de volgende tekst:

De belasting of het gedeelte van de belasting in verband met de inkomsten van één van de echtgenoten die voor de zetting van die belasting als persoonlijk verworven zijn aangemerkt, en ook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing, ingekohierd op naam van één van hen, mogen evenwel niet worden verhaald op de eigen goederen van de andere echtgenoot wanneer deze laatste aantoont: ……

De voornaamste wijziging wordt in de bepaling hiervoor in cursief gezet. Het gaat dus niet meer om de belasting in verband met de inkomsten die eigen zijn op grond van het huwelijksvermogensstelsel. Het gaat vanaf het aanslagjaar 2000 om de houding die voor bepaalde inkomsten inzake de zetting wordt aangenomen. Het onderscheid tussen deze inkomsten zal door een K.B. worden bepaald.

Een nieuwe § 2 regelt de invorderingmogelijkheden bij de ontbinding van het huwelijk. Tot nu toe kon hier ook het gemeen recht worden toegepast. De afwijking van het burgerlijk recht heeft dan ook gevolgen bij de scheiding. De op dat ogenblik verschuldigde belastingen kunnen worden verhaald op de goederen van beide echtgenoten. Dit is de toepassing van § 1, 1-e lid, artikel 394 W.I.B. 1992. Maar de goederen die konden onttrokken worden overeenkomstig het 2-e lid van § 1 van dit artikel, blijven ook na de scheiding buiten bereik.

Voor een chronologisch overzicht van de relevante wijzigingen zie bijlage nr. 1.

D. Feitelijk gescheiden echtgenoten.

De Wet van 4 mei 1999 heeft tenslotte wat gehuwden betreft, ook nog in een andere uitzonderingsregeling voorzien in artikel 393bis WIB 1992. Dit artikel voorziet in bijzondere invorderingsregels ingeval het gaat om feitelijk gescheiden echtgenoten. Men is immers volgens het burgerlijk wetboek gehuwd zolang het huwelijk niet werd ontbonden én overgeschreven is in de register van de burgerlijke stand. Feitelijk gescheiden echtgenoten zijn burgerlijkrechtelijk dus nog steeds gehuwd, én de gemeenrechtelijke invorderingsregels en deze van artikel 394 WIB 1992 blijven dus van toepassing. Wanneer een belastingschuld wordt ingevorderd op het vermogen van de andere feitelijke gescheiden echtgenoot, moet de Ontvanger de strikte regels van artikel 393bis WIB respecteren. Voor de eigenlijke procedure wordt verwezen naar het betreffende artikel.

9. Derde als belastingschuldige

Soms kan een “derde” moeten instaan voor de belastingschuld van iemand anders. De meest typerende voorbeelden zijn de volgende (enkel het principe moet zijn gekend, de specifieke procedure staat uitgewerkt in de hierna aangehaalde wetsartikelen, die bij een examen mogen/moeten worden geconsulteerd):

- Het vereenvoudigd derdenbeslag (art. 300 W.I.B. 1992 en art. 164 K.B. tot uitv. W.I.B. 1992)

De schuldenaars van de belastingschuldige, de derde-houders, zijn verplicht de sommen of goederen die zij onder zich houden in handen van de ontvanger te betalen wanneer deze een ter post aangetekende notificatie zendt, geldend als verzet met aanmaning tot betalen (cf art. 164 K.B. tot uitv. W.I.B. 1992).

Indien de derde-houder binnen een termijn van vijftien dagen na het neerleggen ter post van de notificatie niet kan voldoen, moet hij binnen die termijn, bij ter post aangetekende brief een verklaring van derde-beslagene doen, zoals bepaald in artikel 1452 Ger.W. De derde-houder moet die verklaring afleggen zelfs indien hij niets verschuldigd is.

Die verplichting legt hem niet op een betaling te doen voor de vervaldag, of afhoudingen te doen op niet voor beslag vatbare gedeelten.

De procedure verplicht de derde-houder wel om de belastingschuldige nopens het beslag in te lichten.

Volgens de wet kan de derdehouder die niet heeft voldaan aan één van de verplichtingen die hem in deze procedure worden opgelegd, rechtstreeks worden vervolgd voor het geheel van genotificeerde som. Het Arbitragehof heeft echter geoordeeld dat artikel 164 § 5 K.B. tot uitv. W.I.B. 1992 strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, gewaarborgd door de artikels 10 en 11 van de G.W. In afwachting van de wetswijziging maakt de administratie geen toepassing meer van deze sanctie, maar dit betekent niet dat de derde-houder niet aansprakelijk is, gezien artikel 1382 B.W., waarvoor dan echter een dagvaarding noodzakelijk is. Bovendien kan een eventuele betaling door de derdehouder aan de belastingschuldige gedaan ongeldig worden verklaard in toepassing van artikel 1242 B.W. Indien de derdehouder echter een verklaring heeft afgelegd, moet de ontvanger, om zijn rechten te behouden, binnen de maand overgaan tot een uitvoerend beslag onder derden. Doet de ontvanger dit niet, dan vervalt zijn recht tegen de derdehouder, zelfs wanneer die intussen aan de belastingschuldige heeft betaald.

Daar er voor de ontvangers nu geen zekerheid meer bestaat in verband met de aansprakelijkheid van de derdehouder, zullen zij zo snel mogelijk overgaan tot het uitvoerend beslag onder derden

- Inning ten laste van de nieuwe eigenaar van een onroerend goed (art. 395 W.I.B. 1992) Bij vervreemding van een onroerend goed wordt in de akte vaak een clausule ingelast waardoor de onroerende voorheffing van het lopend jaar geheel of gedeeltelijk ten laste van de nieuwe eigenaar wordt gelegd. Het (oude) kohier is echter niet uitvoerbaar tegen de nieuwe eigenaar. Het gaat immers niet om een belastingschuld, wel om een contractueel opgenomen last die drukt op het onroerend goed.

Artikel 395 W.I.B. 1992 bepaalt dat in dergelijk geval dat de vroegere eigenaar verantwoordelijk is voor de betaling van de onroerende voorheffing, tenzij hij bewijst dat de belastbare onroerende inkomsten op een andere eigenaar zijn overgedragen en hij de identiteit en het volledig adres van de nieuwe eigenaar bekend maakt.

Ingeval van overlegging van gevraagde bewijs, mag de invordering van de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van het onroerend goed dat van titularis is veranderd, krachtens hetzelfde kohier worden voortgezet ten laste van de werkelijke schuldenaar van de belasting. De belastingschuldige ontvangt een nieuw exemplaar van het aanslagbiljet met de vermelding dat het krachtens artikel 396 W.I.B. 1992 is uitgereikt.

- Invordering ten laste van een nalatenschap: normaal gezien moeten erfgenamen die een nalatenschap aanvaarden, instaan voor alle schulden (ook belastingschulden) van deze nalatenschap, desnoods met hun eigen vermogen (als zij “niet genoeg” zouden geërfd hebben); wanneer het evenwel om ontdoken inkomstenbelastingen zou gaan, moeten zij evenwel enkel tot het bedrag van hun erfdeel instaan voor deze belastingschulden (artikel 398 WIB 1992)

- Invordering ten laste van persoonlijke borgen: borgstelling ingevolge een wettelijke bepaling voor toekomstige belastingen (artikel 420 W.I.B.1992); borgstelling uit vrije wil voor reeds gevestigde belastingen.

- Invordering ten laste van sommige burgerlijke vennootschappen of verenigingen (art. 398 W.I.B. 1992) De invordering van de belasting gevestigd ten name van de vennoten of leden van de burgerlijke vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, kan rechtstreeks ten laste van de burgerlijke vennootschap of vereniging worden vervolgd inzoverre die belasting proportioneel overeenstemt met het aandeel van de vennoten of leden in de niet-uitgekeerde winst of baten van die vennootschap of vereniging.

- Invordering ten laste van personen die hebben gewerkt met zogenaamde koppelbazen (artikelen 400 ev. WIB 1992); personen die een beroep doen op een niet-geregistreerde aannemer of een koppelbaas voor het uitvoeren van bepaalde werken, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van deze aannemers of koppelbazen tot 35% van de totale prijs van het werk, excl. BTW. Procedure registratie (art. 401 WIB1992); Diegene die beroep doet op een niet-geregistreerde aannemer is verplicht bij iedere betaling die aan medecontractant doet 30% van het verschuldigde bedrag door te storten (15% aan Bijz. ontvangkantoor der belastingen; 15% RSZ); zoniet boeten (art. 402 WIB1992). In de aannemerswereld moet dus steeds worden nagegaan of de aannemer een juist registratienummer heeft; in dat geval is diegene die er beroep op doet, niet langer hoofdelijk aansprakelijk; de koppelbazenregeling is ook niet van toepassing voor een opdrachtgever-natuurlijke persoon in de mate hij opdracht voor loutere privé-doeleinden laat uitvoeren (in dat geval dus ook geen hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze laatste).

10. Plicht tot samenwerking van personen die de authenticiteit verlenen aan bepaalde akten

Fiscale notificatie van een notaris (artikel 433 WIB 1992)

Het voornemen tot vervreemding (verkoop, schenking, …) of de hypothecaire aanwending wordt de ontvanger medegedeeld in een ter post aangetekend bericht, hem toegezonden door de persoon die de akte moet verlijden (notaris, …). Indien de belangen schatkist in gevaar zijn (lees: indien er niet-betaalde belastingen zouden zijn), moet de ontvanger dit binnen 12 dagen berichten aan de notaris (= beslag onder derden). Indien het niet mogelijk is de genotificeerde belastingschuld te voldoen, moet notaris de ontvanger inlichten. Binnen de 8 werkdagen kan de ontvanger de wettelijke hypotheek doen inschrijven op het goed dat het voorwerp is van de akte. Opgelet: de notaris is gehouden tot herstel van de ev. schade die de schatkist door zijn nalatigheid heeft geleden indien zij voormelde wettelijke verplichtingen over het hoofd zien (= hoofdelijke aansprakelijkheid van de notaris!).

11. Verplichtingen van sommige personen i.v.m. roerende goederen

- Verkoop van een “handelszaak” (artikel 442bis WIB 1992)

De overdracht van een “handelszaak” (dus niet de overdracht van aandelen in een vennootschap) is slechts tegenstelbaar aan de Staat of Administratie der directe belastingen na verloop van de maand die volgt op die waarin een met het origineel eensluidend verklaard afschrift van de akte van overdracht aan de ontvanger werd overgemaakt (best: aangetekend, voorheen moest die akte zelfs geregistreerd worden bij de Ontvanger van registratie); de overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de openstaande fiscale schulden door de overlater nog te betalen bij het verstrijken van de termijn van niet-tegenstelbaarheid; fiscaal attest; artikel 442bis WIB 1992 heeft geen invloed op gerechtelijk akkoord noch faillissement.

- Openbare verkopen van roerende goederen (art. 442 WIB 1992)

Openbare ambtenaren of ministeriële officieren die belast zijn met de openbare verkoop van roerende goederen waarvan de waarde minstens 10.000 BEF. bedraagt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen die de eigenaar op het ogenblik van de verkoop verschuldigd is, indien zij niet ten minste acht werkdagen vooraf, bij ter post aangetekende brief, de ontvanger van de woonplaats of van de hoofdinrichting van de eigenaar van die goederen ervan verwittigen.

Degene die met de verkoop is belast, moet de genotificeerde belasting betalen tot beloop van de door de verkoop opgeleverde som.

Indien de met de verkoop belaste persoon de hiervoor vermelde verplichtingen niet naleeft, kan zij zijn gehouden tot herstel van de eventuele schade die de Schatkist heeft opgelopen (art.442 W.I.B. 1992).

- Verplichtingen van sommige financiële instellingen (art. 443 WIB 1992)

Wanneer openbare of private kredietinstellingen of –inrichtingen kredieten, leningen of voorschotten toekennen waarvoor een voordeel is verleend in het kader van de wettelijke of reglementaire bepalingen inzake economische expansie of waarvoor een dergelijk voordeel is aangevraagd aan de bevoegde overheid, mogen zij de fondsen noch geheel noch gedeeltelijk vrijgeven, tenzij nadat de genieter of aanvrager hun een attest heeft overlegd dat is uitgereikt door de bevoegde ambtenaar en waaruit blijkt: ofwel dat geen belastingen in zijnen hoofde eisbaar zijn ofwel dat een bepaalde bedrag aan belastingen in zijnen hoofde eisbaar is, in welk geval de betaling van de verschuldigde bedragen, in de vorm en binnen de termijnen voorzien in het attest, het voorwerp moet uitmaken van een bijzonder beding in de beslissing tot toekenning van het voordeel.

De aanvraag van het attest moet in drie exemplaren worden toegezonden aan de betrokken ontvanger die over een termijn van 8 dagen beschikt om het attest uit te reiken (art. 221 K.B. tot uitv. W.I.B. 1992). Na het verstrijken van 6 maanden mogen de fondsen slechts worden vrijgegeven indien de beslissing van toekenning van het voordeel binnen die periode van 6 maanden is genomen. Is zulks niet het geval, dan moet er een nieuw attest worden gevraagd (art. 222 K.B; tot uitv. W.I.B. 1992).

De wet voorziet niet uitdrukkelijk in een sanctie. Bij niet-naleving van de formaliteiten kunnen betrokken wel worden gedagvaard in schadevergoeding bij toepassing van het gemeen recht.

Bijlage

- invordering

o tot Aj 99: op alle vermogens, tenzij “eigen op grond van huwelijksvermogensstelsel” (394)
§ art. 393 (van toep. met ingang van Aj 81, sinds taxatie gebeurt op beider naam en niet langer op naam gezinshoofd)
· lid 1: algemene regel aanslag op meerdere personen (naar evenredigheid: dus geen ondeelbare of hoofdelijke verbintenis, maar wel een conjunctieve verbintenis die onder schuldenaars wordt verdeeld); Koning bepaalt wijze waarop het gedeelte van belasting in verband met de onderscheiden inkomsten wordt vastgesteld (art. 394 § 3, na W. 4 mei 1999)
· lid 2: de titel is tegen iedere belastingschuldige slechts uitvoerbaar in de mate dat deze tot betaling is gehouden krachtens het gemeen recht of op grond van de bepalingen van het WIB {dus 394 of 393, lid 1}
§ doorlichting huwelijksvermogensstelsel (1399 ev. BW)
§ afwijking 394, van toepassing op gehuwden, ongeacht of kohier op beider naam is opgemaakt. (niet van toepassing op belastingen betreffende inkomsten van vóór of na periode huwelijk en ook niet op belastingen die geen betrekking hebben op inkomsten zoals VB, SW en AO). Vanaf Aj 00 worden de twee afzonderlijke aanslagen ingeval van feitelijke scheiding ingekohierd op naam van beide echtgenoten (W. 4 mei 1999, de wet die ook art. 394 fundamenteel heeft geherformuleerd).
· PB en OV (OV og vrouw belast bij man tot Aj 01; vanaf Aj 02 is art. 252 opgeheven): als gemeenschap op 3, als scheiding goederen op 2, tenzij onverdacht
· RV en BV ingekohierd op 1 echtg.: ongeacht huwelijksvermogensstelsel, op alle vermogens, tenzij onverdacht (4de onverdacht goed kan uiteraard enkel bij scheiding voorkomen)
o {vanaf 10 augustus 1992 tot 5 april 1999: beperking invordering tot deel dat zou verschuldigd zijn mochten alle rechten van bezwaar etc. zijn uitgeoefend – cf. het “fictief” bezwaar van artikel 394bis, opgeheven bij W. van 15 maart 1999}
o vanaf Aj 00: “voor de zetting persoonlijk verworven” (394, na W. 4 mei 1999)
o vanaf Aj 00: 393bis (ingevoegd door W. 4 mei 1999), voorziet in bijzondere te vervullen formaliteiten bij invordering lastens een feitelijk gescheiden echtgenoot (vooraf in gebreke stellen, exemplaar aanslagbiljet aan andere echtgenoot…)
§ ! loonbeslag is dan toch nog mogelijk op inkomsten feitelijk gescheiden echtgenoot, wat Wetgever onrechtvaardig vindt (MvT, Gedr. St. Kamer 2000-2001, nr. 1207/001,40-41)
o vanaf Aj 02: in geval van feitelijke scheiding, kan de belasting die door een feitelijk gescheiden echtgenoot verschuldigd is op de inkomsten behaald vanaf het tweede jaar na de feitelijke scheiding niet meer worden verhaald op de inkomsten van de andere echtgenoot en de goederen die met die inkomsten zijn verworven (394, § 2, ingevoegd door W. 10 augustus 2001)
§ ! geen invordering meer mogelijk op inkomsten (en goederen die daarmee werden aangekocht), maar nog wel mogelijk op andere goederen
§ ! belasting betreffende voorheen verkregen inkomsten zijn volgens de tekst van 394 § 2 nog steeds op alle goederen verhaalbaar

o vanaf Aj 05: gelijkschakeling tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden (onverdeelde vermogen van deze laatsten wordt gelijk gesteld met het gemeenschappelijk vermogen van gehuwden)

afsluitende opmerking inzake invordering tussen gehuwden: Administratie aanvaardt sinds lang dat opdeling tussen echtgenoten wordt gemaakt, zelfs voor het jaar van het ontstaan van de feitelijke scheiding; in een circulaire van 6 maart 1986 werd met het oogmerk van eenvormigheid een werkwijze voorgesteld (zie o.m. Vr. nr. 73 van 12 augustus 1998 van Vandenbroucke – blz. 44 cursus).

Invordering tijdens vereffening en na verdeling huwelijksvermogen
§ tijdens vereffening (1439 BW): voor vergoeding gemeenschappelijke schulden
· eerst vergoeding hypoth. en bevoorrechte schuldeisers,
· dan gemeenschappelijke schulden die verhaalbaar zijn op de drie vermogens
· vervolgens de onvolkomen gemeenschapsschulden (slechts verhaalbaar op twee vermogens)
· tenslotte de persoonlijke schuldeisers
(opm. voorrang gemeenschapsschuldeisers tav persoonlijke schuldeiseres geldt enkel tav gemeenschappelijke goederen)
§ na verdeling (1440 BW) – dus is er geen gemeenschappelijk vermogen meer
· gemeenschappelijke schulden die overblijven na verdeling kunnen verhaald worden op eigen vermogens van ex-echtgenoten (lid 1)
· gemeenschappelijke schulden die tijdens huwelijk niet verhaalbaar waren op het eigen vermogen van de niet-contracterende echtgenoot, dienen door deze slechts te worden voldaan ten belope van zijn deel in het verdeelde gemeenschappelijk vermogen (lid 2).
- bezwaar

o tot Aj 98: De belastingplichtige kan … (366), schendt het gelijkheidsbeginsel, stelt het Arbitragehof in een arrest van 27 juni 1996 (39/96), “inzoverre die bepaling het recht op bezwaar in te dienen slechts toekent aan de belastingplichtige ten name van wie de aanslag is gevestigd, met uitsluiting van de feitelijk gescheiden echtgenoot die gehouden is tot de belastingschuld die ten name van de andere echtgenoot is gevestigd”. Volgens het Hof van Cassatie kon enkel de aangeduide belastingplichtige in bezwaar gaan (vb. 19 mei 1995 en 1 december 1995).

o vanaf Aj 1999: De belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan … (366, na W. 15 maart 1999)



28-04-17 "DEFINITIEF" STANDPUNT VAN VLABEL OVER DE MAATSCHAP
Op 26 april jl. heeft Vlabel een “definitief” standpunt (nr. 15004) ingenomen over maatschappen die geldbeleggingen en/of een effectenportefeuille aanhouden en waarvan de deelbewijzen onder voorbehoud van vruchtgebruik voor een Nederlandse notaris worden geschonken. Hieronder treft u de visie van Vlabel.....lees meer
 
07-04-17 Tax shelter film: Corsan-gedupeerden kunnen rekenen op begrip van fiscus
Wie het tax shelter-voordeel aan zijn neus voorbij ziet gaan omdat de productiemaatschappij niet aan zijn verplichtingen voldoet en dus niet aan de nodige attesten geraakt, zal in de meeste gevallen de fiscale schade kunnen beperken.....lees meer
 
06-04-17 Betalingen aan belastingparadijzen: ruimere aangifteplicht voor betalingen vanaf 14 juli 2016
Samen met de aangifte vennootschapsbelasting moet ook aangifte gedaan worden van alle betalingen die men tijdens het belastbaar tijdperk gedaan heeft aan een “belastingparadijs” (als de drempel van 100.000 euro aan dergelijke betalingen overschreden wordt). ....lees meer
 
05-04-17 Fiscale cijfers voor 2017 (II)
Omdat verschillende geďndexeerde bedragen dit jaar pas laat gepubliceerd zijn, volgt hieronder een aanvulling op ons eerste overzicht van de fiscale cijfers voor 2017 (zie ons artikel “Fiscale cijfers voor 2017”). ....lees meer
 
website door webalive