nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Links   General conditions  
  VAT news - VAT invoicing and long term hire
 
Is een dief per definitie ook een fiscale fraudeur ?
 
(art. 354 wib 92 en bedrieglijk opzet)

De loutere niet-aangifte van inkomsten die afkomstig zijn uit diefstal, bewijst nog niet dat een inbreuk is begaan op de belastingwetgeving met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Uit het strafdossier blijkt immers enkel het bedrieglijk opzet waarmee de inkomsten werden verworven, en niet de wijze waarop ze werden aangegeven. Het bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden wordt niet bewezen geacht: de niet-aangifte kan immers het gevolg zijn van onwetendheid van de belastingplichtige. De verlengde aanslagtermijn van artikel 354, 2e lid van het WIB 92 is dan ook niet van toepassing (Rb. Leuven 7 januari 2011, 1121/1004).

Uit een strafdossier blijkt dat een echtpaar actief heeft meegewerkt aan diefstallen bij het bedrijf waar ze beiden werken. De fiscus stuurt een bericht van wijziging, waarin staat dat de ongeoorloofde inkomsten zullen worden belast als beroepsinkomsten. De administratie maakt daarbij gebruik van artikel 354, 2e lid van het WIB92 om de aanslagtermijn met (toen nog) twee jaar te verlengen (nu vier jaar). Het voor die verlenging vereiste bedrieglijk opzet blijkt volgens de fiscus uit het strafdossier. Nadat het bezwaarschrift wordt afgewezen, trekt het echtpaar naar de rechtbank.

Loutere niet-aangifte staat niet gelijk met bedrieglijk opzet

De rechtbank oordeelt in een vrij beknopt vonnis dat de administratie geen toepassing kon maken van de buitengewone aanslagtermijn. Ze maakt daarbij een onderscheid tussen de inbreuken op het Strafwetboek, en de inbreuken op het Wetboek Inkomstenbelastingen, waarbij ze stelt dat uit het strafdossier enkel blijkt dat de inkomsten met bedrieglijk opzet werden verworven. En dat kan niet gelijk worden gesteld met het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden in de zin van artikel 354, tweede lid WIB92, aangezien dat artikel spreekt over het niet aangeven van de inkomsten met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Bijgevolg besluit de rechtbank dat het opzet dat ten grondslag ligt aan de diefstal, niet hetzelfde is als het opzet dat ten grondslag ligt aan de niet-aangifte. De loutere niet-aangifte kan immers het gevolg zijn van onwetendheid van de belastingplichtige, en staat dus los van het opzet dat aan de grondslag ligt van de diefstal. De rechtbank oordeelt dan ook dat de  administratie faalt in haar bewijslast, en vernietigt de aanslagen.

Bevestiging van vaststaande rechtspraak

De rechtbank bevestigt met dit vonnis nogmaals dat het aan de administratie toekomt om te bewijzen dat de voorwaarden vervuld zijn voor de toepassing van de buitengewone aanslagtermijn (1). De administratie moet aantonen dat er sprake is van een inbreuk op de bepalingen van het Wetboek Inkomstenbelastingen die is gepleegd met een “bedrieglijk opzet” of het “oogmerk om te schaden”. Die begrippen worden beide gedefinieerd in de administratieve commentaren: er is sprake van een “bedrieglijk opzet” wanneer een overtreding wordt begaan met de bedoeling om zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. Het “oogmerk om te schaden” wordt omschreven als de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat daaruit enig voordeel moet voortvloeien voor de betrokkene (2).

De rechtspraak heeft al vaak geoordeeld dat de loutere niet-aangifte van bepaalde inkomsten niet het bewijs levert dat noodzakelijk is voor de toepassing van buitengewone aanslagtermijn, zelfs als de niet-aangegeven inkomsten aanzienlijk zijn (3). Die stelling gaat ook op voor de gevallen waarin de aangifte (waarin bepaalde inkomsten niet worden aangegeven) wordt ingediend door een boekhouder of fiscaal raadgever (4). Overtredingen die voortvloeien uit nalatigheden, materiële vergissingen of interpretatiefouten worden evenmin beschouwd als frauduleus (5). 

Opdat toepassing kan worden gemaakt van de buitengewone aanslagtermijn, moet er sprake zijn van kennelijke fraude en is het absoluut vereist dat de administratie het bewijs levert van een bijzonder opzet in hoofde van de belastingplichtige (6). In zijn arrest van 3 januari 1997 stelt het Hof van Cassatie uitdrukkelijk dat een bijzonder opzet moet worden bewezen, en dat het niet kan worden afgeleid louter uit de omstandigheid dat een bepaald bedrag niet is aangegeven als belastbaar inkomen (7). Een loutere aanwijzing inzake belastingontduiking kan dus niet zomaar worden vermoed, maar moet ontegensprekelijk door de administratie worden bewezen (8). Volledigheidshalve kan nog worden opgemerkt dat een loutere aanwijzing van belastingontduiking volstaat om toepassing te maken van de aanvullende onderzoekstermijn van 4 jaar vervat in artikel 333, lid 3 WIB92: in sommige rechtspraak werd reeds geoordeeld dat de niet-aangifte van bepaalde inkomsten voor de toepassing van voormeld artikel wél kan worden aangemerkt als een aanwijzing van belastingontduiking die volstaat om de aanslagtermijn te verlengen (9).  In de parlementaire voorbereidingen van de wet tot opheffing van het bankgeheim wordt de niet-aangifte van inkomsten eveneens expliciet vermeld als een aanwijzing van belastingontduiking (10).

Voor de interpretatie van artikel 354, tweede lid WIB92 kan trouwens worden verwezen naar de interpretatie die de rechtspraak geeft aan artikel 449 van het WIB 92, op basis waarvan fiscale overtredingen strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Dat artikel voorziet in een geldboete en gevangenisstraf voor de belastingplichtige die “met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering genomen besluiten overtreedt”.

Uit die formulering, die identiek is aan artikel 354, 2e lid van het WIB 92, volgt dat het misdrijf van fiscale fraude als materieel bestanddeel de overtreding van een bepaling uit het WIB of het KB/WIB heeft, en als moreel bestanddeel het bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden (11). Het materiële misdrijfbestanddeel is in essentie alomvattend en 'blanco' - alle huidige en toekomstige bepalingen van het WIB vallen eronder - en behoeft dus geen nadere toelichting, maar het morele misdrijfbestanddeel wordt wel uitdrukkelijk omschreven door de wetgever: uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat artikel 449 van het WIB 92 een bijzonder opzet vereist, wat impliceert dat een louter onopzettelijke inbreuk er niet onder kan vallen (12).

Daarenboven heeft het Hof van Cassatie meermaals bevestigd dat artikel 449 van het WIB 92 niet vereist dat wordt gehandeld met een uitsluitend fiscaal oogmerk - en dat het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden dus ruim moeten worden geïnterpreteerd - , doch dat het volstaat dat de overtreding van het WIB onder meer met dat opzet heeft plaatsgevonden (13). De rechtspraak eist voor de toepassing van artikel 449 van het WIB 92 dat de administratie verwijst naar de concrete (fiscale) wetsbepaling die is geschonden met bedrieglijk opzet. Anders zijn de materiële en morele bestanddelen van het (fiscale) misdrijf niet verenigd, en heeft de fiscus dus niet het bewijs geleverd van het bedrieglijk opzet (14).

BESLUIT

De restrictieve toepassing van artikel 354, 2e lid WIB 92 die in het hier besproken vonnis en in de rechtspraak in het algemeen wordt gehanteerd, kan worden onderschreven: de buitengewone aanslagtermijn vereist een inbreuk op de belastingwetgeving die gepaard gaat met een bijzonder opzet in hoofde van de belastingplichtige, dat moet worden bewezen door de fiscus. Als de rechtspraak het bewijs van het bedoelde opzet al te makkelijk zou aanvaarden, zou dat neerkomen op een ongeoorloofde verschuiving van de bewijslast naar de belastingplichtige.

Bij wijze van slotoverweging kan nog worden opgemerkt dat de rechtbank allicht tot een ander besluit was gekomen als de administratie toepassing had gemaakt van artikel 358, §1, 3° WIB92: op basis van dit artikel beschikt de administratie immers over een termijn van 12 maanden om een aanslag te vestigen wanneer een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de vijf jaren vóór het jaar waarin de rechtsvordering is ingesteld, zonder dat opzet vereist is.

Bart COOPMAN
Joris PEETERS


(1) Gent 29/1/1982, R.G.F. 1982, 101; zie ook: Cass. 28/1/1942, Pas. 1942, I, 21; Com.IB. 92 354/23 e.v.; TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2010-2011, 679

(2) Com.IB. 92 nr. 354/23-24; C. MATTELIN en D. STORME, "De onderzokestermijn en de buitengewone aanslagtermijn in de directe belastingen: wanneer verlengd met 2 jaar ?", AFT 2001, 267

(3) Cass. 3/1/1997, Fisc.Act. 1997, 22/11; Antwerpen 21/1/2003, FJF 2003, 109; Antwerpen 17/6/1997, Fisc.Act 1997, 36/11; Gent 23/4/1998, 1999; zie ook Circ. AFZ/2009-0276-2 (AFZ nr 7/2009) - Ci.RH.81/597.982 (AOIF nr 35/2009)

(4) Cass. 3/1/1997, FJF 1997, 49, Rb. Antwerpen 1/6/2001, FJF 2002, 113; Luik 19/2/1997, FJF 1997, 62

(5) Antwerpen 17/6/1997, Fisc. Act. 1997, 27/7; Cass. 30/11/1989, RW 1989-90, 1292; Cass. 13/11/2000, AFT 2001, 133; I. DE TROYER en L. VANDENBERGHE, Handboek fiscale procedure inkomstenbelastingen, 2010, 148-149

(6) Cass. 12/9/1991, Bull. Bel. nr 742, 2715; Com.IB. 92 nr 354/24

(7) Cass. 3/1/1997, AJT 1996-97, 402

(8) Gent 29/1/1982, RGF 1982, 201; Antwerpen 27/4/1993, AFT 1993, 281; Gent 22/4/2000, FJF 1999, 142

(9) Gent 15/5/2007, FJF 2008, 192

(10) Parl. St. Kamer 2011, nr 53/1208/007, 14

(11) Parl. St. Senaar 1980-81, nr 566/2, 9-10; B. SPRIET, "De strafbaarstelling inzake fisale fraude", in M. MAUS en M. ROZIE (eds.), Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, 2011, 511-512

(12) B. SPRIET, "De strafbaarstelling inzake fiscale fraude", in M. MAUS en M. ROZIE (eds.), Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, 2011, 522

(13) Cass. 14/2/2001, Arr. Cass. 2001, 280, nr. 91; Cass. 1/3/1991, Arr. Cass. 1991, 705, nr 351: Antwerpen 23/2/1995, AJT 1994-95, 522

(14) Brussel 23/12/2008, TFR 2009, 404 met noot H. DUBOIS



16-02-17 Panama en Guatemala zijn nu officieel belastingparadijs
Dat Panama volgens de Belgische fiscale wetgeving nu formeel doorgaat als een belastingparadijs, is geen gevolg van het schandaal rond de “Panama papers” van april 2016.....read more
 
15-02-17 Nieuw regime voor deeleconomie is van toepassing vanaf 1 maart
De wet over de fiscaliteit van de deeleconomie is al meer dan een half jaar geleden gepubliceerd, maar treedt pas op 1 maart 2017 effectief in werking. Het probleem is de erkenning van de elektronische platforms.....read more
 
26-01-17 Vangnetbepaling vangt minder
Er blijft een zogenaamde vangnetbepaling bestaan die moet verzekeren dat betalingen aan het buitenland toch belast worden ook al is er geen specifieke regel die ze aan belasting onderwerpt.....read more
 
25-01-17 Oplossing voor discussie over verzekeringsgift
Een wetswijziging moet een einde maken aan een felle polemiek die eind 2015 losgebarsten is rond de “verzekeringsgift”. ....read more
 
website by webalive