nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Bijkomende heffing op roerende inkomsten
 
De begrotingsmaatregelen van de nieuwe regering omvatten niet alleen een verhoging van het “gewone” tarief in de roerende voorheffing van 15% naar 21% (zie ons artikel “Roerende voorheffing gaat omhoog”). Voor hoge inkomens komt er daarbovenop nog eens een bijkomende heffing van 4%. Die is van toepassing vanaf 1 januari 2012.

Het nieuwe jaar heeft ook een nieuwe belasting gebracht: een bijkomende heffing van 4% op roerende inkomsten boven een bedrag van 20.020 euro. De bijkomende heffing wordt alleen geheven op interesten en dividenden waarvoor het tarief in de roerende voorheffing 21% bedraagt.

Welke inkomsten?

Dat betekent dat bijvoorbeeld de inkomsten uit een spaarboekje de dans ontspringen, want daarvoor geldt een vrijstelling van roerende voorheffing (tot 1830 euro) ofwel een tarief van 15%. Tot de opvallendste uitzonderingen behoren verder nog liquidatieboni (want tarief van 10%) en staatsbons uit de periode van 24.11.2012 tot 2.12.2011 (zgn. Leterme-bons). Ook “gewone” dividenden zijn niet onderworpen aan de bijkomende heffing, aangezien die in de roerende voorheffing onder het tarief van 25% vallen. En andere roerende inkomsten dan interesten en dividenden (bv. royalty's, auteursrechten) blijven eveneens buiten schot.

De roerende inkomsten die wél een bijkomende heffing kunnen ondergaan, zijn dus hoofdzakelijk:
- de meeste interesten (bv. kasbons, termijnrekeningen, obligaties,
   verzekeringsproducten die niet aan de vrijstellingsvoorwaarden voldoen)
- dividenden m.b.t. VVPR-aandelen
- dividenden van erkende distributiebeleggingsvennootschappen (bv. bevek,
   sicav)
- inkoopboni.

Zoals gezegd, is de bijkomende heffing alleen van toepassing op het deel van de roerende inkomsten boven 20.020 euro. Dat is het geïndexeerde bedrag voor aanslagjaar 2013 (inkomsten van 2012). Dat bedrag geldt per belastingplichtige. Per gezin krijgt men dus in principe pas te maken met de bijkomende heffing als men voor meer dan 40.040 euro aan interesten en dividenden per jaar ontvangt (ook afhankelijk van het huwelijksvermogensstelsel).

Wanneer is grensbedrag overschreden?

De manier waarop bepaald wordt of dat grensbedrag overschreden is, is een hoofdstuk op zich. De bijkomende heffing zelf is, zoals gezegd, alleen van toepassing op roerende inkomsten waarvoor het tarief van 21% geldt. Maar de andere roerende inkomsten tellen wel mee om te bepalen of het grensbedrag bereikt is. En op die laatste regel zijn er bovendien ook weer uitzonderingen.

Sommige inkomsten mogen namelijk volledig buiten beschouwing gelaten worden. Volgende roerende inkomsten tellen niet mee om te bepalen of het grensbedrag overschreden is:
- de rente op een spaarboekje (maar dan alleen beneden 1830 euro!)
- liquidatieboni
- Leterme-staatsbons
- andere roerende inkomsten dan interesten en dividenden (bv. royalty's,
   auteursrechten, concessie van het recht om plakbrieven te plaatsen...)
- roerende inkomsten die fiscaal toch niet als zodanig beschouwd worden
   (bv. tak 21 en tak 23, eerste schijf dividenden van erkende coöperatieve
   vennootschappen, inkoop- en liquidatieboni van fiscaal begunstigde
   beleggingsvennootschappen).

Als het grensbedrag overschreden is, wordt de bijkomende heffing zo ruim mogelijk toegepast. De inkomsten waarop de heffing niet van toepassing is, worden namelijk bij voorrang toegewezen aan de “vrijgestelde” schijf van 20.020 euro.

Alleen in personenbelasting

De bijkomende heffing wordt niet gelijkgesteld met de roerende voorheffing maar is een bepaling uit de personenbelasting (nieuw artikel 174/1 WIB 1992). De heffing is dus niet verschuldigd door vennootschappen.

Mededelingsplicht

Om de juiste heffing te verzekeren, zijn de schuldenaars van de roerende inkomsten verplicht om melding te maken van de uitbetaling aan een centraal aanspreekpunt bij Financiën. Als de belastingplichtige kiest voor inhouding van de heffing aan de bron, vervalt de mededelingsplicht (zie ons artikel “Meldplicht en aangifteplicht voor roerende inkomsten”).

Voorbeelden

Stel dat iemand 20.000 euro ontvangt als rente op een spaarboekje, en 1000 euro als interest op een kasbon.
De totale roerende inkomsten bedragen dan 21.000 euro. Maar om een eventuele overschrijding van het grensbedrag vast te stellen, telt alleen het gedeelte boven 1830 euro mee van de inkomsten van een spaarboekje (18.170 euro in ons voorbeeld). Met 18.170 + 1000 = 19.170 is het grensbedrag van 20.020 niet overschreden en dus is er geen bijkomende heffing verschuldigd.

Als de opbrengst van het spaarboekje 21.000 euro bedraagt in plaats van 20.000 euro, is het grensbedrag wel overschreden (21.000 - 1830 + 1000 = 20.170). Te betalen:
- niets op 1830 euro (vrijgestelde schijf spaarboekje)
- 21% roerende voorheffing op 19.170 (spaarboekje)
- ook 21% roerende voorheffing op 850 euro (het deel van de interest op de
   kasbon dat onder het grensbedrag blijft)
- en 21% roerende voorheffing plus 4% bijkomende heffing op 150 euro (het
   deel van de interest op de kasbon boven het grensbedrag).

Stel dat een bepaalde belastingplichtige in 2012 volgende roerende inkomsten heeft:

- auteursrechten (15% RV)                                                                4.000
- dividenden van een erkende coöperatieve vennootschap (0% RV)         100
- gewoon dividend (25% RV)                                                             9.000
- liquidatiebonus (10% RV)                                                                8.000
- inkoopbonus (21% RV)                                                                   5.000
- VVPR-dividend (21% RV)                                                                4.000
- spaarboekje (0 of 15% RV)                                                             2.830
- staatsbon uit periode 24.11-2.12.11 (15% RV)                                  1.000
- andere staatsbon (21% RV)                                                            2.000
- tak 21 (0% RV)                                                                              6.000
- interest op rekening-courant (21% RV)                                            1.000
Totaal           42.930

Daarvan blijven buiten beschouwing voor de berekening van het grensbedrag:

- auteursrechten                                                                               4.000
- dividenden van een erkende coöperatieve vennootschap                      100
- liquidatiebonus                                                                               8.000
- spaarboekje (alleen vrijgestelde schijf)                                             1.830
- staatsbon 24.11-2.12.11                                                                  1.000
- tak 21                                                                                            6.000
                                                                                Totaal          20.930

Tellen mee voor de berekening van het grensbedrag maar ondergaan nooit een bijkomende heffing:
- gewoon dividend                                                                            9.000
- spaarboekje (boven vrijgestelde schijf)                                            1.000
                                                                               Totaal           10.000

Komen principieel in aanmerking voor de bijkomende heffing:
- inkoopbonus                                                                                   5.000
- VVPR-dividend                                                                                4.000
- andere staatsbon                                                                            2.000
- interest op rekening-courant                                                            1.000
                                                                               Totaal           12.000

Het grensbedrag is overschreden (10.000 + 12.000 = 22.000). De overschrijding bedraagt 1.980 euro (22.000 - 20.020). Er is dus 4% bijkomende heffing verschuldigd op 1.980 euro.

Als de inkoopbonus slechts 3.000 in plaats van 5.000 zou bedragen, zou er helemaal geen bijkomende heffing verschuldigd zijn (10.000 + 10.000, dus geen overschrijding).

Als het gewone dividend 20.000 in plaats van 9.000 zou bedragen, zou er 12.000 bijkomende heffing verschuldigd zijn, ook al is dat dividend zelf niet onderworpen aan de heffing (21.000 + 12.000, dus overschrijding met 12.980, waarvan echter slechts 12.000 in aanmerking komt voor bijkomende heffing)

(Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Staatsblad van 30 december 2011)



08-08-17 Régularisation fiscale: formulaires pour "montants non-scindés" publiés au moniteur belge (M.B. 31/07/2017)
Le 23 mai 2017, le Gouvernement fédéral et le Gouvernement flamand ont conclu un accord de coopération sur les « montants non-scindés » relatifs au capitaux fiscalement prescrit.....lees meer
 
07-08-17 Oldtimer pas vanaf 30 jaar
Samen met de ‘vergroening’ van de verkeersbelasting voor lichte vrachtwagens heeft de Vlaamse regering ook het fiscale statuut van oldtimers aangepast.....lees meer
 
06-08-17 Vier maanden extra voor fiscale bemiddeling
De fiscale bemiddelingsdienst biedt een extra mogelijkheid om een geschil met de fiscus in der minne te regelen.....lees meer
 
01-08-17 Fiscale regularisatie: formulieren voor ‘onsplitsbare bedragen’ in Staatsblad verschenen (BS 31/7/2017)
Op 23 mei 2017 werd zoals wij al eerder meedeelden een samenwerkingsakkoord afgesloten tussen de Federale en de Vlaamse regering omtrent de zogenaamde ‘onsplitsbare bedragen’ m.b.t. verjaard oorsprongskapitaal. ....lees meer
 
website door webalive