nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
De verruimde minnelijke schikking: de deus ex machina voor fiscale strafdossiers?
 
1. In het Belgisch staatsblad van 6 mei 2011 is de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen gepubliceerd(1) . Naast verschillende wijzigingen in fiscale wetteksten bevat deze wet eveneens de zogenaamde verruimde minnelijke schikking onder artikel 84.

Dit artikel wijzigt artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering op verschillende punten en breidt het toepassingsgebied van de minnelijke schikking in strafzaken (ook gekend als het VSBG: verval van de strafvordering door het betalen van een geldsom) gevoelig uit, zowel procedureel als materieel.

Deze uitbreiding beoogt dat aanzienlijk meer vermogensrechtelijke inbreuken (financiële misdrijven, fiscale en sociale fraude,...) het voorwerp kunnen uitmaken van een minnelijke schikking om op deze manier de werkdruk van de rechtbanken en hoven te verminderen.

2. Net als voorheen kan de strafvordering vervallen wanneer de verdachte op voorstel van de procureur des Konings een door deze laatste bepaalde geldsom betaalt, in voorkomend geval het slachtoffer vergoedt en eventueel de voor verbeurdverklaring vatbare goederen afgeeft. De verdachte heeft geen recht op een minnelijke schikking; de beslissing ligt steeds bij het openbaar ministerie. De verdachte kan wel steeds vragen aan het openbaar ministerie om een voorstel te doen (de wet vertrekt zelfs van deze veronderstelling).

I. Minnelijke schikking ook mogelijk bij gerechtelijk onderzoek en hangende strafzaken

3. De belangrijkste wijziging door de Wet van 14 april bestaat erin dat het recht van de procureur des Konings om een minnelijke schikking voor te stellen ook kan worden uitgeoefend wanneer de onderzoeksrechter met een onderzoek is gelast of wanneer de zaak reeds bij de rechtbank of het hof aanhangig is gemaakt (paragraaf 2, eerste lid van het nieuw artikel 216bis Sv.; de procedurele uitbreiding). Tot zolang er nog geen vonnis of arrest van de feitenrechter is dat in kracht van gewijsde is getreden, blijft de mogelijkheid bestaan om een minnelijke schikking te sluiten. In de vroegere regeling was een minnelijke schikking enkel mogelijk tot zolang er geen gerechtelijk onderzoek was of de zaak niet aanhangig was gemaakt voor het vonnisgerecht.

Vooral het eerste was problematisch; dikwijls moet de procureur des Konings al vroeg in het opsporingsonderzoek dwangmaatregelen (zoals een huiszoeking of een aanhoudingsbevel) vorderen, hetgeen noodzakelijkerwijs gepaard gaat met een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek. Hierdoor was een minnelijke schikking in heel wat zaken al van bij de aanvang van het onderzoek uitgesloten, hetgeen de beleidsruimte van het parket ernstig beperkte. De nieuwe wet haalt deze angel uit de vorige regeling.

II. Minnelijke schikking (nog niet) voor correctionaliseerbare misdrijven

4. Een minnelijke schikking is volgens de nieuwe regeling mogelijk voor overtredingen, wanbedrijven en misdaden die bij toepassing van de artikelen 1 en 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden vatbaar zijn voor correctionalisering. De toevoeging van deze laatste categorie misdrijven (de materiële uitbreiding) is een conditio sine qua non voor het welslagen van het opzet van de wetswijziging; correctionaliseerbare misdaden zoals (gemeenrechtelijke) valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken, witwashandelingen en criminele organisatie worden immers vaak ten laste gelegd in geval van fiscale fraude.

5. Een voorstel tot minnelijke schikking is enkel mogelijk wanneer het openbaar ministerie van oordeel is dat enkel een geldboete en eventueel een bijzondere verbeurdverklaring noodzakelijk zijn (paragraaf 1, eerste lid van het nieuw artikel 216bis Sv.). Indien het openbaar ministerie meent dat ook een andere straf (een gevangenisstraf of een werkstraf en eventuele bijkomende straffen zoals een beroepsverbod) moet worden opgelegd, dan kan het een minnelijke schikking niet toestaan.

Evenwel werd geen rekening gehouden met de bepalingen van artikel 80 van het Strafwetboek; overeenkomstig het laatste lid van dit artikel dient na correctionalisatie van een misdaad door aanneming van verzachtende omstandigheden steeds minstens een gevangenisstraf van 1 maand te worden opgelegd.

Dit houdt in dat vooralsnog de genoemde misdaden buiten het toepassingsgebied van de wet blijven en bijgevolg het merendeel van de dossiers waarin de wet juist beoogt een “deal” te verkrijgen, buiten schot blijft.

Dit laatste werd ook tijdens de hoorzitting in de commissie voor de Justitie van de Senaat van 22 maart 2011 met de professoren Haelterman, Verstraeten en Masset opgemerkt, zodat reeds op 24 maart 2011 een wetsontwerp tot wijziging van het artikel 216bis het Wetboek van strafvordering werd ingediend(2) , nog voor de eerste wet was afgekondigd en bekrachtigd.

Het is nu wachten totdat ook dit wetsontwerp wordt afgekondigd en bekrachtigd en in werking treedt, vooraleer er daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van de nieuwe bepalingen.

Deze rechtzetting houdt evenwel een zekere paradox in; het wetsontwerp vertrok net van de premisse dat het parket enkel zou mogen menen een geldboete te moeten vorderen (hetgeen het instrument geschikt zou maken voor vermogensmisdrijven), terwijl de strafwet voor de beoogde correctionaliseerbare vermogensmisdrijven het parket verplicht minstens een gevangenisstraf van 1 maand te vorderen...

III. Bedrag van te betalen geldsom naar het oordeel van het Parket

6. Volgens de nieuwe wet mag het bedrag van de geldsom niet meer bedragen dan het maximum dat de strafwet bepaalt (al dan niet verhoogd met opdeciemen). Voor fiscale fraudedossiers impliceert dit dat het maximumbedrag van de geldsom 125.000 Euro(3)  (niet te verhogen met opdeciemen) bedraagt (cf. art. 449 e.v. WIB '92 en art. 73 e.v. BTW-Wetboek).

Het minimum van 10 Euro (te verhogen met opdeciemen) wordt in de nieuwe regeling afgeschaft; de wet stelt nu in algemene termen dat het bedrag in verhouding moet staan tot de zwaarte van het misdrijf, hetgeen een wel zeer ruime marge laat aan het openbaar ministerie.

Het is te verhopen dat spoedig duidelijke richtlijnen door de minister van Justitie in samenwerking met het college van procureurs-generaal worden uitgevaardigd (met concrete schalen voor verschillende misdrijven naargelang bijvoorbeeld de kwalificatie, omvang of ernst van het misdrijf) om al te ongelijke toepassingen te vermijden.

7. Volgens de nieuwe wet bepaalt de procureur des Konings op welke wijze en binnen welke termijn de betaling geschiedt en de precieze feiten omschreven in tijd en ruimte waarvoor hij de betaling voorstelt. Op die manier moet voor alle partijen duidelijk zijn voor welke precieze feiten het verval van de strafvordering intreedt door de betaling van de geldsom. Het lijkt ook aan te bevelen een precieze kwalificatie van de feiten te bepalen om op die manier onder meer te kunnen nagaan of het maximum van de geldsom niet wordt overschreden.

8. De termijn binnen welke de betaling moet geschieden bedraagt ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden. De procureur des Konings kan deze termijn verlengen (in de vroegere regeling was dit hoogstens zes maanden voor een wanbedrijf) wanneer bijzondere omstandigheden het wettigen of verkorten indien de verdachte hiermee instemt. De wet bepaalt uitdrukkelijk dat het voorstel en de beslissing tot verlenging de verjaring van de strafvordering stuiten.

IV. Nieuwe procedure met sleutelrol voor het slachtoffer

9. De wet van 14 april 2011 heeft ook een heel procedureel kader uitgeschreven met diverse stappen die de procureur des Konings dient te volgen.

Wanneer reeds een gerechtelijk onderzoek is geopend, laat de procureur des Konings zich het strafdossier overmaken door de onderzoeksrechter, die een advies kan geven over de stand van het onderzoek.

De nieuwe regeling schrijft voor dat indien de procureur des Konings van oordeel is dat toepassing kan gemaakt worden van de minnelijke schikking, de verdachte, het slachtoffer en hun advocaten inzage verleent in het strafdossier.

De procureur des Konings brengt vervolgens de verdachte en het slachtoffer en hun advocaten samen om zijn voornemen tot minnelijke schikking toe te lichten. Hij bepaalt dan op welke feiten de minnelijke schikking betrekking zal hebben, het bedrag van de geldsom, de kosten en de goederen waarvan afgifte moet worden gedaan.

Hij bepaalt een termijn binnen dewelke de verdachte en het slachtoffer tot een akkoord kunnen komen in verband met de omvang van de schade en de regeling van de schadevergoeding. Indien de partijen uiteindelijk tot een akkoord komen, melden zij dat aan de procureur des Konings die het akkoord akteert in een proces-verbaal.

10. De nieuwe wet plaatst het slachtoffer in een centrale rol. Een minnelijke schikking zonder het akkoord van het slachtoffer is uitgesloten; het slachtoffer beschikt over een heus vetorecht.

V. Blijft de verplichte verbeurdverklaring verplicht?

11. De wet bepaalt dat de procureur des Konings de verdachte van het misdrijf waarop de verbeurdverklaring staat of kan staan, verzoekt binnen een door hem bepaalde termijn afstand te doen van in beslag genomen goederen of vermogensvoordelen, of indien deze niet in beslag genomen zijn, ze af te geven. Zoals gezegd bepaalt de procureur des Konings hierbij om welke goederen of vermogensvoordelen het gaat.

De wet biedt geen duidelijkheid of in dit kader de verplichte verbeurdverklaring die gepaard gaat met misdrijven zoals witwassen, ook verplicht blijft - in de zin dat van deze bedragen verplicht afstand moet worden gedaan - of dat daarentegen, zoals het geval is bij de opschorting(4) , de verbeurdverklaring in zijn geheel facultatief wordt en de procureur des Konings de keuze heeft om de verdachte al dan niet te vragen van deze bedragen afstand te doen.

VI. De administratie beschikt ook over een vetorecht en de belastingen moeten integraal worden betaald

12. Voor de fiscale (of sociale) misdrijven, waarop de wetswijziging in het bijzonder is gericht, bepaalt de nieuwe regeling dat de minnelijke schikking pas mogelijk is nadat de dader van het misdrijf de door hem verschuldigde belastingen (of sociale bijdragen), inclusief de intresten, heeft betaald, en de fiscale (of de sociale) administratie met de minnelijke schikking heeft ingestemd.

Het is spijtig dat deze bepaling niet verder wordt uitgelegd; zij roept immers diverse vragen op. Dient er voor het bepalen van de door de dader verschuldigde belasting rekening te worden gehouden met een mogelijke hoofdelijke gehoudenheid ingevolge artikel 458 WIB 92 en artikel 73sexies WBTW? Is een minnelijke schikking mogelijk voor een mededader wanneer die een deel (“zijn deel”) van de verschuldigde belastingen betaalt, doch de overige mededaders dit niet doen?

Het lijkt op het eerste gezicht niet mogelijk om een minnelijke schikking te sluiten waarbij de fiscale (of de sociale) administratie garanties worden verstrekt (bv. een wettelijke hypotheek en afbetalingsplan); enkel een onmiddellijke en integrale betaling van de belasting lijkt te kunnen volstaan. Dit zal het aantal gevallen waarin toepassing kan worden gemaakt van de minnelijke schikking aanzienlijk beperken.

VII. Geen una via

13. De minnelijke schikking maakt geen einde aan andere hangende burgerlijke of fiscale procedures en verhindert evenmin dat deze nog zouden worden ingesteld.

Zeker wat fiscale procedures betreft is dit een gemiste kans. Gelet op de voorwaarde dat de belastingen dienen betaald te zijn en de fiscale administratie over een vetorecht beschikt, kon deze wet een uitgelezen allereerste toepassing zijn van het zoveel geprezen una via-beginsel.

14. De wet bepaalt bovendien nog steeds net zoals vroeger dat de aanvaarde minnelijke schikking geldt als een onweerlegbaar vermoeden van fout.

Dit wil ook zeggen dat niets belet dat de fiscale administratie, ondanks het feit dat de dader reeds een geldsom heeft betaald, alsnog fiscale boetes kan vorderen van de dader voor de fiscale rechtbank(5) .

VIII. Mededelingen bij de onderhandelingen niet toelaatbaar als bewijs

15. De nieuwe wet bepaalt dat indien er na onderhandelingen uiteindelijk geen akkoord op tafel komt, de documenten die werden opgemaakt en de mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg niet ten laste van de dader kunnen worden aangewend in enige procedure en dat ze niet toelaatbaar zijn als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.

Dit mag dan al vanzelfsprekend lijken, gelet op de recente cassatierechtspraak die het gebruik van belastende verklaringen afgelegd tijdens een verhoor zonder bijstand van een advocaat(6) in heel wat gevallen toelaat, is een dergelijke uitdrukkelijk wettelijk bepaalde ontoelaatbaarheid geen overbodige luxe.

IX. Kan de rechter enkel akte nemen van de minnelijke schikking?

16. Wanneer een minnelijke schikking is uitgevoerd in een zaak die bij het vonnisgerecht aanhangig werd gemaakt en over de strafvordering nog geen in kracht van gewijsde getreden uitspraak is tussengekomen, schrijft de wet voor dat de parketmagistraat het vonnisgerecht officieel inlicht.

De wet bepaalt dat de bevoegde rechter in dat geval op vordering van het parket het verval van de strafvordering vaststelt ten aanzien van de dader die het voorstel aanvaard en nageleefd heeft.

17. De formulering van deze laatste bepaling lijkt in te houden dat de bevoegde rechter over weinig controlemogelijkheden beschikt en enkel akte kan nemen van een uitgevoerde minnelijke schikking.

Nochtans kan de rechter nagaan of de strafvordering nog niet vervallen was op het ogenblik van de aanvaarding en de uitvoering van de minnelijke schikking (bijvoorbeeld door verjaring)(7) . Dit doet dan evenwel de nodige vragen rijzen met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de tussengekomen minnelijke schikking; een strafvordering waarover “geschikt” kon worden, was immers niet meer voorhanden. De vraag kan in dat geval worden gesteld of de geldsom niet kan worden teruggevorderd, de minnelijke schikking nog wel kan gelden als een onweerlegbaar vermoeden van fout, de mededelingen bij de onderhandelingen nog toelaatbaar zijn als bewijs,...

X. Besluit

18. De verruimde minnelijke schikking biedt heel wat nieuwe mogelijkheden om strafzaken die voorheen enkel voor de rechtbank konden worden beslecht, op een proceseconomische wijze af te handelen waarbij zowel de verdachte, het slachtoffer als de gerechtelijke overheden zijn gebaat.

De toekomst zal uitwijzen of de wet zichzelf niet in de voet schiet door al te stringente voorwaarden (onmiddellijke en integrale betaling van de belasting) en door onvoldoende ver te gaan in de gevolgen van de minnelijke schikking (geen una via).

Bart COOPMAN                                                                     Koen HENS
Advocaat-vennoot                                                                  Advocaat

----------------------------------------------------------------
(1) Via een amendement van 2 maart 2011 werd de wijziging van artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering aan het wetsontwerp houdende diverse bepalingen van 11 februari 2011 toegevoegd. Op 17 maart 2011 werd de tekst van het betreffende wetsontwerp zonder amendering aangenomen in de plenaire vergadering van de Kamer en overgezonden naar de Senaat. De Senaat heeft op 31 maart beslist de tekst niet te amenderen. De wet werd uiteindelijk afgekondigd en bekrachtigd op 14 april 2011.
(2) Het wetsontwerp werd op 31 maart 2011 aangenomen in de plenaire vergadering van de Senaat en overgezonden aan de Kamer. Op 13 mei 2011 werd de Raad van State door de Kamer om advies verzocht. Dit wetsontwerp wenst tevens een andere rechtzetting te doen; doordat artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering, dat de strafbemiddeling regelt, verwijst naar artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering wat betreft haar procedureel toepassingsgebied, werd ook deze regeling ongewild uitgebreid tot de fase van het gerechtelijk onderzoek en de procedure ten gronde.
(3) Carl Devlies, aftredend staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, zou dit bedrag willen laten wijzigen en verhogen tot 687.500 euro. Zie www.carldevlies.be.
(4) Artikel 6, tweede lid van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie zoals gewijzigd door art. 15 van de Wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken.
(5) Zie evenwel B. COOPMAN en K. HENS, "Samenloop van straf en boete in fiscalibus niet meer mogelijk ingevolge recente rechtspraak Europees Hof?”, T.F.R. 2010, afl. 382, 511-513, noot onder EHRM 16 september 2009 .
(6) Cass. 23 november 2010, Juristenkrant 2010 (weergave T. DECAIGNY), afl. 219, 1; Cass. 7 december 2010, www.cass.be
(7)  In welk geval hij het verval van de strafvordering uiteraard eveneens zal dienen vast te stellen, doch op basis van een andere rechtsgrond.



28-04-17 "DEFINITIEF" STANDPUNT VAN VLABEL OVER DE MAATSCHAP
Op 26 april jl. heeft Vlabel een “definitief” standpunt (nr. 15004) ingenomen over maatschappen die geldbeleggingen en/of een effectenportefeuille aanhouden en waarvan de deelbewijzen onder voorbehoud van vruchtgebruik voor een Nederlandse notaris worden geschonken. Hieronder treft u de visie van Vlabel.....lees meer
 
07-04-17 Tax shelter film: Corsan-gedupeerden kunnen rekenen op begrip van fiscus
Wie het tax shelter-voordeel aan zijn neus voorbij ziet gaan omdat de productiemaatschappij niet aan zijn verplichtingen voldoet en dus niet aan de nodige attesten geraakt, zal in de meeste gevallen de fiscale schade kunnen beperken.....lees meer
 
06-04-17 Betalingen aan belastingparadijzen: ruimere aangifteplicht voor betalingen vanaf 14 juli 2016
Samen met de aangifte vennootschapsbelasting moet ook aangifte gedaan worden van alle betalingen die men tijdens het belastbaar tijdperk gedaan heeft aan een “belastingparadijs” (als de drempel van 100.000 euro aan dergelijke betalingen overschreden wordt). ....lees meer
 
05-04-17 Fiscale cijfers voor 2017 (II)
Omdat verschillende geďndexeerde bedragen dit jaar pas laat gepubliceerd zijn, volgt hieronder een aanvulling op ons eerste overzicht van de fiscale cijfers voor 2017 (zie ons artikel “Fiscale cijfers voor 2017”). ....lees meer
 
website door webalive