nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
  Nieuwe BTW regels voor facturatie en verhuring van vervoermiddelen
 
Opheffing bankgeheim in bezwaarfase is toch niet ongevaarlijk
 
Bij het onderzoek van een bezwaarschrift is de gewestelijke directeur niet gebonden door het bankgeheim. Voor de bezwaarindiener kan dat geen kwaad, want de gegevens die de fiscus op die manier ontdekt, mogen niet leiden tot een aanvullende aanslag. Maar de fiscus zou eventueel wel gebruik kunnen maken van die gegevens om een andere belastingplichtige een aanvullende aanslag op te leggen. Dat is toch het standpunt van het Antwerpse Hof van Beroep.

Het zogenaamde bankgeheim (thans zwaar onder [internationale] druk - houdt in dat de fiscus bij een bank of een andere financiële instelling geen gegevens mag inzamelen met het oog op het belasten van de cliënten van die bank. Dat staat in artikel 318 WIB 1992.

Fiscus wil weten aan wie bezwaarindiener geld gestort heeft
 
Maar op die regel bestaan enkele uitzonderingen. Zo wordt het bankgeheim opgeheven zodra een belastingplichtige een bezwaarschrift indient (artikel 374, lid 2 WIB 1992). Dat is minder erg dan het klinkt, want de fiscus zegt zelf dat de inlichtingen die in die context aan een bank gevraagd worden, alleen mogen dienen voor het onderzoek van het bezwaar en niet voor het vestigen van een bijkomende aanslag. Het klopt dat sommigen zich afvragen of het bankgeheim tegenwoordig nog veel om het lijf heeft. Maar auteurs die dat schrijven, denken daarbij zeker niet in de eerste plaats aan de opheffing van het bankgeheim tijdens de bezwaarfase. Dat werd tot nu toe als een “ongevaarlijke” uitzondering beschouwd (zie ons artikel “Wat houdt het bankgeheim nog in?”).

Een recent arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen toont echter aan dat er meer aan de hand kan zijn. In die zaak wou de fiscus controleren of bepaalde betalingen die een belastingplichtige gedaan had, zogezegd voor de huur van machines, correspondeerden met werkelijke verrichtingen. De administratie vroeg zich ondermeer af of het geld wel terechtgekomen was bij een derde partij (de zogezegde verhuurder van de machines) en niet via een omweg teruggestort was aan de belastingplichtige. Daarom vroeg de fiscus eerst bij de bank van de belastingplichtige de uittreksels op van de rekening die gebruikt was om de betalingen te doen. Dat kon de administratie probleemloos doen, want alles gebeurde in het kader van het onderzoek van het bezwaarschrift van de belastingplichtige, en dus was het bankgeheim niet aan de orde.

... en ontdekt zwarte inkomsten van andere belastingplichtige
 
Het werd pas echt interessant toen de fiscus zich vervolgens wendde tot de bank van de begunstigde van de betalingen (de verhuurder), om te kijken wie er schuilging achter die rekening. Die bank gaf spontaan alle rekeninguittreksels door aan de fiscus. En daaruit bleek zwart op wit dat de houder van de rekening nog heel wat meer betalingen ontvangen had voor de verhuur van machines en dergelijke - ook van andere klanten. Die inkomsten had hij niet aangegeven, en dus deed de fiscus onmiddellijk wat hij dacht te moeten doen: een aanvullende aanslag vestigen ten name van de verhuurder.

Voor de bezwaarindiener zelf (de huurder van de machines) was er dus niets aan de hand, maar wel voor een andere belastingplichtige over wie de fiscus louter toevallig bezwarende details gevonden had dankzij de opheffing van het bankgeheim.

Mag fiscus profiteren van opheffing bankgeheim om derde te belasten?
 
Die andere belastingplichtige (de zogezegde verhuurder) liet dat niet over zijn kant gaan. Volgens hem had de fiscus die gegevens in geen geval mogen gebruiken om hem te belasten. Hij wees ondermeer op het officiële standpunt van de administratie zelf. Die schrijft in haar administratieve commentaar dat ze zich alleen mag richten tot de banken die schuldenaar of schuldeiser zijn van de bezwaarindiener (m.a.w. waar hij zelf geld heeft staan). Het is dus verboden om inlichtingen te vragen aan alle banken waarmee de bezwaarindiener ooit in betrekking zou kunnen zijn geweest (Com. IB 374/10 en 374/13).

En zelfs als dat toegelaten zou zijn, is er nog altijd de algemene regel dat de ontdekte informatie alleen gebruikt mag worden voor het onderzoek van het bezwaarschrift. Ook dat is een officieel standpunt van de fiscus. De gegevens mogen “in geen geval” worden gebruikt met het oog op het vestigen van een aanvullende aanslag (Parl. Vraag nr. 263 van Senator de Clippele, 10 juli 1991, Bull. Bel. 1992, nr. 714, p. 927). Achter dat standpunt schuilt een duidelijke logica. De onderzoeksbevoegdheden van de administratie zijn “doelgebonden”: ze mogen alleen gebruikt worden voor datgene waarvoor ze bedoeld zijn. Een bevoegdheid die de fiscus krijgt specifiek voor het onderzoeken van een bezwaarschrift, mag dus niet voor iets anders gebruikt worden, en zeker niet voor het omzeilen van het bankgeheim dat een derde beschermt.

Hof: ja, zolang bezwaarindiener zelf niet belast wordt
 
Maar het Hof van Beroep legt al die argumenten naast zich neer. De fiscus mag alles vragen wat “nodig” is voor het onderzoek van het bezwaar, vindt het Hof. En om te beoordelen of de betalingen aftrekbaar zijn, moest de fiscus weten of het om werkelijke verrichtingen ging en dus wie de betalingen ontvangen had. Daarom mocht ze ook die tweede bank aanspreken, zelfs al was dat niet de bank van de bezwaarindiener zelf. Artikel 374 WIB 92 geeft de gewestelijke directeur zeer ruime onderzoeksbevoegdheden, vindt het Hof. En binnen de administratie mogen alle gegevens doorgespeeld worden aan collega-ambtenaren - in dit geval de collega's van het controlekantoor waar de verhuurder onder viel (artikel 336 WIB 92). Hoe dan ook, zo besluit het Hof, zijn de gegevens niet gebruikt om een aanvullende aanslag te vestigen - toch niet in hoofde van de bezwaarindiener.

Eigenlijk betreft deze zaak een specifiek geval. Want de tweede bank had de fiscus spontaan gegevens bezorgd, waar hij niet eens om gevraagd had: niet alleen de identiteit van de begunstigde maar ook alle verrichtingen op zijn rekeningen. En dan komt de fiscus natuurlijk wel heel sterk in de verleiding om de regel in te roepen dat hij alles mag gebruiken wat hij als bewijskrachtige gegevens in handen krijgt (artikel 358, §1, 4° WIB 1992). Enige nuance is dus vereist. Maar het blijft een feit dat de fiscus die informatie nooit in handen gekregen zou hebben dankzij de opheffing van het bankgeheim in de bezwaarfase. Dat illustreert eens te meer dat het bankgeheim zeker niet waterdicht is (zie ook ons artikel “Bankgeheim binnenkort versoepeld”).

Bron: arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 9 november 2010



16-02-17 Panama en Guatemala zijn nu officieel belastingparadijs
Dat Panama volgens de Belgische fiscale wetgeving nu formeel doorgaat als een belastingparadijs, is geen gevolg van het schandaal rond de “Panama papers” van april 2016.....lees meer
 
15-02-17 Nieuw regime voor deeleconomie is van toepassing vanaf 1 maart
De wet over de fiscaliteit van de deeleconomie is al meer dan een half jaar geleden gepubliceerd, maar treedt pas op 1 maart 2017 effectief in werking. Het probleem is de erkenning van de elektronische platforms.....lees meer
 
26-01-17 Vangnetbepaling vangt minder
Er blijft een zogenaamde vangnetbepaling bestaan die moet verzekeren dat betalingen aan het buitenland toch belast worden ook al is er geen specifieke regel die ze aan belasting onderwerpt.....lees meer
 
25-01-17 Oplossing voor discussie over verzekeringsgift
Een wetswijziging moet een einde maken aan een felle polemiek die eind 2015 losgebarsten is rond de “verzekeringsgift”. ....lees meer
 
website door webalive