nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Lawyers   Coordonnées   Nouvelles   Jobs   Conditions générales  
  Nouvelles règles TVA en matière de facturation et location de moyens de transport
 
Het Hof van Cassatie neemt standpunt in over de peildatum voor de waardering van aandelen bij uitsluiting van een aandeelhouder
 
Met een arrest van 9 december 2010 heeft het Hof van Cassatie voor het eerst een duidelijk standpunt ingenomen over de peildatum voor de waardering van aandelen in geval van een procedure tot gedwongen overdracht van aandelen (de zogenaamde uitsluitingsprocedure).

Hoewel de artikelen 334-342 (voor de BVBA) en de artikelen 636-644 (voor de NV) van het Wetboek van Vennootschappen de voorwaarden en modaliteiten beschrijven van de procedure tot gedwongen overdracht (uitsluiting) en gedwongen overname (uittreding) van aandelen, bevat het Wetboek van Vennootschappen nergens een aanduiding van het tijdstip dat in acht genomen moet worden om de waarde van de over te dragen aandelen te bepalen.

Dit betekent dat de rechter over een soevereine appreciatiebevoegdheid terzake beschikt en een billijke oplossing kan zoeken voor interne conflicten binnen de vennootschap.

Deze soevereine bevoegdheid heeft tot gevolg dat in de praktijk tal van tijdstippen gehanteerd worden om de waarde van de aandelen te bepalen (datum afsluiten laatste jaarrekening, tijdstip van de gegronde reden die tot de uitsluiting leidde, datum van inleiding van de vordering, ogenblik waarop de uitsluiting of uittreding wordt bevolen, een later ogenblik na het tussenvonnis,...).

Met haar arrest van 9 december 2010 verbrak het Hof van Cassatie een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 8 mei 2008. De casus die aan het Hof van Beroep was voorgelegd betrof een BVBA waarbij een aandeelhouder de uitsluiting vorderde van een andere aandeelhouder, hetgeen was toegekend bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel dd. 13 februari 2004, met bevel tot overdracht van de aandelen op datum van betekening van het vonnis (1 maart 2004). De gerechtsdeskundige bepaalde de waarde van de aandelen echter op datum van 31 december 2003, ogenblik waarop het eigen vermogen van de vennootschap negatief was. De uitgesloten vennoot repliceerde hierop dat de waarde tussen 1 januari 2004 en 30 juni 2004 zeer significant gestegen was en dat in een continuïteitsperspectief gewaardeerd diende te worden.

Het Hof van Beroep oordeelde dat de waarde van de vennootschap bepaald dient te worden op basis van de jaarrekening of een voorlopige balans die het dichtst aanleunt bij de datum waarop de rechtbank de overdracht van de aandelen heeft bevolen, waarbij het Hof van Beroep de datum van 31 december 2003 in aanmerking nam als peildatum. Het Hof van Beroep stelde hierbij dat gebeurtenissen na deze datum, meer bepaald het heropleven van de vennootschap in de eerste jaarhelft van 2004 niet in rekening kunnen gebracht worden voor de waardering onder meer omdat deze heropleving te danken was aan het gezond financieel beheer van de andere aandeelhouder.

Het Hof van Cassatie verbrak dit arrest stellende dat de omstandigheid dat de aandelen gewaardeerd werden op 31 december 2003, terwijl de aandelen dienden overdragen te worden op 1 maart 2004 (zijnde de datum van betekening van het vonnis dat de overdracht heeft bevolen), een schending van de artikelen 334 en 338 van het Wetboek van Vennootschappen uitmaakt.

Het Hof van Cassatie stipte hierbij aan dat de aandelen op datum van de overdracht zoals die bepaald wordt door de rechter, gewaardeerd moeten worden, aangezien het recht op betaling van de aandelen ontstaat op het ogenblik van de overdracht van de eigendom van de aandelen. Deze waardering dient in een perspectief van continuïteit te gebeuren, zonder dat de invloed van het gedrag van partijen op de situatie die tot de inleiding van de vordering heeft geleid, noch de invloed van hun gedrag op een heropleving van de vennootschap nadien, in rekening kan gebracht worden.

Deze zienswijze van het Hof van Cassatie lijkt terug te grijpen naar de stelling die in oudere rechtsleer werd geponeerd, dat het aan de rechter optredend zoals in kort geding niet toekomt om een schadevergoeding toe te kennen. Rekening houden met een ander tijdstip dan de datum van de uitspraak zou in die optiek neerkomen op het potentieel toekennen van een schadevergoeding op grond van een foutief gedrag van de partijen. In de rechtsleer bestaat nogal wat discussie over deze visie en ook in de rechtspraak leek een tendens te bestaan om de peildatum vóór de datum van de uitsluiting te bepalen. Het is dus maar zeer de vraag of het arrest van het Hof van Cassatie soelaas zal bieden in de praktijk.

Tot slot is het belangrijk op te merken dat dit arrest van het Hof van Cassatie enkel betrekking heeft op de uitsluitingsprocedure en niet op de uittredingsprocedure, die een andere finaliteit heeft.

Tom VANRAES
Advocaat-vennoot
(tvr@dvp-law.com)



04-07-19 Fiscus mag privéwoning betreden, maar krijgt geen vrijbrief van Grondwettelijk Hof
De controles van de fiscus ter plaatse, de zogenaamde fiscale visitaties, blijven controverse oproepen. Concreet rees de vraag of de bestaande procedure die de fiscus moet volgen om toegang te krijgen tot de privéwoning van de belastingplichtige, voldoende waarborgen biedt ter bescherming van fundamentele rechten zoals de privacy. Het Grondwettelijk Hof ziet geen echte problemen maar eist wel betekenisvolle waarborgen.....lire la suite
 
19-06-19 Onroerende verhuur met BTW: fiscus geeft nuttige verduidelijkingen
Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om – optioneel – een gebouw te verhuren mét BTW. Dat betekent dus dat de BTW op de kosten voor dat gebouw aftrekbaar wordt. Er zijn echter allerlei voorwaarden en speciale regimes, wat de nieuwe optieregeling behoorlijk ingewikkeld maakt. De fiscus poogt nu enige klaarheid te scheppen met een “FAQ”, een lijst met antwoorden op vaak gestelde vragen.....lire la suite
 
19-06-19 Afzonderlijke belasting van vergoedingen na stopzetting: geen “normale beroepswerkzaamheid” meer nodig
Inzake afzonderlijke belasting van bepaalde achterstallen, opzeg- en compensatievergoedingen enz. keren we terug naar het gunstige regime van vóór 2013. De enge interpretatie door het Hof van Cassatie van het begrip “normale beroepswerkzaamheid” wordt naar de prullenmand verwezen door dat begrip uit de wet te schrappen. De oude interpretatie van de fiscus wordt in de wet ingeschreven.....lire la suite
 
14-06-19 Effectieve prestaties door managementvennootschap zijn niet vereist
Met de aftrek van vergoedingen die betaald worden aan een managementvennootschap, is er principieel geen enkel probleem, oordeelt het Hof van Cassatie. De fiscus gebruikt vaak het argument dat de vennootschap zelf geen effectieve managementprestaties levert. Dat doen de natuurlijke personen achter de vennootschap. Maar dat argument doet niet ter zake, aldus het Hof van Cassatie. ....lire la suite
 
site web par webalive