nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Voorstelling   Vakgebieden   Lawyers   Coördinaten   Nieuws   Links   Algemene voorwaarden  
Recente trends in 'witwasland'
 
De wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, de zogenaamde Witwaspreventiewet (WWPW), heeft reeds zeer vele wetswijzigingen ondergaan sinds 1993. Vele van de wijzigingen zijn het gevolg van de gewijzigde aanbevelingen van de Financiële Actiegroep (FAG, Financial Action Task Force FATF), de werkgroep bij de OESO die het internationaal antiwitwasbeleid coördineert. Deze wijzigingen worden steevast overgenomen in Europese richtlijnen (Witwasrichtlijnen) die dan doorsijpelen naar de Belgische wetgeving. Maar daarnaast heeft de Belgische wetgever ook steeds meer en meer gebruik (of misbruik) gemaakt van deze wetgeving om zich ook bezig te houden met de strijd tegen de fiscale fraude. Hierdoor werd de WWPW inmiddels al 31 keer gewijzigd. Gelet op de laatste wijzigingen en de toekomstige wijzigingen die al kunnen voorspeld worden, is het aangewezen om nog eens kort een overzicht hiervan te geven.

De laatste grote wetswijziging was het gevolg van de implementatie van de derde Europese Witswasrichtlijn. Dit gebeurde door de Wet van 18 januari 2010 tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, en het Wetboek van vennootschappen (B.S. 26 januari 2010). (Zie terzake A. CLAES, “Derde Europese Witwasrichtlijn (eindelijk) geïmplementeerd in Belgische Wetgeving.”, Accountancy & Fiscaliteit, 2010, nr. 5, 1-4). Niettemin, nadien werd de WWPW nog tienmaal gewijzigd.

Mogelijkheid tot uitwisseling van informatie werd uitgebreid met meldingsplicht voor de federale ambtenaren

De WWPW voorzag al geruime tijd dat het CFI (de Cel voor Financiële Informatieverwerking of de Witwascel) voor de beoordeling van de dossiers die haar worden doorgemeld, beroep moet kunnen doen op informatie van meerdere bronnen (o.a. politiediensten, meldingsplichtigen, curatoren, administratieve diensten van de Staat,...).

Door de Programmawet van 29 maart 2012 (B.S. 6 april 2012, 3° editie) werd er daarnaast voor een aantal personen evenwel ook een daadwerkelijke meldingsplicht ingevoerd. De ambtenaren van de administratieve diensten van de Staat, de curatoren in een faillissement, de voorlopige bewindvoerders bedoeld in artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, die, bij de uitoefening van hun opdrachten of bij de uitoefening van hun beroep, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten dit voortaan ook verplicht melden aan het CFI.

De meest geviseerde ambtenaren daarbij zijn mogelijks de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën (in het kader van de strijd tegen fiscale fraude) en de Federale Overheidsdienst Economie (die inzake witwassen een controlebevoegdheid hebben voor de erkende diamanthandelaars en de vastgoedmakelaars en tevens de controle uitoefenen op de beperking op betaling in contanten). Uit het laatste jaarverslag van het CFI blijkt dat deze ambtenaren reeds in 2012 (m.a.w. in de eerste maanden na inwerkingtreding) meerdere malen gebruik van deze mogelijkheid hebben gemaakt (13 door FOD Financiën en 12 door FOD Economie).

Vooral voor fiscale ambtenaren is deze meldingsplicht eigenlijk vrij opmerkelijk. Immers voor strikt fiscale zaken, kunnen fiscale ambtenaren geen melding doen aan het Parket zonder voorafgaandelijke machtiging van de gewestelijke directeur (art. 29, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering). De meldingsplicht inzake witwassen is niet onderworpen aan dergelijke voorafgaande machtiging. Hopelijk zal dit in de praktijk dan ook niet lijden tot overijverige fiscale ambtenaren die de meldingsplicht zouden misbruiken voor onbedoelde doeleinden.

De vermenging tussen de strijd tussen fiscale fraude en witwassen wordt hierdoor evenwel wederom intenser. In de praktijk ziet men hiervan al de invloed, steeds meer fiscale dossiers vinden hun oorsprong in meldingen aan het CFI (waarvan de FOD Financiën daarna geïnformeerd wordt op basis van artikel 35 WWPW).

Beperking van betalingen in contanten

De tweede Europese witwasrichtlijn (Richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van Richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld) schreef voor dat het toepassingsgebied van de witwaspreventiewet ook uitgebreid moest worden tot "handelaren in goederen van grote waarde", zoals edelstenen en -metalen, of kunstwerken, en veilingmeesters, telkens als in contanten wordt betaald, en wel voor een bedrag van 15.000 EUR of meer. Naast de financiële wereld, de cijferberoepen, notarissen enz... zag het er dus naar uit dat ook juweliers, garagehouders, kunstgalerijen, veilingmeesters, elektrozaken enz... onder het toepassingsgebied zouden vallen van de wet. Ook die personen zouden dus moeten overgaan tot identificatie van hun cliënten en zelfs meldingsplicht krijgen naar het CFI toe als er sprake zou zijn van aanwijzingen van witwassen.

Teneinde de Belgische wetgeving toch in overeenstemming te brengen met de Europese witwasrichtlijn, heeft men in de wet van 12 januari 2004 een absoluut verbod ingevoerd om de prijs van een verkoop door een handelaar van een goed met een prijs van 15.000 EUR of meer nog verder in contanten te ontvangen. Als er nooit enige betaling kon gebeuren in contanten van meer dan 15.000 EUR, zou er ook nooit een melding door een handelaar nodig zijn. Op die wijze werd het dus overbodig om een meldingsplicht op te leggen voor de handelaren in grote waarde (met één uitzondering: voor erkende diamanthandelaars). De Europese Commissie heeft ingestemd met die oplossing.

Voor onroerende goederen werd een gelijkaardig specifiek verbod voorzien. De verkoopprijs van een onroerend goed mocht niet meer in contanten betaald worden voor een bedrag van meer dan 10% of 15.000 EUR. Bovendien diende bij gebruik van een cheque of een overschrijving steeds melding gemaakt te worden van de rekening waarmee de verkoopprijs zal worden betaald. De notaris of vastgoedmakelaar die vaststelt dat dit verbod niet werd nageleefd, moest dit melden aan het CFI.

Indien dit artikel niet wordt nageleefd door een handelaar, legt de minister die de economische zaken onder zijn bevoegdheid heeft, hem een strafrechtelijke geldboete op waarvan het bedrag noch 10% van de ten onrechte in contanten betaalde sommen mag overschrijden, noch meer mag bedragen dan 1.250.000 EUR. De geldboete wordt geïnd ten voordele van de schatkist door de administratie van de BTW, registratie en domeinen. Vermits er enkel uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een handelaar in goederen, gold deze beperking niet voor dienstleveringen zoals verstrekt door beroepsbeoefenaars.

Door de Programmawet van 29 maart 2012 (B.S. 6 april 2012, 3° editie) werden bovenvermelde beperkingen gevoelig uitgebreid. Vooreerst werd buiten de verkoop van goederen door handelaren, voortaan ook alle dienstverlening door dienstverstrekkers beoogd. De grens van 15.000 EUR werd verlaagd tot 5.000 EUR. Tevens werd voorzien dat deze grens uiterlijk op 1 januari 2014 zal beperkt worden tot 3.000 EUR. Voor onroerende goederen wordt de grens vanaf 1 januari 2014 zelf herleid worden tot nul.

Opmerkelijk in deze regeling is het feit dat de betrokken handelaar of dienstverstrekker die de contantenbeperking niet naleeft, zelf een verplichting krijgt om dit onmiddellijk schriftelijk of elektronisch ter kennis van het CFI. Er werd voorzien dat de Koning bij besluit zou vastleggen welke handelaren en dienstverstrekkers verplicht zouden zijn de niet-naleving het verbod ter kennis te brengen van het CFI. Dergelijk KB heeft tot op heden het daglicht nog niet gezien. Er werd immers zeer terecht opgemerkt dat dergelijke verplichting om zich zelf te beschuldigen van enig misdrijf manifest strijdig is met het verbod op zelfincriminatie (het verbod om zich zelf te beschuldigen (art. 14.3.g van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) of art. 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM))).

De FOD Economie is bevoegd voor deze controles en heeft hier dan ook al veelvuldig gebruik van gemaakt. Tijdens deze controles zijn evenwel een aantal interpretatieproblemen aan het licht gekomen. De wetgever is ter zake dan ook opnieuw tussenbeide gekomen.

Zo wordt door de Wet van 15 juli 2013 houdende dringende bepalingen inzake fraudebestrijding (B.S. 19 juli 2013, 2° editie) voorzien dat ook de aankoop, door een handelaar in edele metalen, van één of meerdere goederen voor een bedrag van 5.000 EUR of meer, slechts mag in contanten worden vereffend voor een bedrag dat niet hoger is dan 10 % van de aankoopprijs en voor zover dat bedrag niet hoger is dan 5.000 EUR ongeacht of de aankoop plaatsvindt in één of meer verrichtingen of via meerdere verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan (niet alleen meer de verkoop door de goudhandelaar wordt geviseerd, maar ook de aankoop).

Naast deze wijzigingen, zullen ook de eerder aangepaste bovenvermelde grenzen (3.000 EUR en respectievelijk 0 EUR) eerstdaags (vanaf 1/1/2014) in werking treden.

Uitbreiding taak CFI in kader van fiscale regularisatie

In het kader van de fiscale regularisatie die eindigt op 31 december 2013 krijgt het CFI een iets uitgebreidere taak. Daar waar voorheen het CFI enkel een lijst kreeg van de ingediende aangiftes en uitgereikt regularisatieattesten, zal het voortaan informatie krijgen over de  omvang en de oorsprong van de geregulariseerde kapitalen en inkomsten, de periode waarin de kapitalen en inkomsten zijn ontstaan en de voor de geregulariseerde bedragen gebruikte financiële rekeningen. Het CFI krijgt evenwel geen kopie van het zogenaamde 'fraudeschema'. (zie terzake -, A. CLAES, “Kroniek van een aangekondigd einde: laatste ronde fiscale regularisatie start op 2 juli 2013 (en loopt tot 31 december 2013)”, Accountancy & Fiscaliteit 2013, nr. 17, 1-7.)

Begrip ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd

De belangrijkste recente wijziging en tevens de meest onduidelijkste wijziging is deze ten gevolge van de Wet van 15 juli 2013 houdende dringende bepalingen inzake fraudebestrijding (B.S. 19 juli 2013, 2° editie). Het nieuwe begrip “ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd” werd in de plaats gesteld van het eerdere begrip “ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzondere mechanismen of procédés van internationale omvang werden aangewend”. Dit als een van de hoofdmisdrijven die aanleiding kan geven tot witwashandelingen geviseerd in de WWPW.

Deze wetswijziging werd geïnspireerd op de nieuwe versie van de aanbevelingen van de FAG (FATF). Het FATF vermeldde in haar nieuwe aanbevelingen (aangenomen in februari 2012) dat het toepassingsgebied van de witwaspreventiewet zou moeten uitgebreid worden tot “serious tax crimes”. De vertaling van “serious tax crime” is echter geenszins “strafrechtelijke fiscale misdrijven” of “infractions fiscale pénales” (zoals de Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp vermeld), maar de correcte vertaling is wel ERNSTIGE strafrechtelijke fiscale misdrijven. Het FATF heeft op geen enkele wijze verduidelijkt wat onder dit begrip “serious” dient te ressorteren. Het FATF stelt ter zake dat de invulling van dit begrip volledig toekomt aan elke lidstaat zelf. (International standards on combating money laundering and the financing of terrorism & proliferation. The FATF Recommendations, February 2012, 113. “When deciding on the range of offences to be covered as predicate offences under each of the categories listed above, each country may decide, in accordance with its domestic law, how it will define those offences and the nature of any particular elements of those offences that make them serious offences”)

Uit de aanbevelingen volgt dus enkel dat elke lidstaat afzonderlijk zal moeten beoordelen of een strafrechtelijk fiscaal misdrijf al dan niet “ernstig” is. Het volstaat dus niet om te stellen dat als een fiscaal misdrijf strafrechtelijke gesanctioneerd is, dit ook  noodzakelijkerwijs een “ernstig” misdrijf is.

De Europese Gemeenschap voorziet een ontwerp van Europese Richtlijn om invulling te geven aan de nieuwe aanbevelingen van het FATF (de zogenaamde “Vierde antiwitwasrichtlijn”). Op 5 februari 2013 heeft de Europese Commissie haar goedkeuring gehecht aan een finaal voorstel. In dit voorstel geeft de Europese Commissie een (verplichte) omschrijving van het begrip ernstige fiscale misdrijven. (Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme /* COM/2013/045 final - 2013/0025 (COD)). Artikel 3, (4), (f) van het Voorstel van Richtlijn voorziet immers dat onder het toepassingsgebied moeten ressorteren: “alle feiten, daaronder begrepen fiscale misdrijven in verband met directe belastingen en indirecte belastingen, die strafbaar zijn gesteld met een maximale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan een jaar of, voor staten die in hun rechtsstelsel een strafminimum voor strafbare feiten kennen, alle feiten die strafbaar zijn gesteld met een minimale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan zes maanden”. (Vermits België het stelsel van minimumstraffen hanteert, geldt in casu immers de tweede hypothese)

In de Belgische wetgeving inzake directe en indirecte belastingen zijn volgende minimumstraffen voorzien voor fiscaal strafbare feiten: gevangenisstraf van (minimum) acht dagen (met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreden) (art. 449 WIB 1992 en soortgelijke bepalingen inzake indirecte belastingen) en gevangenisstraf van (minimum) één maand (fiscale valsheid) (art. 450 WIB 1992 en soortgelijke bepalingen inzake indirecte belastingen). Zelfs na de recente wetswijziging, zou op basis van het voorstel van vierde richtlijn de opname van de ernstige fiscale fraude nog niet noodzakelijk zijn, vermits de minimumgevangenisstraf steeds nog maar acht dagen of één maand bedraagt. Enkel de maximumgevangenisstraf werd verhoogd voor deze vorm van fraude van twee jaar naar vijf jaar.

Niettemin heeft de wetgever deze aanbevelingen aangenomen als onterecht argument om alsnog het begrip in de WWPW aan te passen.

Volgens de wetgever kan de ernst van het fiscale misdrijf worden beoordeeld op basis van de (1) aanmaak en/of het gebruik van valse stukken, maar ook (2) het omvangrijke bedrag van de verrichting en (3) het abnormale karakter van dit bedrag gelet op de activiteiten of het eigen vermogen van de cliënt, (4) alsook het voorkomen van een van de indicatoren van het koninklijk besluit van 3 juni 2007.  In de nieuwe definitie van fiscale fraude wordt de mate van organisatie één van de criteria van de ernst ervan, zonder dat dit vereist is om als dusdanig te worden beschouwd. (Memorie van Toelichting, Gedr. St., Kamer, 2012-2013, nr. 2763/001, p. 5)

De Staatssecretaris Crombez heeft verduidelijkt dat: “De verschillende bij de voorbereidende werkzaamheden naar voren geschoven criteria zijn slechts indicatoren; het is niet de bedoeling dat ze afzonderlijk worden gelezen en geanalyseerd.” (Verslag, Gedr. St., Kamer, 2012-2013, nr. 2763/007, p. 7.) Hij benadrukte dan ook “dat er meerdere criteria zijn waarmee rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling of er al dan niet, in een concrete situatie, sprake is van ernstige fiscale fraude”. (Verslag, Gedr. St., Kamer, 2012-2013, nr. 2763/007, p. 11.)

Uit de bespreking in de Kamer van Volksvertegenwoordigers is gebleken dat ook de Staatsecretaris voor fraudebestrijding eigenlijk niet in staat was om een echt onderscheid aan te duiden tussen de notie ”ernstige fiscale fraude” en de vorige notie “ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procedés van internationale omvang worden aangewend”. Hoofdzakelijk heeft hij zich immers beperkt tot een verwijzing naar het Koninklijk Besluit van  3 juni 2007 (dat echter een invulling gaf aan het begrip “ernstige en georganiseerde fiscale fraude” en niet van het begrip “ernstige fraude”). Wel heeft de Staatssecretaris ter zake bevestigd dat hij voorstander is van een “bijvoeglijke” lezing van dit K.B. (Verslag, Gedr. St., Kamer, 2012-2013, nr. 2763/007, p. 7.)

Alhoewel er enige pogingen zijn geweest om voormeld KB aan te passen (o.a. door een minimumbedrag aan fraude voor op te stellen), lijkt enige aanpassing van dit K.B. nog niet haalbaar.

Bijgevolg zullen alle meldingsplichtigen zelf moeten komen tot een eigen invulling van het begrip 'ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd'.

De Vierde Witwasrichtlijn is in aankomst

Er zijn nog wijzigingen op komst op korte termijn.

De Europese Gemeenschap voorziet een ontwerp van Europese Richtlijn om invulling te geven aan de nieuwe aanbevelingen van het FATF (de zogenaamde “Vierde antiwitwasrichtlijn”). Zoals hoger vermeld, op 5 februari 2013 heeft de Europese Commissie haar goedkeuring gehecht aan een finaal voorstel.

De Nederlandse vertaling van de ontwerptekst is evenwel verre van gelijklopend met de Engelse versie (en manifest verkeerd soms). Enige aanpassingen zijn dan ook nog nodig.

In dit voorstel geeft de Europese Commissie een omschrijving van het begrip ernstige fiscale misdrijven. Hierboven is hier al dieper op ingegaan.

Naast deze wijzigingen is onze Belgische wetgeving in grote lijnen al conform aan de Vierde witwasrichtlijn. Uiteraard zal de WWPW her en der nog moeten aangepast worden.

De mogelijk meest ingrijpende wijziging aan de tekst van de witwasrichtlijn wordt ingevoerd zonder enige toelichting, zodat het niet duidelijk is of de wijziging in de tekst van de richtlijn al dan niet echt implicaties heeft. De tekst omtrent de meldingsplicht als men “weet, vermoedt of goede redenen heeft om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren” wordt vervangen door een melding als men “weet, vermoedt of goede redenen heeft om te vermoeden dat gelden de opbrengst zijn van criminele activiteiten of met de financiering van terrorisme verband houden”. Heeft deze wijziging in de tekst tot gevolg dat de meldingsplicht van “witwassen” nu vervangen door melding van “vuil geld” (zonder vraag of er al dan niet al witwassen aanwezig is van dit geld). M.a.w. eerder melding van het bestaan van een hoofdmisdrijf zelf dan het melden van het witwassen van geld afkomstig van hoofdmisdrijf? Alhoewel deze nieuwe tekst nauwer aansluit bij de tekst van de aanbeveling van de FAG, hoeft dit m.i. niet noodzakelijk enige wijziging met voorheen te betekenen. Uiteindelijk kadert de meldingsplicht nog steeds in de strijd tegen het witwassen, zodat het logisch blijft dat nog steeds enkel het witwassen moet gemeld worden en niet de aanwezigheid van 'vuil geld'.

Andere wijzigingen in de voorlopige versie van de vierde Witwasrichtlijn lijken minder relevant voor België.

Zo voorziet de richtlijn dat het beperking in contanten van 15.000 EUR wordt herleid tot 7.500 EUR, gelet op de bovenvermelde Belgische wetswijzigingen is de Belgische wetgeving als strikter.

De aandacht die politieke prominente personen moeten genieten die in het buitenland verblijven, zal worden uitgebreid tot politieke prominente personen die in België verblijven. De CFI raadt dit reeds op dit ogenblik aan in het kader van het mogelijk verhoogd risicoprofiel van deze personen. Voor de vastgoedmakelaars is dit overigens als voorzien in hun reglement. Deze wijziging zal dus niet ingrijpend zijn.

De grootste wijziging die rest is dan ook de invulling van de risicobenadering. De beoordeling van het risicoprofiel zal in de toekomst nog meer genuanceerd en gecoördineerd moeten gebeuren.

Andere wijzigingen houden meer verplichtingen in voor de autoriteiten (betere samenwerking tussen CFI en andere buitenlandse gelijkaardige administraties, meer doorzichtigheid van juridische constructies...)

Uitdagingen op korte termijn

De grote uitdagingen voor de beroepsbeoefenaars ligt eerder in de toepassing van de gewijzigde Belgische wetsbepalingen (beperking in contanten, begrip ernstige fiscale fraude...) dan in de aankomende Europese richtlijn.

Belangrijker dan de vierde witwasrichtlijn zal de beoordeling zijn die België krijgt in het kader van de wederzijdse evaluatie door de FAG. Deze wederzijdse evaluatie die zal plaatsvinden in 2014 zal enerzijds betrekking hebben op de conformiteit van onze wetgeving met de aanbevelingen van de FAG en anderzijds op de effectiviteit van onze wetgeving.

Inzake conformiteit lijkt het mij dat niet veel problemen te verwachten zijn. Inzake effectiviteit (en de controle hierop) zijn mogelijks wel gebreken te bespeuren. Een negatieve evaluatie terzake, die onvoldoende rekening zou houden met het feit dat de wetgeving voor de meeste beroepsbeoefenaars pas recent enige concrete invulling heeft gekregen, zou mogelijks een verregaand wetgeving ingrijpen tot gevolg kunnen hebben.

Laat ons hopen dat dergelijk wetgeving ingrijpen niet overhaast zou gebeuren en zeker niet tot een 'overkill' zal leiden. Beroepsbeoefenaars en hun cliënten hebben tijd nodig om zich aan te passen aan een wijzigend wetgevend kader.


Alain Claes
Advocaat-Vennoot

Accountancy & Fiscaliteit, 2013, nr. 44, p. 5-8



21-03-17 Nu ook tax shelter voor podiumkunsten
De succesvolle “tax shelter” voor audiovisuele werken wordt opengesteld voor theater, opera en andere podiumkunsten. ....lees meer
 
20-03-17 Kwartaalaangevers hoeven geen voorschotten meer te betalen
De formaliteiten voor BTW-plichtigen worden verder vereenvoudigd. ....lees meer
 
17-03-17 Uber-taxirit valt volledig onder regime voor deeleconomie
Bij de invoering van het nieuwe belastingregime voor de deeleconomie – voor particulieren die diensten aanbieden aan andere particulieren via elektronische platforms – was uitgelegd dat inkomsten uit verhuur van kamers via Airbnb slechts gedeeltelijk onder het nieuwe stelsel vallen. ....lees meer
 
28-02-17 Hoge belasting op gebruik gratis woning is ongrondwettelijk, zegt nu ook Antwerps Hof van Beroep
Wie gratis een woning mag gebruiken van zijn werkgever of vennootschap, wordt voor dat gebruik belast op een zogenaamd voordeel van alle aard. ....lees meer
 
website door webalive