nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Jobs   General conditions  
Liquidatiebonus belast aan 25% … maar ontsnappen is mogelijk
 
Vanaf 1 oktober 2014 is het afgelopen met de voordelige behandeling van liquidatieboni. Het tarief van de roerende voorheffing stijgt dan van 10 tot 25%. Om aan die tariefverhoging te ontsnappen, is er echter nog een andere mogelijkheid dan nog snel te liquideren vóór die datum. Van 1 juli 2013 tot 30 september 2014 krijgt men immers de kans om belaste reserves te incorporeren in het maatschappelijk kapitaal. In ruil voor een roerende voorheffing van 10% nu, kan dat kapitaal na vier of acht jaar belastingvrij uitgekeerd worden. Dat staat in het ontwerp van programmawet dat net ingediend is in het Parlement.

Wat jarenlang een taboe was, gebeurt nu toch. Liquidatieboni worden niet langer ontzien maar ondergaan binnenkort dezelfde roerende voorheffing als andere dividenden: 25%. De tariefverhoging gaat echter pas in op 1 oktober 2014.

Belasting “vooruitbetalen” om aan tariefverhoging te ontsnappen

Tot zolang kan men nog gebruik maken van wat de regering een overgangsmaatregel noemt. Men kan kapitaal creëren dat blijvend, dus ook als het na 2014 uitgekeerd wordt, ontsnapt aan de tariefverhoging en zelfs aan elke belasting. De prijs daarvoor is dat de 10% die anders op het einde van de rit betaald had moeten worden, nu onmiddellijk betaald moet worden.

Concreet krijgt men de mogelijkheid om belaste reserves te incorporeren in het kapitaal. Dat wordt dan beschouwd als fiscaal gestort kapitaal, wat betekent dat het nadien zonder enige belasting uitgekeerd kan worden bij een liquidatie of een kapitaalvermindering. Op fiscaal gestort kapitaal wordt immers geen liquidatieheffing berekend. En een kapitaalvermindering wordt bij voorrang aangerekend op het deel van het kapitaal dat ontstaan is door gebruik te maken van de “overgangsmaatregel”. In ruil voor die vrijstelling wordt er wel 10% ingehouden “in het begin”: op het moment van de “uitkering” van de reserves die men incorporeert in het kapitaal. Technisch spreekt men immers van een uitkering van dividenden die dan onmiddellijk aangewend worden om het maatschappelijk kapitaal te verhogen.

Kapitaal moet minstens vier of acht jaar in onderneming blijven

Bovendien mag het op die manier gecreëerde kapitaal niet onmiddellijk uit de onderneming gehaald worden. Wie het al opnieuw uitkeert tijdens de eerste twee jaar na de incorporatie, betaalt 15% roerende voorheffing. Samen met de 10% die al betaald is op het moment van de incorporatie zelf, komt dat dus uit op een belasting van 25% - evenveel als het tarief van de liquidatieheffing vanaf 1 oktober 2014. Er is met andere woorden per saldo geen enkel belastingvoordeel bij een snelle uitkering (integendeel: omdat een deel van de belasting vooruitbetaald is, is er nog een financieringskost). Wie uitkeert in het derde jaar, betaalt nog 10% op het kapitaal in kwestie (in totaal dus 20%). In het vierde jaar wordt men nog altijd “bestraft” met een heffing van 5%, en pas na het vierde jaar blijft de liquidatie of kapitaalvermindering echt belastingvrij.

En dat is dan nog de regeling voor KMO's. Grote vennootschappen moeten het betrokken kapitaal zelfs dubbel zo lang in de onderneming houden vooraleer ze het volledig belastingvrij kunnen uitkeren. Tot vier jaar na de incorporatie wordt nog altijd 15% aangerekend op een eventuele uitkering. Tijdens het vijfde en zesde jaar is dat 10%, en tijdens het zevende en achtste jaar 5%.

Een troost: alleen het statuut in het jaar van de incorporatie telt. Als een vennootschap die nu “klein” is (in de zin van artikel 15 Wetboek Vennootschappen), binnen twee jaar ineens “groot” wordt, betekent dat niet dat ze daardoor ineens vier jaar langer moet wachten vooraleer ze het kapitaal belastingvrij kan uitkeren.

De omzetting van belaste reserves in gestort kapitaal mag alleen gebeuren met bestaande reserves. Meer bepaald komen alleen reserves in aanmerking die bestonden op 31 maart 2013. Dat moet begrepen worden als het einde van het laatste boekjaar dat afgesloten is op of vóór die datum. Bovendien schijnt de wettekst te suggereren dat de jaarrekening van dat boekjaar al goedgekeurd moet zijn door de algemene vergadering vóór die datum.

Dividendpolitiek mag niet wijzigen

Een andere belangrijke voorwaarde is dat er voor de “overgangsmaatregel” geen middelen gebruikt mogen worden die anders gebruikt zouden worden voor een gewone dividenduitkering. Dat laatste wordt immers nu al aan 25% belast, en de regering vreest blijkbaar dat sommigen het ervoor over hebben om het geld voor het dividend vier jaar langer in de onderneming te laten in ruil voor een belasting aan “slechts” 10%. Concreet bestaat de voorwaarde erin dat een onderneming in het jaar van de incorporatie van de reserves in kapitaal een even groot percentage van haar winst moet uitkeren als het gemiddelde van de voorbije vijf jaar. Is dat niet het geval, dan wordt op het verschil een bijzondere aanslag van 15% in de vennootschapsbelasting gevestigd. In totaal betaalt men daardoor dus ook 25%.

Voorbeeld

Een onderneming maakt in de jaren 2008 tot 2012 een winst van 4.000, 5.000, 3.500, 6.000 en 6.500 (totaal 25.000) en keert een dividend uit van achtereenvolgens 400, 600, 200, 600 en 700 (totaal 2.500).

In 2013 beslist ze gebruik te maken van de overgangsmaatregel door 15.000 belaste reserves uit te keren en te incorporeren in het maatschappelijk kapitaal (effectief wordt dan slechts 13.500 geïncorporeerd wegens de 10% roerende voorheffing).

De winst voor 2013 bedraagt 5.000, het dividend 300. Volgens de verhouding van de afgelopen vijf jaar (2.500/25.000 of 10%) veronderstelt de regering dat eigenlijk een dividend van 500 uitgekeerd had moeten zijn, dus wordt op 200 een bijzondere aanslag van 15% gevestigd.

Een verliesjaar telt niet mee. Stel dat in 2008 een verlies geleden wordt van 4.000. Het percentage waarmee rekening gehouden moet worden is dan nog steeds 10% (2.100/21.000) en niet 12,4% (2.100/17.000).

Niet zoveel tijd

In theorie heeft men voor dat alles nog tijd tot de inwerkingtreding van de hogere liquidatieheffing. Maar in de praktijk rest er meestal veel minder tijd. Want de overgangsmaatregel “kan slechts toegepast worden op de inbrengen die tot stand zijn gekomen in het boekjaar dat afgesloten wordt vóór 1 oktober 2014”. In een normaal geval, met een boekjaar dat samenvalt met het kalenderjaar, heeft men bijgevolg nog slechts tijd tot 31 december 2013. Een maatregel voor snelle beslissers dus...

(Bron: http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/53/2853/53K2853001.pdf)




14-10-17 Fiscus versoepelt recht op aftrek btw
In een Circulaire van 12 oktober 2017 kondigt de fiscus aan zich voor de BTW-aftrek te schikken naar het “substance-over-form”-principe, zoals ingesteld door het Europees Hof. ....read more
 
13-10-17 Fiscale visitatie omvat geen algemeen huiszoekingsrecht...
… zo blijkt uit een recent arrest van het Grondwettelijk Hof, uitgesproken op 12 oktober 2017 (nr. 116/2017). ....read more
 
09-10-17 Kaaimantaks: achterpoortjes gaan dicht
Naast de hervorming van de vennootschapsbelasting maakte o.m. ook een “versterking” van de kaaimantaks deel uit van het zomerakkoord van de regering. ....read more
 
02-10-17 Kostendelende verenigingen aan banden gelegd door Hof van Justitie
Het Europese Hof van Justitie legt bijkomende voorwaarden op voor het statuut van “zelfstandige groeperingen”.....read more
 
website by webalive