nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
About Us   Practice Areas   Lawyers   Co-ordinates   News   Links   General conditions  
Fiscus verzendt massaal vragen om inlichtingen over vruchtgebruik
 
Zoals aangekondigd, gaat de fiscus alle vruchtgebruik’constructies’ onder de loep nemen. Die campagne lijkt nu volop van start te gaan. Interessant is dat de fiscus daarbij niet in eerste instantie gebruik maakt van de antimisbruikbepaling maar vooral artikel 49 van het WIB 92 als wapen hanteert evenals van de voordeel-theorie. Daarbij houdt de fiscus er enkele opmerkelijke interpretaties op na van de aftrekvoorwaarden. Hieronder overlopen we systematisch de vragenlijst die de fiscus daarbij hanteert. Men kan alvast beginnen met zich goed te documenteren…

Er blijkt volgens de fiscus nog steeds een exponentiële groei van vruchtgebruik-overeenkomsten te zijn. Het aantal vennootschappen met één vruchtgebruik-afspraak steeg sinds 2005 met 50% tot bijna 43.000 begin 2012. Het aantal vennootschappen met meerdere vruchtgebruik-afspraken steeg met 86%, net geen 30.000.

Het gaat dan meestal om gevallen waarin een vennootschap voor een flinke prijs het vruchtgebruik van een onroerend goed verwerft, terwijl haar bestuurders of vennoten voor een zacht prijsje de blote eigendom verwerven. Dergelijke overeenkomsten zijn de fiscus al langer een doorn in het oog.

Reeds in 2012 werd een eerste grote controleactie gelanceerd (zie Fisc. Act. 2012, 24/11), waarbij voornamelijk de gevolgen van het vruchtgebruik op het einde van het vruchtgebruik - en dan voornamelijk bij zogenaamde turbovruchtgebruikconstructies - werden bekeken.

Grootscheepse nieuwe controleactie

Er is nu een vervolg op die controleactie aangekondigd. Naar wij vernemen zijn er recent een paar duizend vragen om inlichtingen verzonden, of zijn ze klaar voor verzending, voornamelijk naar belastingplichtigen die de voorbije drie jaar zijn ingestapt in een vruchtgebruikovereenkomst. Bedoeling zou zijn om na te gaan of zowel bij de vestiging of de aankoop van het vruchtgebruik (“fase 1”),  tijdens de looptijd van het vruchtgebruik (“fase 2”) en tenslotte aan het einde van de (turbo)vruchtgebruikovereenkomst (“fase 3”), de (fiscale) regels zijn gerespecteerd.

De toets zou voornamelijk de waardering (en eventuele voordelen) betreffen, bij de aanvang (fase 1) en bij het beëindigen van de overeenkomst (fase 3). In fase 2 vraagt de fiscus zich af of de kosten die zijn gemaakt om het voordeel van alle aard te verstrekken, wel fiscaal aftrekbaar zijn, of meer bepaald of die kosten wel zijn gemaakt om “reële prestaties” te vergoeden. [Cass. in 1964: geen aftrek voor deel van loon dat geen reële prestaties vergoedt]De fiscus lijkt in fase 2 een streng standpunt te willen innemen, daarbij gesterkt door een cassatiearrest van 6 oktober 1964.

In die zaak had de fiscus de aftrek geweigerd van de helft van de bezoldiging die een notaris betaalde aan zijn vader (erenotaris) voor hulp op het notariskantoor, omdat de fiscus vastgesteld had dat zijn loon dubbel zo hoog was als wat op andere kantoren aan het personeel betaald werd (en de notaris daarvoor geen uitleg had). Cassatie zag daar geen graten in en stelde dat het deel van de bezoldiging dat geen vergoeding vormt voor werkelijke prestaties, niet aftrekbaar is. Dat deel van de kost is immers niet gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Cassatie voegde daar nog aan toe dat de fiscus daarmee de regel niet schendt dat hij geen oordeel mag vellen over de gepastheid of het nut van een beroepskost (geen verboden opportuniteitsoordeel). De fiscus verwerpt geen kost die onnodig of ongepast zou zijn, maar wel een bedrag waaraan geen prestaties beantwoorden, aldus nog het Hof (Bull. Bel. 1965, afl. 422, 1602). Blijkbaar meent de fiscus in dat arrest munitie gevonden te hebben om een argument te verwerpen dat is aangehaald in de rechtsleer, namelijk dat het WIB niet vereist dat een bezoldiging 'proportioneel' moet zijn om in aanmerking te komen voor aftrek (zie bv. X. Gillot en D. Dilliën in Fisc. Act. 2012, 18/3).

Via de vragen om inlichtingen tracht de fiscus een volledige kijk te hebben op volgende documenten en afspraken m.b.t. het onroerend goed:
o   de notariële akte en eventuele voorafgaande 'compromis';
o   de in artikel 600 van het BW bedoelde staat (de boedelbeschrijving die
     de vruchtgebruiker bij de aanvang moet opmaken);
o   alle overeenkomsten (ook mondelinge, die dan best schriftelijk moeten
     toegelicht worden in het antwoord);
o   elke bouwvergunning;
o   een plan van het onroerend goed bij aanvang van het vruchtgebruik;
o   een eventuele lening met aflossingstabel;
o   de gehanteerde waarderingsmethode.

De administratie zal aan de hand van de afgesloten overeenkomsten nagaan of de partijen geen afspraken hebben gemaakt die contractueel moeilijker zijn. We denken daarbij bv. aan een ontbindende voorwaarde in geval van faillissement, iets wat minder evident is als het vruchtgebruik is aangekocht van een derde.

Verder vraagt de fiscus ook een beschrijving van alle uitgevoerde investeringen, een kopie van alle aankoopfacturen m.b.t.  investeringen en kosten, een beschrijving van het gebruik, alle details van de rekening(en)-courant, en een volledige inhoud van elk arbeidscontract met de blote eigenaar. Ten slotte zou de fiscus ook een overzicht willen van alle vergoedingen die de blote eigenaar heeft betaald aan de vruchtgebruiker voor eventuele verbouwingen en eventuele substantiële onderhouds- en herstellingswerken, evenals een overzicht van alle andere vergoedingen die de blote eigenaar heeft betaald aan de vruchtgebruiker of omgekeerd, met telkens vermelding van de reden.

Correcte waardering?

De fiscus zal, zoals gezegd, vooreerst bij de controle een bijzondere aandacht hebben voor de waarde van het vruchtgebruik bij het aangaan van het contract (fase 1). De bedoeling is na te gaan of partijen bij de opsplitsing zijn uitgegaan van een realistische economische waardebepaling, zijnde een geactualiseerde waarde van de (hypothetische) netto-huurontvangsten voor de duur van het vruchtgebruik.

De jongste jaren hebben we in deze nieuwsbrief regelmatig melding gemaakt van gerechtelijke uitspraken of van rulings waarin geoordeeld werd dat de vennootschap aan haar bestuurders al dan niet een belastbaar voordeel van alle aard - of aan haar vennoten al dan niet een abnormaal voordeel bezorgde - naargelang de prijs die zij voor het vruchtgebruik betaalde aan de bestuurders of vennoten, al dan niet abnormaal hoog was (zie Fisc. Act. 2011, 8/2; zie ook het ¬- verwijderde - 'standpunt' van de Rulingdienst, Fisc. Act. 2009, 18/10 en Fiscaal zakboekje rulings.be, 459). Inderdaad, in de mate dat die waardering niet correct is, zal de fiscus trachten het voordeel dat voortvloeit uit de overwaardering te belasten in hoofde van de bedrijfsleider/blote eigenaar in de mate dat hij kan aantonen dat het voordeel rechtstreeks of onrechtstreeks in verband staat met het uitgeoefende mandaat als bedrijfsleider (bewijslast ligt bij de fiscus). Als dat niet of niet voldoende kan worden aangetoond, kan het voordeel nog steeds in hoofde van de vennootschap worden belast als een abnormaal of goedgunstig voordeel. Desgevallend - namelijk als er geen fiches opgemaakt zijn - kan de fiscus ook artikel 219 van het WIB 92 toepassen (aanslag geheime commissielonen), maar de lokale Inspecteur zou hier dit keer gemakkelijker kunnen van afzien.

Reële prestaties?

Bovendien bestaat al langer een tendens om de aan het vruchtgebruik verbonden kosten in hoofde van de vennootschap/vruchtgebruikster te verwerpen als die niet eigen zijn aan de maatschappelijke activiteit. Maar in de specifieke controleactie anno 2013 is het zoals gesteld de bedoeling van de fiscus om voornamelijk kosten te verwerpen als de belastingplichtige er niet in zou slagen aan te tonen dat de kosten voor het verstrekken van het voordeel zijn gemaakt 'ter vergoeding' van reële prestaties.

De aanleiding is veelal dat in bepaalde vruchtgebruikafspraken de gebouwen volgens de fiscus niet in het kader van de reële activiteit van de vennootschap worden aangewend. Nogal eens gaat het ook om vakantiewoningen. De kosten die niet kaderen in het maatschappelijk doel van de vennootschap of niets te maken hebben met de werkelijke activiteit van de vennootschap, zijn volgens de fiscus niet aftrekbaar op grond van artikel 49 van het WIB 92. Het feit dat een voordeel van alle aard wordt belast, wijzigt volgens de fiscus niets aan het oordeel over de aftrekbaarheid van de kost bij de vennootschap

De administratie roept daarvoor de rechtspraak van het Hof van Cassatie in waarin werd beslist dat uitgaven slechts aftrekbare beroepskosten zijn als ze inherent zijn aan de uitoefening van de beroepsactiviteit, d.w.z. als ze noodzakelijkerwijze verband houden met hun maatschappelijk doel (Cass. 18 januari 2001, FJF nr. 2001/220 en Fisc. Koer. 2001/237; Cass. 19 juni 2003, TFR 2004, afl. 257, 256 en 233 met noot M. Vankeirsbilck; Cass. 12 december 2003, FJF nr. 2004/131; zie o.m. Gent 22 september 2009 en 26 januari 2010, Fisc. Act. 2009, 42/5 en 2010, 36/13-14 voor een toepassing op het typische appartement aan de kust).

Volgens de fiscus zou het ontbreken van inkomsten de aftrek van uitgaven als beroepskosten in het gedrang kunnen brengen. Als er geen opbrengsten zijn, zou de aftrek van de uitgaven in vraag kunnen worden gesteld. Volgens de fiscus worden vennootschappen niet geacht uitgaven te doen waarmee geen directe opbrengsten worden nagestreefd. Dat zou o.m. het geval zijn wanneer vennootschappen uitgaven doen voor onroerende goederen die nadien kosteloos ter beschikking worden gesteld aan hun zaakvoerders of bestuurders.

De rechtspraak is terzake zeer verdeeld. Steeds vaker wordt evenwel aanvaard dat het feit dat een vennootschap door de terbeschikkingstelling van een onroerend goed in staat is om haar zaakvoerders/bestuurders bijkomend te bezoldigen in de vorm van een voordeel van alle aard, volstaat om de aftrek van de uitgaven te verantwoorden (Rb. Brugge 17 juni 2008, Fisc. Koer. 2008/589 en Fisc. Act. 2008, 27/13; Rb. Bergen 15 november 2010, BE1 10/1407 www.monkey.be; Rb. Namen 21 januari 2009, Fisc. Act. 2009, 11/13-14; Luik 1 februari 2012, Fisc. Act. 2012, 18/1; Brussel 1 maart 2012, Fisc. Act. 2012, 18/1).

Kosten tijdens duur vruchtgebruik

Ook tijdens de duur van het vruchtgebruik (fase 2) kunnen vragen rijzen : bv vormen de herstellingswerken die de vennootschap-vruchtgebruiker ten laste heeft genomen, een voordeel van alle aard? Van gewone herstellingen (bv. herstellingen van parketvloeren, plafonds, trappen, het dak, reinigen en herstellen van schoorstenen) neemt men aan dat de vruchtgebruiker die ten laste kan nemen zonder dat enig voordeel in hoofde van de blote eigenaar ontstaat. Wat verbeteringswerken betreft waarbij de investeringen beperkt blijven tot het bedrag van de inkomsten die door het vruchtgebruik worden voortgebracht, neemt de fiscus evenzeer aan dat die geen voordeel van alle aard uitmaken in hoofde van de bedrijfsleider.

In geval van grove herstellingswerken is de situatie minder duidelijk. In de regel zal er niet onmiddellijk belasting geheven worden op een voordeel van alle aard aangezien partijen op dat ogenblik enkel de aangegane verbintenissen hebben uitgevoerd. Idem bij de oprichting van nieuwe gebouwen door de vruchtgebruiker (waarvan die laatste eigenaar blijft gedurende de looptijd van het vruchtgebruik - zgn. turbovruchtgebruik). De belastingplichtige zal wel in kennis worden gesteld van een mogelijke belasting bij de beëindiging van het vruchtgebruik.

Tenslotte zal de fiscus - in fase 2 - uiteraard ook nagaan of de voordelen die voortvloeien uit een (kosteloze) terbeschikkingstelling, wel correct zijn aangegeven.

Voordeel op einde?

In fase 3 - einde vruchtgebruik - neemt de fiscus voornamelijk de 'turbovruchtgebruiken' in het vizier. De bestuurder verwerft dan, door het uitdoven van het vruchtgebruik, gratis het gebouw dat op kosten van de vennootschap opgetrokken is. Naar verluidt zou de fiscus bij het berekenen van het voordeel willen uitgaan van de marktwaarde van het pand. Daarbij kan men zich grote vragen stellen, aangezien de waarde van een onroerend goed grotendeels door de ligging wordt bepaald (en dat waardeverschil is gelegen in de blote eigendom van de grond).

Herinneren we eraan dat de regering de bedoeling heeft met de vernieuwde antirechtsmisbruikbepaling, die sinds 1 juni 2012 van toepassing is, de strijd tegen de zgn. “vruchtgebruikconstructies” nog verder op te drijven (art. 167 programmawet (I) van 29 maart 2012, BS 6 april 2012, dat art. 344 § 1 WIB 92 wijzigde; zie o.m. Fisc. Act. 2013, 3/9). Maar uit de huidige controleactie, en de opzet ervan, kan worden afgeleid dat de fiscus de wapens van misbruik en simulatie t.a.v. vruchtgebruikovereenkomsten in de kast laat.

Jo ROSELETH en Leo DE BROECK



21-03-17 Nu ook tax shelter voor podiumkunsten
De succesvolle “tax shelter” voor audiovisuele werken wordt opengesteld voor theater, opera en andere podiumkunsten. ....read more
 
20-03-17 Kwartaalaangevers hoeven geen voorschotten meer te betalen
De formaliteiten voor BTW-plichtigen worden verder vereenvoudigd. ....read more
 
17-03-17 Uber-taxirit valt volledig onder regime voor deeleconomie
Bij de invoering van het nieuwe belastingregime voor de deeleconomie – voor particulieren die diensten aanbieden aan andere particulieren via elektronische platforms – was uitgelegd dat inkomsten uit verhuur van kamers via Airbnb slechts gedeeltelijk onder het nieuwe stelsel vallen. ....read more
 
28-02-17 Hoge belasting op gebruik gratis woning is ongrondwettelijk, zegt nu ook Antwerps Hof van Beroep
Wie gratis een woning mag gebruiken van zijn werkgever of vennootschap, wordt voor dat gebruik belast op een zogenaamd voordeel van alle aard. ....read more
 
website by webalive