nlfren
PRINT
SITEMAP | DISCLAIMER
Présentation   Domaines d'activités   Avocats   Coordonnées   Nouvelles   Links   Conditions générales  
Transaction pénale et abolissement du secret bancaire ne sont pas inconstitutionnelles
 
La Cour constitutionnelle a statué sur les recours en annulation de la transaction pénale (le nouvel article 216bis du Code d'instruction criminelle) et l'assouplissement du secret bancaire fiscal. Tous les recours sont rejetés (Cour constitutionnelle, 14 février 2013, arrêt 6/2013).

Versoepeling van het fiscaal bankgeheim

Sinds 1 juli 2011 is het fiscale bankgeheim inzake inkomstenbelastingen zo goed als opgeheven (art. 55-57 wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen; zie o.m. Fisc. Act. 2011, 9/1, 32/3 en 2012, 20/4). De verzoekende partijen bekloegen zich bij het Grondwettelijk Hof over het feit dat die wet afbreuk doet zowel aan het recht op eerbiediging van het privéleven en van het briefgeheim als aan het verbod op dwangarbeid of verplichte arbeid en aan het recht om zichzelf niet te beschuldigen.

Over een aantal van die middelen is het Grondwettelijk Hof opvallend kort. Van een wettelijke inbreuk op het briefgeheim is volgens het Hof met de nieuwe bepalingen geen sprake, zodat er geen schending is van artikel 29 van de Grondwet. Ook een vermeende inbreuk op het verbod op dwangarbeid of verplichte arbeid (art. 10, 11 en 12 GW, in samenhang gelezen met art. 4.2 EVRM) ziet het Hof niet : aan de financiële instellingen wordt geen buitenproportionele 'titanenarbeid' opgelegd inzake het inwinnen, bewaren en meedelen van gegevens aan de fiscus.

Wat het 'recht om zichzelf niet te beschuldigen' betreft, volstaat het volgens het Grondwettelijk Hof dat de bancaire inlichtingen, waarvan de overlegging door de administratie wordt geëist en die afkomstig zijn van de belastingplichtige, door die laatste aan de financiële instelling zijn verstrekt zonder dwang of druk vanwege de overheid. En dat doorstaat de toets van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 5 april 2012, Chambaz t. Zwitserland, § 52, Fisc. Act. 2012, 15/1).

Recht op privacy niet geschonden

Het Grondwettelijk Hof staat iets langer stil bij het recht op eerbiediging van het privéleven. Daarover oordeelt het Hof dat gegevensvergaring in verband met rekeningen en financiële transacties een inmenging vormt in het privéleven van de betrokken personen, alsook van de personen met wie zij die financiële verrichtingen hebben gedaan. Het Hof moet er dan over waken dat de wetgever, wanneer hij voor de belastingadministratie mogelijkheden creëert om inzage te hebben van zulke gegevens, de voorwaarden naleeft waaronder een dergelijke inmenging in het recht op de bescherming van het privéleven en, in voorkomend geval, van het gezinsleven toelaatbaar is in het licht van artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Die rechten zijn immers niet absoluut. Artikel 22 van de Grondwet waarborgt dat geen enkele overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven kan plaatsvinden dan krachtens voldoende precieze regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering, waarbij elke inmenging moet beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig moet zijn met de nagestreefde wettige doelstelling.

Bij de afweging van een en ander stelt het Grondwettelijk Hof vast dat het oorspronkelijke wetsontwerp alleen de opheffing beoogde van het bankgeheim ten behoeve van de fiscus in een specifiek geval, namelijk wanneer een buitenlandse belastingadministratie een verzoek had gericht aan de Belgische collega's. De reden was dat België zich moest conformeren aan een aantal internationale verplichtingen rond fiscale gegevensuitwisseling. De afdeling wetgeving van de Raad van State vroeg zich echter af of daarmee indirect geen onrechtmatig concurrentieel voordeel zou worden geboden aan de in België actieve financiële instellingen en er een belemmering zou optreden van het vrij verkeer van diensten : als Belgische rijksinwoners bankverrichtingen bij Belgische banken uitvoeren, zou nog altijd een fiscaal bankgeheim gelden, terwijl over verrichtingen in een andere EU-lidstaat wel bankinlichtingen aan de Belgische fiscus zouden worden verstrekt.

Daarnaast was in de Kamer ook de opmerking gemaakt dat het Belgische fiscale bankgeheim een efficiënte fraudebestrijding in de weg stond (zie ook de bevindingen van de Parlementaire onderzoekscommissie naar de grote fiscale fraudedossiers) en internationaal steeds meer onder druk staat.
Om die en nog enkele andere redenen vindt het Grondwettelijk hof dat de versoepeling van het bankgeheim wel degelijk een doelstelling van algemeen belang nastreeft in de zin van artikel 8.2 van het EVRM, aangezien de correcte vestiging van de belasting nodig is om “het economisch welzijn van het land” te verzekeren (overweging B7).

De maatregel is daarenboven volgens het Hof ook conform met het wettigheidsbeginsel en redelijk verantwoord (resp. overwegingen B.9. en B.10-11.). Zo is de wet voldoende nauwkeurig afgebakend om het de belastingplichtigen mogelijk te maken, zonodig met juridische bijstand, te bepalen in welke gevallen een vraag om inlichtingen aan de bank, is verantwoord door een 'aanwijzing van belastingontduiking'. Eventueel kan dat gecontroleerd worden door de rechter (zie Fisc. Act. 2012, 27/11 voor een voorbeeld uit de praktijk). Het Grondwettelijk Hof stelt voorts vast dat er ook een aantal procedurele waarborgen in de wet zijn ingelast tegen willekeurige inmengingen in het privéleven van de belastingplichtige en van de personen met wie financiële verrichtingen zijn gedaan.

Het Grondwettelijk Hof maakt slechts één klein voorbehoud. Normaal gezien moet de fiscus, tegelijk met de vraag om inlichtingen aan de bank, ook de belastingplichtige verwittigen. Zo kan die controleren of de fiscus wel terecht om de opheffing van het bankgeheim vraagt. Maar in een bepaald geval mag het verwittigen van de belastingplichtige ook na de feiten gebeuren, met name als de rechten van de Schatkist in gevaar zijn (art. 333/1 § 1 lid 2 WIB 92).

Juist omdat de controle door de belastingplichtige en eventueel de rechter een essentiële waarborg is voor de evenredigheid van de maatregel (zie hierboven), is het Hof er beducht voor om een te ruime draagwijdte te geven aan die uitzondering. Op zich is er geen probleem, want tijdens de parlementaire voorbereiding is duidelijk gezegd dat de uitzondering alleen speelt als er "aanwijzingen zijn dat een belastingplichtige de intentie heeft om zich onvermogend te maken" (Parl. St. Kamer 2010-11, nr. 53-1208/7, 18).

Maar de regel moet dan wel effectief zo toegepast worden. En in de wet zelf staat het niet met zoveel woorden. Daarom verwerpt het Hof het vernietigingsberoep onder voorbehoud van die interpretatie.

Verruimde minnelijke schikking

De verruiming van de minnelijke schikking in strafzaken was op zich geen voorwerp van kritiek onder fiscalisten (art. 84 wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen; zie o.m. Fisc. Act. 2011, 32/6 en 2012, 21/1) maar was sommigen vooral een doorn in het oog omdat het openbaar ministerie slechts kan overgaan tot een minnelijke schikking in strafzaken in verband met een inbreuk op de fiscale en sociale wetten op voorwaarde dat de omzeilde belasting of sociale bijdragen integraal zouden zijn terugbetaald en vooral dat de fiscale of sociale administratie daarmee moet instemmen (soort vetorecht voor de fiscus dus). Die laatste twee vereisten bestaan niet voor gemeenrechtelijke misdrijven.

De nieuwe bepaling is volgens het Grondwettelijk Hof voldoende verantwoord : financiële dossiers zijn vaak van een ongekende complexiteit. In veel dossiers dreigt verjaring en overschrijding van de redelijke termijn terwijl de doelmatigheid van het strafrecht vereist dat de sanctie volgt zo snel mogelijk na het misdrijf.

'Vetorecht' fiscus is geen probleem

Volgens het Grondwettelijk Hof verzet artikel 151, § 1 van de Grondwet, dat de onafhankelijkheid waarborgt van het openbaar ministerie, er zich niet tegen dat de wetgever de vervolging of bepaalde aspecten van de vervolging van bijzondere misdrijven kan toevertrouwen aan een andere overheid (zoals bv. al het geval was met de administratie der douane en accijnzen). Trouwens, de voorwaarde dat de fiscus of de RSZ met de schikking moet instemmen (art. 216bis § 6 lid 2 Sv.), ontneemt volgens het Grondwettelijk Hof het openbaar ministerie niet het recht om de vervolgingen al dan niet uit te oefenen. Voor de fiscale of sociale misdrijven beperkt het alleen maar de mogelijkheid van het openbaar ministerie om aan de verdachte een minnelijke schikking voor te stellen die de vervolging beëindigt, waarbij dat voorstel afhankelijk wordt gemaakt van de betaling van de omzeilde belastingen of sociale bijdragen die de dader verschuldigd is, alsook van de instemming van de fiscale of sociale administratie.

De fiscale of sociale misdrijven tasten trouwens, zo stelt het Hof, de héle gemeenschap aan. De door het slachtoffer van een gemeenrechtelijk misdrijf geleden schade is daarentegen individueel.

Kortom, wegens de essentiële verschillen die bestaan tussen het slachtoffer van een gemeenrechtelijk misdrijf en de fiscale en sociale administratie, is het verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording.

Bart Coopman, advocaat



10-07-17 Kilometervergoeding gaat eindelijk weer omhoog
De fiscaal aanvaarde kilometervergoeding is op 1 juli gestegen tot 0,3460 euro. De stijging komt na twee opeenvolgende jaren van daling – als gevolg van de dalende brandstofprijzen.....lire la suite
 
09-07-17 Buitenlandse spaarboekjes niet langer gediscrimineerd?
Tot enkele jaren geleden was de vrijstelling voor interest op spaarboekjes (voor de eerste schijf van 1.880 euro aan rente) voorbehouden aan Belgische spaarboekjes.....lire la suite
 
03-07-17 Fiscus wordt strenger voor relatiegeschenken
De fiscus heeft zijn standpunt over het BTW-regime van relatiegeschenken geactualiseerd.....lire la suite
 
02-07-17 Maximaal vier eetfestijnen per jaar om geld in te zamelen
De fiscus legt een limiet op aan het aantal evenementen waarmee een VZW of culturele instelling geld kan inzamelen zonder aan BTW onderworpen te worden.....lire la suite
 
site web par webalive